Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201112444/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, geweigerd aan [appellant] ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een rookafvoer op het perceel [locatie] te Delfgauw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112444/1/A1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 oktober 2011 in zaak nr. 11/3119 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, geweigerd aan [appellant] ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een rookafvoer op het perceel [locatie] te Delfgauw.

Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van

5 augustus 2010 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 26 oktober, verzonden op 26 oktober 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.C. van Eeden en H. Roeten, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet, voor zover hier van belang, op een reeds gerealiseerde rookafvoer van ongeveer 9,50 m hoog met een doorsnede van 30 cm, ongeveer 6 m boven de bestaande bebouwing en bevestigd aan de noordzijde en het dak van het daarnaast gelegen gebouw.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende uitwerkingsplan "Bouwlocatie Delfgauw, uitwerkingsplan 1a" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woningen met de bijbehorende erfbebouwing en erven in de categorie halfvrijstaande woningen (EH), met inachtneming van het bepaalde op de kaart.

Ingevolge artikel 2, derde lid, voor zover van belang, gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart.

Ingevolge de plankaart mag de bebouwing op het gedeelte van het perceel waarop de rookafvoer is voorzien ten hoogste 3,20 m bedragen.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bouwlocatie Delfgauw", wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk; voor wat betreft gebouwen worden antennes, schoorstenen en andere ondergeschikte dakopbouwen hierbij niet meegerekend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de met het bouwplan voorziene rookafvoer in strijd is met de ingevolge het uitwerkingsplan maximaal toegestane hoogte van gebouwen. Daartoe voert hij aan dat gelet op artikel 2, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, de hoogte van de rookafvoer niet dient te worden meegenomen bij de beoordeling of het gebouw voldoet aan de maximale bouwhoogte als toegestaan volgens het uitwerkingsplan.

2.3.1. Uit artikel 2, derde lid, van de planvoorschriften van het uitwerkingsplan, in samenhang bezien met de daarbij behorende plankaart, volgt dat op het gedeelte van het perceel waarop de ongeveer 9,5 m hoge rookafvoer is voorzien, de bebouwing ten hoogste 3,20 m mag bedragen. Het uitpandige gedeelte van de rookafvoer steekt ongeveer 6 m boven de maximaal toegestane hoogte uit. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk; voor wat betreft gebouwen worden schoorstenen en andere ondergeschikte dakopbouwen hierbij niet meegerekend. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een rookafvoer zoals hier aan de orde, geen schoorsteen is in evenbedoelde zin. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de hoogte van de rookafvoer bij de beoordeling van de bouwhoogte dient te worden meegerekend, zodat het bouwplan, voor zover dit ziet op de rookafvoer, in strijd is met het uitwerkingsplan.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat het college bij besluit van 20 oktober 2011 omgevingsvergunning heeft verleend voor het plaatsen van een vergelijkbare afvoer op het perceel Pauwmolen 67 te Delfgauw. Weliswaar is die vergunning na het besluit van 22 februari 2011 verleend, ten tijde van de zitting bij de rechtbank was de daaraan ten grondslag liggende aanvraag reeds ingediend en door het college in behandeling genomen, zodat dit gelijke geval bij de beoordeling van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel dient te worden betrokken, aldus [appellant].

2.4.1. Het college heeft erkend dat in het geval van Pauwmolen 67 ten onrechte omgevingsvergunning is verleend. Desgevraagd heeft het college aangegeven maatregelen te hebben getroffen om een ongelijke behandeling van bouwaanvragen te voorkomen door deze voortaan gecoördineerd te behandelen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100222/1/H1), strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het college een gemaakte fout moet herhalen. Reeds daarom kan het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

414-713.