Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201112870/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft het college aan [verzoeker] een gedoogplicht opgelegd in verband met werkzaamheden ter verbreding van de Derde en Vierde Tocht in de Zuidplaspolder.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Waterwet 5.24
Onteigeningswet
Onteigeningswet 72a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112870/2/A4.

Datum uitspraak: 26 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], alsmede haar firmanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), gevestigd te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2011 in de zaken nrs. 11/3911 en 11/3912 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft het college aan [verzoeker] een gedoogplicht opgelegd in verband met werkzaamheden ter verbreding van de Derde en Vierde Tocht in de Zuidplaspolder.

Bij uitspraak van 2 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2012.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2012, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2012, waar [verzoeker], in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J. Turenhout, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en door A. Mosterd en A. Leenders, beiden werkzaam bij het hoogheemraadschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 5.24, eerste lid, van de Waterwet kan de beheerder, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken de verplichting opleggen om de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en daarmee verband houdende werkzaamheden te gedogen, wanneer naar zijn oordeel de belangen van die rechthebbenden onteigening niet vorderen.

2.3. Het besluit van 2 augustus 2011 houdt in dat [verzoeker] dient te gedogen dat een gedeelte van haar perceel wordt gebruikt ter verbreding van de Derde en Vierde Tocht in de Zuidplaspolder en dat op een gedeelte van haar perceel werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van voornoemde verbreding.

2.4. [verzoeker] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de onteigeningsprocedure op grond van de Onteigeningswet had moeten toepassen. Daartoe voert zij aan dat de onteigeningsprocedure meer waarborgen biedt dan artikel 5.24 van de Waterwet. In dat verband wijst zij er op dat de onteigeningsprocedure een volledige schadeloosstelling kent die ook vooraf is verzekerd.

2.4.1. Voor zover [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat toepassing van de onteigeningsprocedure ertoe zou kunnen leiden dat van onteigening wordt afgezien, omdat geoordeeld wordt dat de noodzaak daartoe geheel ontbreekt, acht de voorzitter dit, mede gelet op hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 26 augustus 2009 in zaak nr. 200809239/1/H2 heeft overwogen, niet aannemelijk.

Het belang van [verzoeker] in deze procedure is vooral een financieel belang gelegen in de wens om volledig schadeloos te worden gesteld. Dit belang noopt niet tot de verzochte schorsing, omdat dit belang bij de behandeling van het geding in de bodemprocedure volledig aan de orde kan komen. Hiertegenover staat het belang van het college om de voor de verbreding vereiste werkzaamheden te kunnen uitvoeren en gevrijwaard te blijven van vertragingsschade. Na afweging van deze belangen ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2012

462-720.