Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201112990/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Boveneind ZZ 61 te Benschop" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112990/1/R3.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Benschop, gemeente Lopik,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lopik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Boveneind ZZ 61 te Benschop" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2012, waar [appellant], van wie [appellante B] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.M.E. Broeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het plan is het bouwvlak van het perceel Boveneind ZZ 61 te Benschop zowel in zijdelingse als in achterwaartse richting vergroot. Het plan is vastgesteld met het oog op de uitbreiding van het agrarische bedrijf met een ligboxenstal en nieuwe sleufsilo's.

2.2. [appellant] betoogt dat het bouwvlak ten onrechte in zijdelingse richting wordt vergroot, nu het ook mogelijk is een nieuwe stal te plaatsen achter de bestaande schuur.

2.2.1. In het bestemmingsplan "Landelijk gebied" is aan het perceel Boveneind ZZ 61 de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend met de aanduiding "grondgebonden veehouderij". In het bestemmingsplan is aan een deel van het perceel tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Het perceel is gelegen in het gebied dat op kaartblad 11 van de plankaart is aangewezen als "Primair agrarisch gebied, grootschalig (zone 2)".

Ingevolge artikel 24 van de planvoorschriften (doeleindenomschrijving), voor zover hier van belang, is dit gebied bestemd voor de doeleinden en bouwmogelijkheden, zoals in de tabel bij dit voorschrift aangegeven, hetzij rechtstreeks (medebestemming), hetzij na vrijstelling of planwijziging.

In de tabel bij artikel 24 van de planvoorschriften is vermeld, voor zover hier van belang, dat het vergroten van agrarische bouwvlakken mogelijk is na planwijziging en dat hierop voorschrift 6 bij de tabel van toepassing is.

Ingevolge voorschrift 6 bij de tabel, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van de in de doeleindenomschrijving bedoelde gronden te wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak met de bestemming "Agrarische doeleinden", met dien verstande dat:

a. van de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend gebruik mag worden gemaakt, indien de vergroting van het bouwvlak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of ontwikkeling noodzakelijk is;

b. een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan de agrarische deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder a van dit voorschrift wordt voldaan;

(…)

d. de vergroting van bouwvlakken dient in beginsel plaats te vinden aan de achterzijde van het bestaande bouwvlak. Indien dit niet mogelijk is, wordt het verzoek ter toetsing voorgelegd aan de agrarisch deskundige, omtrent de vraag of een andere uitbreidingsrichting vanuit bedrijfsmatige, milieu- of dierenwelzijnoverwegingen noodzakelijk is.

2.2.2. Het college stelt dat het plan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden in voorschrift 6 bij de tabel van artikel 24 van de planvoorschriften en wijst daarbij op het advies van de Agrarische beoordelingscommissie van 7 april 2011.

2.2.3. Met het oog op een optimaal dierenwelzijn wordt een type ligboxenstal van een zodanige omvang en vorm voorgestaan, dat deze niet met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in voorschrift 6 bij de tabel van artikel 24 van de planvoorschriften aan de achterzijde van het bestaande bouwvlak kan worden gerealiseerd. Uit het advies van de Agrarische beoordelingscommissie volgt voorts dat de zijdelingse verbreding van het bouwvlak nodig is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit advies zodanige gebreken vertoont, dat het college zich niet op de conclusie van dit advies heeft mogen baseren. Gelet op het voorgaande voldoet het plan aan de hiervoor genoemde wijzigingsvoorwaarden in voorschrift 6 bij de tabel van artikel 24 van de planvoorschriften. Het betoog faalt.

2.3. [appellant] richt zich voorts tegen de in het plan toegestane maximale bouwhoogte. Hiertoe voert hij aan dat de stal met de gewenste bouwhoogte van ongeveer 11 m niet in een landelijk gebied past.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak is gelegen in een gebied waarin het gemeentelijk beleid niet primair is gericht op landschappelijke openheid, maar op de ontwikkeling van agrarische activiteiten en nevenfuncties bij agrarische bedrijven. Een ligboxenstal met een door de initiatiefnemer gewenste bouwhoogte van ongeveer 11 m draagt volgens het college voorts bij aan een doelmatige bedrijfsvoering en past binnen de ruimtelijke karakteristiek.

2.3.2. Ingevolge artikel 2 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voorschriften behorende bij het geldende bestemmingsplan onverminderd van toepassing op het voorliggende wijzigingsplan.

Ingevolge artikel 3, voor zover hier van belang, geldt voor de gebieden die als "Agrarisch" zijn bestemd na gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in voorschrift 6 bij de tabel van artikel 24 van de planvoorschriften, dat de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" van overeenkomstige toepassing zijn.

Ingevolge artikel 2, lid 4, aanhef en onder h, van de planvoorschriften, geldt voor overige gebouwen een maximale goot- en bouwhoogte van 4,5 m onderscheidenlijk 10 m.

Ingevolge lid 6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een vrijstelling (thans: omgevingsvergunning) te verlenen van het bepaalde in lid 4, onder h, teneinde de maximale goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en overige gebouwen te verhogen. De afwijkingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien de verhoging:

a. noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering of zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

b. past in de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving.

2.3.3. Het perceel waarvan het bouwvlak bij het plan is vergroot, is gelegen in het gebied dat op kaartblad 11 van de plankaart bij het bestemmingsplan "Landelijk gebied" is aangewezen als "Primair agrarisch gebied, grootschalig (zone 2)". Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan "Landelijk gebied" is het gemeentelijk beleid voor percelen die in deze zone zijn gelegen, anders dan voor percelen die in "Primair agrarisch gebied, grootschalig (zone 1)" zijn gelegen, in het bijzonder gericht op de ontwikkeling van agrarische activiteiten en nevenfuncties bij agrarische bedrijven en niet op de landschappelijke openheid. Gelet op deze gebiedstypering van de zone waar het plangebied deel van uitmaakt en de toegestane maximale bouwhoogte van de omliggende agrarische bebouwingsmogelijkheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een maximale bouwhoogte van 10 m bij recht niet in redelijkheid passend heeft kunnen achten. Voor zover het beroep is gericht tegen de door de initiatiefnemer gewenste bouwhoogte van ongeveer 11 m, wordt overwogen dat bezwaren tegen een verhoging van de bij recht toegestane maximale bouwhoogte van 10 m in een procedure tegen een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 6, van de planvoorschriften aan de orde kunnen komen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] stelt dat door de vergroting van het bouwvlak in zijdelingse richting hem het vrije uitzicht vanuit zijn woning op de polder volledig wordt ontnomen.

2.4.1. Het college stelt dat de vergroting van het bouwvlak in zijdelingse richting beperkt is.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat in zijn algemeenheid geen aanspraak op blijvend vrij uitzicht kan worden gemaakt. Bezien dient te worden of de beperking van het vrije uitzicht zodanig is dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het wijzigingsplan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het bouwvlak dat bij het bestemmingsplan aan het perceel is toegekend maakt ook in zijdelingse richting de realisering van bedrijfsbebouwing mogelijk. Van deze mogelijkheid is evenwel geen gebruik gemaakt. Ter plaatse zijn uitsluitend sleufsilo's aanwezig, waarop [appellant] ook zicht heeft. De verbreding van het bouwvlak in zijdelingse richting zoals in het wijzigingsplan is opgenomen, bedraagt ter plaatse ongeveer 5 m. Mede gezien hetgeen de Afdeling heeft overwogen onder 2.3.3, de beperkte verbreding van het bouwvlak in zijdelingse richting en de afstand van ongeveer 80 m tussen de woning van [appellant] en deze zijdelingse verbreding van het bouwvlak, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het belang van [appellant] bij het handhaven van zijn huidige uitzicht geen doorslaggevende betekenis behoefde te worden toegekend. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] heeft gesteld dat als gevolg van het plan de waardevermindering van zijn woning aanzienlijk zal zijn.

2.5.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

Het lid van de enkelvoudige kamer w.g. Lap

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

288-709.