Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201111549/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111549/1/A3.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2011 in zaak nr. 11/3613 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 16 september 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 26 september 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 november 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.C. van der Linden, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP & IVB 2010 (Stcrt. 2010, nr. 14312; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.1.1 wordt ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn, ten opzichte van de bewaartermijn van het betreffende justitiële gegeven, niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.

In de gevallen waarbij de terugkijktermijn in duur wordt beperkt vindt de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaats aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken, voor zover thans van belang, indien de aanvraag voor een VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. In dat geval wordt aangesloten bij de in de desbetreffende wet- of regelgeving opgenomen termijn. Volgens het specifieke screeningsprofiel geldend voor een taxichauffeur bedraagt de terugkijktermijn bij dit beroep vijf jaren.

Volgens paragraaf 3.1.2 geldt, om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt, als hoofdregel dat als uitgangspunt wordt genomen:

a. de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg, of bij gebreke daarvan

b. de datum dat door het Openbaar Ministerie een strafbeschikking is genomen, of bij gebreke daarvan

c. de datum van de transactie, of bij gebreke daarvan

d. de datum dat door het Openbaar Ministerie de beslissing is genomen de zaak te seponeren, of bij gebreke daarvan

e. de pleegdatum.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de staatssecretaris bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen (zoals destijds gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl/vog).

In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; taxichauffeur' staat onder meer vermeld dat de taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Chauffeurs in (straat)taxivervoer gaan daarnaast met contante en girale waarden om. Een van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen, bijvoorbeeld door dronken achter het stuur te zitten en agressief rijgedrag. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen, zo blijkt uit het specifieke screeningsprofiel.

2.2. Aan het besluit op bezwaar heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat in het JDS op naam van [appellant] een aantal strafbare feiten is geregistreerd. Het betreft een veroordeling in eerste aanleg op 22 oktober 2009 wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op 17 januari 2008, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht tot een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. [appellant] is voor dat feit op 26 augustus 2010 in hoger beroep veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. Daarnaast heeft [appellant] op 11 november 2008 een transactie van € 210,00 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid en op 14 maart 2007 een transactie van € 85,00 wegens het niet duidelijk leesbaar tonen van tarieven in of op de taxi geaccepteerd.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten aanzien van [appellant] geregistreerde feiten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg staan, zodat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

De staatssecretaris heeft zich ten aanzien van het subjectieve criterium op het standpunt gesteld dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellant] bij de afgifte van de VOG.

2.3. [appellant] betoogt ten aanzien van het objectieve criterium dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de feiten waarvoor [appellant] op 14 maart 2007 en 11 november 2008 transacties heeft geaccepteerd ten onrechte heeft betrokken in het oordeel of aan dat criterium is voldaan. Het plegen van die feiten brengt volgens [appellant] geen risico voor de samenleving teweeg.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de op naam van [appellant] geregistreerde strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur zouden verhinderen.

Niet in geschil is dat de veroordeling van [appellant] voor het veroorzaken van een verkeersongeval, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur zou verhinderen.

De staatssecretaris heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat met het overschrijden door [appellant] van de maximumsnelheid, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, een risico bestaat voor het welzijn en de veiligheid van personen. Dit risico bestaat uit het in gevaar brengen van passagiers en andere weggebruikers. Zoals blijkt uit het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' is de taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen en geldt het in gevaar brengen van de veiligheid van personen als een van de risico's in de taxibranche. Dat in de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2009 (zaak nr. 200805164/1), waarnaar de staatssecretaris in het bij de rechtbank bestreden besluit heeft verwezen, aan de weigering van de VOG een herhaalde overschrijding van de maximumsnelheid ten grondslag was gelegd, terwijl het in dit geval om een eenmalige overschrijding gaat, leidt niet tot een ander oordeel. Dat een strafbaar feit eenmaal dan wel meermalen is gepleegd is voor de beoordeling of aan het objectieve criterium is voldaan niet van belang.

De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat het niet duidelijk leesbaar tonen van tarieven in of op de taxi, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. De staatssecretaris heeft hierbij acht mogen slaan op de mogelijkheid dat [appellant] taxivervoer zal verrichten zonder te voldoen aan de daarvoor gestelde (kwaliteits)eisen, dat overtredingen van de relevante regelgeving nadelige gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van passagiers en/of voor controlerende instanties en dat daarbij het risico voor concurrentievervalsing in de taxibranche bestaat.

Gelet op bovenstaande drie feiten heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan het objectieve criterium is voldaan, zodat de afgifte van de VOG in beginsel moet worden geweigerd. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt ten aanzien van het subjectieve criterium dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan de door hem aangevoerde omstandigheden.

[appellant] voert daartoe aan dat hij na het verkeersongeval in januari 2008 als taxichauffeur is blijven werken en dat sindsdien geen incidenten meer hebben plaatsgevonden. Niet valt volgens [appellant] in te zien waarom het tijdsverloop sinds dat verkeersongeval niet in zijn voordeel zou moeten uitvallen.

Daarnaast acht [appellant] het onbegrijpelijk dat hem een VOG ten behoeve van een chauffeurspas wordt onthouden, terwijl hem wel een VOG voor de functie van taxiondernemer is verleend.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de gevraagde VOG, gelet op het risico voor de samenleving, diende te worden geweigerd.

De staatssecretaris heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat [appellant] bij het arrest van 26 augustus 2010, gelet op de daarbij opgelegde straffen, is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit en dat de periode sinds dit laatste justitiële gegeven, bezien in het licht van de terugkijktermijn van vijf jaar, ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit te kort was, om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate was afgenomen om de afgifte van de VOG te rechtvaardigen.

Dat het arrest van 26 augustus 2010 op 3 juli 2012 door de Hoge Raad is vernietigd en de zaak is teruggewezen naar het gerechtshof te Amsterdam kan niet in de beoordeling worden betrokken. De bestuursrechter dient de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar te beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. Nu dat arrest ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar nog van kracht was, heeft de staatssecretaris dit feit in de afweging in het kader van het subjectieve criterium mogen betrekken.

Daarnaast heeft de staatssecretaris in de afweging mogen betrekken dat [appellant] binnen de terugkijktermijn meermalen met justitie in aanraking is gekomen. De staatssecretaris heeft daarom de kans aanwezig mogen achten dat [appellant] opnieuw met justitie in aanraking zal komen. Dat [appellant], zoals hij stelt, het verkeersongeval van januari 2008 heeft veroorzaakt op een trambaan, terwijl hij destijds niet over een ontheffing beschikte om daarop te rijden en hij thans wel over een dergelijke ontheffing beschikt, maakt niet dat de staatssecretaris de kans dat [appellant] opnieuw met justitie in aanraking komt bij de belangenafweging in zijn voordeel had moeten meewegen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor de beoordeling van een VOG ten behoeve van een taxiondernemer een ander beoordelingskader geldt dan dat voor de beoordeling van een VOG ten behoeve van een chauffeurspas. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201109315/1/A3, verschilt het screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' wezenlijk van het screeningsprofiel 'taxibranche; taxiondernemer'. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een taxichauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van (minderjarige) personen, terwijl een taxiondernemer een onderneming bestuurt, mensen aanstuurt, beslist over offertes en onderhandelingen voert.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

97-748.