Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201110899/1/A1, 201111638/1/A1 en 201111999/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2011, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college aan de stichting Stichting Arcus College (hierna: de stichting) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van twee vestigingen van een onderwijsinstelling op de percelen Nieuw Eyckholt 302 en Valkenburgerweg 148 te Heerlen (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3958

Uitspraak

201110899/1/A1, 201111638/1/A1 en 201111999/1/A1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te Heerlen,

2. [appellante sub 2], wonend te Heerlen,

3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Heerlen,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 2 september 2011, 23 september 2011 en 5 oktober 2011 in onderscheidenlijk zaken nrs. 11/640, 11/383 en 11/385 in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1]

2. [appellante sub 2]

3. [appellant sub 3] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college aan de stichting Stichting Arcus College (hierna: de stichting) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van twee vestigingen van een onderwijsinstelling op de percelen Nieuw Eyckholt 302 en Valkenburgerweg 148 te Heerlen (hierna: de percelen).

Bij uitspraak van 2 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] bij fax, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij uitspraak van 23 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep ten aanzien van het bouwplan Nieuw Eyckholt niet-ontvankelijk verklaard en ten aanzien van het bouwplan Valkenburgerweg ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 5 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 3] en anderen daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 21 mei 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M. van Hoorne, [appellant sub 3] en anderen, bijgestaan door mr. W. Mesters, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.L Devoi, mr. M.C.T. Linders en K.J.J. Koenen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, [belanghebbenden], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op het realiseren van twee vestigingen van een onderwijsinstelling op de percelen. Het bouwplan voor het perceel Nieuw Eyckholt bestaat uit een enkelvoudig gebouw van vier lagen, inclusief de begane grond. Het bouwplan voor het perceel Valkenburgerweg bestaat uit zes gebouwdelen van twee verdiepingen boven een gemeenschappelijke bouwlaag.

2.2. De bouwplannen zijn in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Om de bouwplannen niettemin te kunnen realiseren heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van de bestemmingsplannen verleend.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor de bouwplannen. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat de afstand van zijn woning tot aan de bouwplannen Nieuw Eyckholt en Valkenburgerweg ongeveer 230 m onderscheidenlijk ongeveer 300 m bedraagt. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij vanwege de aanzienlijke ruimtelijke uitstraling van de bouwplannen dienen te worden aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit. [appellant sub 1] betoogt in dit verband dat aan het Arcus College voor het schooljaar 2010-2011 ongeveer 10.000 leerlingen ingeschreven staan, van wie een groot deel onderwijs zal gaan volgen aan de locaties Nieuw Eyckholt en Valkenburgerweg. Volgens hem zullen dagelijks 2.500 leerlingen de hoofdvestiging aan de Valkenburgerweg bezoeken en zullen die leerlingen veelal gebruik maken van scooters, brommers of auto's. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen vrezen voor een toename van de geluidbelasting ter plaatse van hun woningen, doordat het aantal verkeersbewegingen over de weg Nieuw Eyckholt, die in de directe nabijheid van hun woningen is gelegen, zal toenemen. In dit verband betoogt [appellant sub 1] dat de weg Nieuw Eyckholt een belangrijke ontsluitingsweg is voor de bouwplannen. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen dat de bouwplannen een toename van de reeds bestaande parkeeroverlast in de nabije omgeving van hun woningen tot gevolg hebben.

2.3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.2. [appellant sub 1] is woonachtig op een afstand van ongeveer 230 m tot het bouwplan Nieuw Eyckholt en ongeveer 300 m tot het bouwplan Valkenburgerweg. De woningen van [appellant sub 3] en anderen zijn in elkaars nabijheid gelegen, op een afstand van eveneens ongeveer 230 m tot het bouwplan Nieuw Eyckholt en ongeveer 300 m tot het bouwplan Valkenburgerweg. De rechtbank heeft terecht overwogen dat vanuit de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen het zicht op de bouwplannen ontbreekt, dan wel in hoge mate is beperkt, door tussenliggende stedelijke bebouwing en groenvoorzieningen aan weerszijden van de weg Nieuw Eyckholt. Voorts is niet gebleken dat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen, ondanks de afstand van hun woningen tot de bouwplannen, door het besluit toch rechtstreeks in hun belangen worden geraakt vanwege de ruimtelijke uitstraling van de bouwplannen. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de toename van de verkeersintensiteit op de weg Nieuw Eyckholt als gevolg van de bouwplannen niet gering is ten opzichte van de bestaande verkeersintensiteit op deze weg. In dit verband heeft het college ter zitting toegelicht dat het merendeel van de studenten en docenten geen gebruik zullen maken van de weg Nieuw Eyckholt om de locaties waar de bouwplannen zijn voorzien te bereiken. Voorts is met hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd niet aannemelijk geworden dat de bouwplannen tot gevolg hebben dat de parkeerdruk in de omgeving van hun woningen zal toenemen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voorzien de bouwplannen in voldoende parkeergelegenheid. In dat verband is komen vast te staan dat het bouwplan Valkenburgerweg beschikt over een parkeergarage, dat in de nabijheid van het bouwplan Nieuw Eyckholt parkeerplaatsen zijn voorzien en dat tevens op het terrein van de Open Universiteit parkeerplaatsen beschikbaar zullen worden gesteld. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende de afstand en de ligging van de woningen ten opzichte van het plangebied, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het aantal vervoersbewegingen en de parkeerdruk nabij de woningen zullen toenemen.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen terecht niet aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor de bouwplannen.

De betogen falen.

2.4. [appellante sub 2] is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat haar beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen het bouwplan Nieuw Eyckholt. Aldus heeft haar hoger beroep uitsluitend betrekking op het besluit van 18 januari 2011, voor zover daarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het realiseren van het bouwplan Valkenburgerweg.

2.5. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ruimtelijke onderbouwing die aan het besluit ten grondslag ligt ontoereikend is. Daartoe voert zij aan dat het uitgevoerde verkeersonderzoek ondeugdelijk is. Volgens [appellante sub 2] is de bestaande verkeersconcentratie in het gebied hoog en is het vervoersplan onvoldoende om de verkeer- en parkeerdruk te verminderen. [appellante sub 2] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aan het besluit ten grondslag liggende onderzoeken naar geluid en luchtkwaliteit ondeugdelijk zijn. Volgens [appellante sub 2] worden de negatieve gevolgen van het bouwplan Valkenburgerweg voor het geluidniveau en de luchtvervuiling ter plaatse van haar woning onderschat. In dit verband voert zij aan dat de gehanteerde verkeersintensiteiten te laag zijn, nu geen rekening is gehouden met brommers en scooters, terwijl een groot gedeelte van de leerlingenpopulatie daarvan gebruik maakt.

2.5.1. Het college heeft de "Ruimtelijke onderbouwing Arcus College vestiging Valkenburgerweg Heerlen" van 1 juni 2008 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) aan het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het onderzoek van Mobycon uit 2007 de verkeers- en parkeerdruk in het gebied zijn geïnventariseerd naar de situatie ten tijde van de aanvraag en de toekomstige situatie na realisatie van de onderwijsinstelling. Uit dit onderzoek blijkt dat de vestiging van het Arcus College met het toen voorgenomen aantal parkeerplaatsen op de locatie Valkenburgerweg zonder vervoersmanagement parkeerproblemen oplevert. De rechtbank overweegt terecht dat naar aanleiding hiervan door OC Mobility Coaching een onderzoek is uitgevoerd naar de mogelijkheden om het verkeer van en naar de onderwijsinstelling en het parkeren in goede banen te leiden, hetgeen heeft geresulteerd in het "Vervoersplan Arcus Campus Heerlen" (hierna: het vervoersplan). Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voorziet het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid, nu er behalve de circa 325 parkeerplaatsen op de locaties van de bouwplannen tevens bij een andere vestiging van het Arcus College aan de Diepenbrockstraat en in de toekomst op het terrein van de Open Universiteit parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Daarnaast zijn in het vervoersplan maatregelen opgenomen om de automobiliteit te beheersen en het gebruik van openbaar vervoer te stimuleren.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd heeft de rechtbank gelet op het vorenstaande terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat voornoemde onderzoeken en het daaruit voortvloeiende vervoersplan zodanige gebreken of leemten vertonen dat het college deze niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen.

2.5.2. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat in hoofdstuk 4.2 van de ruimtelijke onderbouwing is weergegeven dat drie geluidonderzoeken zijn uitgevoerd door bureau Peutz. Daarbij is de geluidbelasting vanwege omringende wegen op het Arcus College onderzocht, het geluid vanwege het Arcus College naar de omgeving en het geluid vanwege omliggende onderwijsinstellingen op het Arcus College. Uit deze onderzoeken blijkt dat het gehanteerde verkeersmodel van de te verwachten verkeersintensiteiten is aangevuld met gegevens over brommers en scooters, omdat een deel van de studenten en het personeel met brommers dan wel scooters naar het Arcus College zal komen. Het betoog van [appellante sub 2] dat de verkeersintensiteit te laag is ingeschat, omdat met brommers en scooters geen rekening is gehouden, mist in zoverre feitelijke grondslag. Voorts is door bureau Peutz een onderzoek verricht naar de mate waarin het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen door geluid van het verkeer van en naar het Arcus College zal worden beïnvloed, neergelegd in een notitie van 13 oktober 2010. In deze notitie wordt geconcludeerd dat voor de Valkenburgerweg, waaraan de woning van [appellante sub 2] is gelegen, geen sprake is van een toename van de geluidbelasting van 2 dB of meer, zodat ter plaatse van de woning wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde die op grond van de Wet geluidhinder geldt.

In hoofdstuk 4.4 van de ruimtelijke onderbouwing is verwezen naar een door bureau Peutz uitgevoerd luchtkwaliteitsonderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek naar de luchtkwaliteit ten behoeve van de geprojecteerde realisatie van het Arcus College locaties Coriopolis en Valkenburgerweg te Heerlen" van 13 oktober 2010. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit onderzoek de naar verwachting optredende immissieconcentraties stikstofdioxide, fijn stof en benzeen berekend zijn ten gevolge van het verkeer op de nabijgelegen rijkswegen A76 en A79 en de lokale wegen, inclusief het verkeer van en naar het Arcus College en de parkeergarage van de locatie Valkenburgerweg. In het rapport wordt geconcludeerd dat voor geen van de luchtverontreinigende componenten de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer worden overschreden.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidbelasting en de luchtkwaliteit ter plaatse van de woning van [appellante sub 2] zodanig zullen zijn dat daardoor ter plaatse van haar woning een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat en dat het college om die reden geen vrijstelling mocht verlenen.

2.5.3. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing die aan het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning ten grondslag ligt toereikend is.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar alternatieve locaties voor het bouwplan. In dit verband betoogt zij dat de locatie in het centrum op en nabij het station geschikter is. Verder betoogt zij dat het college ten onrechte stelt dat er synergie bestaat tussen het bouwplan en de reeds aanwezige onderwijsinstellingen in het gebied en dat het college hiernaar ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan.

2.6.1. Het college van burgemeester en wethouders dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

2.6.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college aan de locatiekeuze ten grondslag mocht leggen dat de situering van het Arcus College op de onderhavige locatie de clustering van onderwijs versterkt, waardoor zowel deelnemers als personeel eenvoudig gebruik kunnen maken van kennis- en onderwijsaanbod en faciliteiten van onderwijsinstellingen in de nabijheid van het projectgebied en omgekeerd. Voorts overweegt de rechtbank terecht dat de mogelijkheid tot synergie volgens het college wordt versterkt, omdat door de vestiging van het Arcus College op de onderhavige locatie een onderwijsboulevard met een complete onderwijskolom wordt gerealiseerd. Verder heeft het college aangegeven dat de onderhavige locatie een gewenste combinatie is van een centrale ligging binnen de stedelijke dynamiek en de afstand tot stedelijke 'verleidingen' en is de sociale veiligheid hoger ten opzichte van locaties in de binnenstad. Voorts overweegt de rechtbank met juistheid dat het college bij de locatiekeuze rekening heeft gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de hiervoor genoemde wensen en vereisten ten grondslag heeft gelegd en mocht leggen aan de uiteindelijke keuze voor de onderhavige locatie.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante sub 2] er niet in is geslaagd aan te tonen dat met de door haar aangedragen alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De enkele stelling dat er geen synergie zal plaatsvinden tussen de aanwezige onderwijsinstellingen is daarvoor onvoldoende.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er sprake is van een belangenverstrengeling en dat de voormalig bestuursvoorzitter van het Arcus College de besluitvorming heeft beïnvloed.

2.7.1. Het verlenen van vrijstelling is een bevoegdheid van het college. Dat de voormalige bestuursvoorzitter van het Arcus College gesprekken heeft gevoerd met een toenmalige wethouder van de gemeente en met een fractievoorzitter van het Heerlense CDA biedt geen grond voor het oordeel dat het college met het verlenen van vrijstelling de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt.

Het betoog faalt.

2.8. [appellante sub 2] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de bufferzone tussen haar woning en het bouwplan Valkenburgerweg niet in acht neemt, nu in deze bufferzone de inrit van de parkeergarage is aangelegd.

Niet is gebleken dat tussen de woning van [appellante sub 2] en het bouwplan een dergelijke bufferzone aanwezig is en dat die, zoals [appellante sub 2] betoogt, onbebouwd moet blijven.

2.9. [appellante sub 2] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat er geen deugdelijk bodemonderzoek aan het besluit ten grondslag ligt. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Van Dorst

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

357-651.