Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201110882/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om het pand aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het pand) om te zetten in zes onzelfstandige woonruimten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110882/1/A3.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 augustus 2011 in zaak nr. 11/68 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om het pand aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het pand) om te zetten in zes onzelfstandige woonruimten.

Bij besluit van 23 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2011, verzonden op 24 augustus 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang , het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2012, waar [appellant], bijgestaan door J. Bijveld, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J.A. Peels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeesters en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 31 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge artikel 32 bepaalt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening ten minste de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de vergunning, bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen verbinden.

Ingevolge artikel 5.1 van de Regionale Nood-Huisvestingsverordening 2008 (hierna: de verordening) is het in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet vervatte verbod van toepassing op alle woonruimten, waarin onzelfstandige woonruimte wordt verleend aan:

1. drie of meer personen, indien de eigenaar niet tevens woonachtig is in de betreffende woning;

of

2. twee of meer personen, indien de eigenaar tevens woonachtig is in de betreffende woning.

Ingevolge artikel 5.2 is het verboden een woonruimte, aangewezen in artikel 5.1 met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, wordt de aanvraag voor een omzettingsvergunning in drievoud ingediend bij burgemeester en wethouders op een door hen voorgeschreven formulier dat op verzoek van de aanvrager ter beschikking wordt gesteld en gaat deze vergezeld van de volgende informatie en bescheiden in drievoud:

a. naam en adres van de eigenaar of diens gemachtigde;

b. gegevens over de huidige situatie: aantal kamers; woonoppervlak; woonlaag; een door een deskundige opgemaakt bouwtechnisch rapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw. Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw;

c. gegevens van de beoogde situatie: bestemming; bouwtekening met vermelding van functie/bouwvergunning; tekening met gevelaanzichten; kadastrale kaart; aantal onzelfstandige woonruimten, kamers.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen burgemeester en wethouders een vergunning weigeren indien het belang dat de aanvrager bij de omzetting heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Bij de beoordeling van het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad worden mede betrokken de ligging en de te verwachten vraag naar het type woonruimte waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, weigeren burgemeester en wethouders een vergunning indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de omzettingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 juni 2010 heeft het college het standpunt ingenomen dat het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet opweegt tegen het belang van [vergunninghouder] bij omzetting van het pand. De betreffende buurt is volgens het college in de buurtthermometer niet aangewezen als een gebied dat laag scoort op de sociaal economische status en beleidssignalering. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vaststaat dan wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de omzettingsvergunning zal leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 december 2010 in stand heeft gelaten. Door het aantal geconstateerde gebreken in de besluitvorming had de rechtbank daartoe volgens hem niet mogen overgaan en het college op moeten dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.4. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, indien het bestuursorgaan vasthoudt aan het besluit voor zover het die rechtsgevolgen betreft, het besluit in zoverre de rechterlijke toets doorstaat en de rechtbank van oordeel is dat de gebreken die aan het besluit kleven, hersteld kunnen worden. Het college heeft ter zitting bij de rechtbank de motivering van het bestreden besluit aangevuld en daarmee te kennen gegeven vast te houden aan dit besluit voor zover het de rechtsgevolgen betreft. Gelet op deze aanvulling heeft de rechtbank terecht beoordeeld of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte het door [vergunninghouder] gedane verzoek heeft aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Volgens hem volgt uit de verordening dat slechts de eigenaar van het pand een aanvraag tot omzetting kan indienen. [vergunninghouder] is geen eigenaar. Voorts ontbeert het gedane verzoek afdoende gegevens om een beslissing te kunnen nemen, aldus [appellant].

2.5.1. Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, stelt artikel 5.3 van de verordening slechts als voorwaarde dat bij de aanvraag de naam en het adres van de eigenaar of diens gemachtigde dienen te worden vermeld. In de verordening is niet bepaald dat een aanvraag enkel door de eigenaar kan worden ingediend. Omdat [vergunninghouder] een koopcontract onder ontbindende voorwaarden heeft getekend, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij ten tijde van de aanvraag als belanghebbende kon worden aangemerkt. Het college heeft het verzoek van [vergunninghouder] derhalve terecht aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat het door [vergunninghouder] gedane verzoek geen afdoende gegevens bevat om een beslissing te kunnen nemen. Bij het volledig ingevulde aanvraagformulier zijn plattegronden en een bouwtechnisch rapport gevoegd. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat het de kadastrale gegevens eenvoudig kan achterhalen, zodat geen reden bestaat om aanvullende informatie te eisen. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat afdoende informatie is verstrekt bij de aanvraag.

2.6. Voorts betoogt [appellant] dat de overweging van de rechtbank dat het college uitgebreid heeft gemotiveerd dat er geen ontoelaatbare inbreuk is op het woon- en leefmilieu, volstrekt onbegrijpelijk is. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte overwogen dat de wijkcoördinator een positief advies heeft uitgebracht. Verder is volgens hem het advies van de wijkcoördinator onzorgvuldig tot stand gekomen, waardoor het niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Een geconcretiseerde toets aan de buurtthermometer en een rapportage in de vorm van een leefbaarheidsmatrix ontbreken, aldus [appellant]. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst [appellant] naar een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 april 2012 in zaak nr. 11/4101.

2.6.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat niet vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de verlening van de omzettingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur voor het pand een ontoelaatbare inbreuk oplevert op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van dat pand. De Afdeling stelt vast dat het college bij de beoordeling van een aanvraag gebruik maakt van een tweetal meetinstrumenten, te weten de zogenaamde buurtthermometer en de leefbaarheidsmatrix, terwijl het tevens het advies van de wijkcoördinator inwint. Het college heeft er in dit kader onder meer op gewezen dat de buurtthermometer en de leefbaarheidsmatrix positief zijn, hetgeen uitwijst dat zich geen ontoelaatbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu voordoet. De score van de wijk 't Hool in de buurtthermometer is nader geconcretiseerd in het rapport 'Eindhovense Buurtthermometer 2008'. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college er verder op gewezen dat de buurtthermometer met betrekking tot deze wijk ook in het rapport 'Eindhovense Buurtthermometer 2010' geen score laat zien op grond waarvan vaststaat dan wel in redelijkheid moet worden aangenomen dat verlening van een omzettingsvergunning zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu. Verder heeft het college in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift uiteengezet dat voor de vaststelling van de leefbaarheidsmatrix de situatie ter plaatse eenmaal op de dag en eenmaal 's avonds wordt opgenomen door stadstoezichthouders. In dit geval is vastgesteld dat slechts is gebleken van een hoge parkeerdruk, hetgeen niet heeft geleid tot een negatieve leefbaarheidsmatrix. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college nader toegelicht dat een toename van de parkeerdruk wel een rol speelt bij de verlening van de omzettingsvergunning, maar dat een verhoging van deze druk op zichzelf geen weigeringsgrond is. De parkeerdruk is slechts een van de onderdelen die een rol speelt bij de vaststelling van de leefbaarheidsmatrix. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rapportage van de stadstoezichthouders niet als leefbaarheidsmatrix kan worden geduid.

Voorts heeft het college gewezen op een neutraal advies van de wijkcoördinator van 1 juni 2010. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat dit advies neutraal is. Reeds omdat het advies niet negatief is kan deze omstandigheid, in het licht van de positief scorende buurtthermometer en de leefbaarheidsmatrix, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De stelling van [appellant] dat het advies van de wijkcoördinator onzorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor het niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd, is niet nader gemotiveerd en kan reeds hierom niet tot het beoogde doel leiden.

Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen ontoelaatbare inbreuk is op het woon- en leefmilieu.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat niet is gebleken van kamernood in Eindhoven. De enkele stelling van het college dat Eindhoven een studentenstad is, waardoor een grote behoefte aan kamerverhuur bestaat, is volgens hem onvoldoende.

2.7.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij het afwegen van de bij de vergunningverlening betrokken belangen een ruime mate van beoordelingsvrijheid heeft. Weliswaar heeft [appellant] een factsheet kamernoodinventarisatie 2011 van de Landelijke Studenten Vakbond overgelegd, waarin staat vermeld dat er geen kwantitatief kamertekort is in Eindhoven tot 2015, maar niet duidelijk is waarop deze gegevens zijn gebaseerd. Verder staat in deze factsheet vermeld dat wel een kwalitatief tekort aan kamers bestaat. Hoewel gesplitste verhuur van het pand het leefklimaat in de buurt waarin [appellant] woont, kan beïnvloeden, is het derhalve redelijk te noemen dat het college rekening houdt met het feit dat ook studenten woonruimte nodig hebben. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet opweegt tegen de behoefte aan kamerverhuur in Eindhoven.

2.8. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn betoog dat het college vooringenomen is. Daartoe voert hij aan dat in het door het college bij de rechtbank ingediende verweerschrift is opgemerkt dat het ontwerpbesluit tot het verlenen van ontheffing van het bestemmingsplan ter inzage ligt, waarna de ontheffing zal worden verleend. Hieruit volgt volgens [appellant] dat bij voorbaat vaststaat dat de ontheffing zal worden verleend.

2.8.1. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank inderdaad is voorbijgegaan aan het betoog van [appellant] dat het college vooringenomen is. In de omstandigheid dat het college heeft opgemerkt na ter inzage legging over te gaan tot het verlenen van ontheffing, ziet de Afdeling evenwel geen grond voor het oordeel dat het college vooringenomen is, omdat er naar het oordeel van de Afdeling vanuit moet worden gegaan dat dit niet meer betekent dan dat ontheffing zal worden verleend, indien tegen het ontwerpbesluit geen zienswijzen worden ingediend die tot wijziging van het ontwerpbesluit nopen.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

97-721.