Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201110044/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4381, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 30
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/857

Uitspraak

201110044/1/A2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 augustus 2011 in zaak nr. 10/2647 in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [verzoeker])

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 augustus 2011, verzonden op 9 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 oktober 2011.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij onderscheiden brieven van 23 en 27 maart 2012 hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak zonder zitting te doen. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. [verzoeker] is sinds 9 februari 1996 eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel aan de [locatie] te Bunschoten (hierna: de woning). Onder het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' (hierna: het oude bestemmingsplan) was het ten oosten van de woning gelegen gebied (hierna: het plangebied) bestemd voor agrarisch gebied zonder bebouwing met landschappelijke waarde.

2.3. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Bunschoten het bestemmingsplan 'Rengerswetering' (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) vastgesteld. Onder het nieuwe bestemmingsplan is het plangebied de bestemming 'uit te werken woongebied' toegekend. Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de bij het nieuwe bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) mogen op gronden met die bestemming maximaal 1600 woningen worden gebouwd, met dien verstande dat aangetoond wordt dat het migratiesaldo nul niet worden overschreden.

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan goedgekeurd. Bij uitspraak van 28 februari 2007, zaak nr. 200602344/1, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, dat besluit vernietigd voor zover daarbij goedkeuring aan de zinsnede 'met dien verstande dat aangetoond wordt dat het migratiesaldo nul niet wordt overschreden' in artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is verleend, goedkeuring aan dat planonderdeel onthouden en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd.

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft de gemeenteraad van Bunschoten de eerste partiële herziening van het nieuwe bestemmingsplan (hierna: de partiële herziening) vastgesteld.

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht de vaststelling van de partiële herziening goedgekeurd.

2.4. [verzoeker] heeft het college bij brief van 27 juli 2007 om vergoeding van planschade verzocht. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat op grond van het nieuwe bestemmingsplan het realiseren van een grote woonwijk op het plangebied mogelijk is gemaakt en dat dit tot waardevermindering van de woning heeft geleid.

2.5. Het college heeft het verzoek om vergoeding van planschade ter advisering voorgelegd aan Oranjewoud Vastgoedadvies & Legal (hierna: Oranjewoud). In een advies van 27 januari 2009 heeft Oranjewoud uiteengezet dat, nu de Afdeling goedkeuring aan een onderdeel van een uitwerkingsvoorschrift van het nieuwe bestemmingsplan had onthouden, de gemeenteraad krachtens artikel 30 van de WRO was gehouden dat onderdeel te herzien of te herstellen en dat de bestemming 'Uit te werken woongebied' niet kon worden uitgewerkt en er derhalve ook niet kon worden gebouwd, zolang de gemeenteraad niet aan die herzieningsplicht had voldaan. Volgens Oranjewoud is pas bij de inwerkingtreding van de partiële herziening, op of omstreeks 7 augustus 2008, een volledig en volwaardig bestemmingsplan ontstaan. Omdat die dag na de dag van inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) op 1 juli 2008 is gelegen, is in zoverre het nieuwe recht op de aanvraag van toepassing, zodat de uitwerkingsplicht, anders dan onder het oude recht het geval was, niet meer bij de planologische vergelijking mag worden betrokken. Pas als van de uitwerkingsplicht gebruik wordt gemaakt, kan, gelet op artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, onder verwijzing naar het aldus vastgestelde uitwerkingsplan om een tegemoetkoming in planschade worden verzocht, aldus Oranjewoud.

[verzoeker] heeft dr. J.W. van Zundert (hierna: Van Zundert) verzocht te reageren op het advies van Oranjewoud. In een deskundigenrapport van 26 maart 2009 heeft Van Zundert, samengevat weergegeven, uiteengezet dat de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2007 niet aan de inwerkingtreding van de bestemming en van de overblijvende planvoorschriften in de weg heeft gestaan, dat het oude recht op de aanvraag van toepassing is en dat de partiële herziening niet bij de planologische vergelijking tussen het oude en het nieuwe bestemmingsplan mag worden betrokken.

Het college heeft Oranjewoud verzocht te reageren op dit deskundigenrapport. In een aanvullend advies van 17 augustus 2009 heeft Oranjewoud die reactie gegeven.

Het college heeft het advies en het aanvullend advies van Oranjewoud aan het besluit van 13 oktober 2009 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

2.6. De rechtbank heeft overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2007 niet valt af te leiden dat als gevolg van de vernietiging van een gedeelte van artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften een herzieningsplicht is ontstaan en de uit te werken bestemming van het plangebied onder het nieuwe bestemmingsplan niet kon worden uitgewerkt. Omdat de uit te werken bestemming van het plangebied onder het nieuwe bestemmingsplan met de uitspraak van de Afdeling, derhalve vóór 1 juli 2008, onherroepelijk is geworden en de aanvraag om vergoeding van planschade vóór die datum is ingediend, is het oude recht op die aanvraag van toepassing, zodat bij de planologische vergelijking tussen het oude en het nieuwe bestemmingsplan dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die de uit te werken bestemming van het plangebied onder het nieuwe bestemmingsplan heeft, aldus de rechtbank.

2.7. Het college betoogt dat de rechtbank dat ten onrechte heeft overwogen. Daartoe voert het college aan, met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 26 augustus 1997 in zaak nr. E01960055 (BR 2004, 52) en 1 oktober 2003 in zaak nr. 200300894/1 (BR 2004, 53), dat de herzieningsplicht uit het systeem van de wet volgt, dat het uitwerkingsvoorschrift zonder herziening van het vernietigde gedeelte ervan onvolledig was en dat uitwerking van de bestemming van het plangebied onder het nieuwe bestemmingsplan niet mogelijk was, zolang met betrekking tot dat gedeelte niet aan de verplichting van artikel 30 van de WRO was voldaan. Volgens het college kan derhalve bij toepassing van het oude recht de conclusie niet anders zijn dan dat de uit te werken bestemming van het plangebied onder het nieuwe bestemmingsplan voor [verzoeker] geen planologisch nadeel tot gevolg heeft gehad.

2.7.1. Dit betoog faalt. De omstandigheid dat een gedeelte van artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is vernietigd en dat het uitwerkingsvoorschrift op grond van het bepaalde in artikel 30 van de WRO moest worden aangepast, doet er niet aan af dat het nieuwe bestemmingsplan door de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2007 voor het overige onherroepelijk was en dat [verzoeker] reeds daardoor planologisch nadeel heeft geleden. Op dat moment stond immers vast dat in de toekomst maximaal 1600 woningen konden worden gebouwd. Slechts een modaliteit waaronder dit zou gebeuren, stond nog niet definitief vast. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat, naar het college onder verwijzing naar het advies van Oranjewoud heeft aangevoerd, de uit te werken bestemming van het plangebied onder het nieuwe bestemmingsplan niet tot een planologische verandering heeft geleid.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoekster B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

452.