Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201113323/1/R4 en 201113323/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Balloo en Ekehaar" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113323/1/R4 en 201113323/2/R4.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ekehaar, gemeente Aa en Hunze,

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Balloo en Ekehaar" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 maart 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen, en de raad van de gemeente Aa en Hunze, vertegenwoordigd door A. Thieme, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het bestemmingsplan"Balloo en Ekehaar" is een conserverend plan dat dertien bestemmingsplannen vervangt, waaronder het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar". Laatst bedoeld bestemmingsplan heeft betrekking op het bedrijventerrein ten zuidoosten van het dorp Ekehaar. Op dit bedrijventerrein zijn drie bedrijven gevestigd, waaronder het door de vennootschap onder firma Suichies Mechanisatie geëxploiteerde bedrijf.

Het beroep van [appellant] heeft betrekking op de uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met een strook van maximaal 20 meter breed en de uitbreiding van het bouwvlak met ongeveer 500 m² op het perceel van Suichies Mechanisatie aan de Hoofdstraat 27-29 te Ekehaar.

2.3. [appellant] heeft de beroepsgrond dat de uitbreiding is voorzien in een gebied met archeologische waarden waarnaar ten onrechte geen onderzoek is verricht, ter zitting ingetrokken.

2.4. [appellant] voert aan dat Ekehaar is gelegen in het Nationaal landschap de Drentse Aa. [appellant] betoogt dat volgens de Nota Ruimte het beleid voor Nationale landschappen ‘behoud door ontwikkeling’ is. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn volgens hem alleen mogelijk indien de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt. Grootschalige bedrijventerreinen zijn niet toegestaan, maar van lokale, kleinschalige bedrijven is naar zijn mening geen sprake. Hij betoogt dat Suichies Mechanisatie regionaal en nationaal is georiënteerd en het bedrijf waaraan Suichies Mechanisatie een showroom verhuurt, Entrak, zich op de internationale markt richt. Ook gelet op de aard en omvang van de activiteiten kan volgens hem niet van kleinschalige bedrijvigheid worden gesproken.

[appellant] voert aan dat de uitbreiding van Suichies Mechanisatie in strijd is met het provinciale beleid uit de Omgevingsvisie Drenthe, vastgesteld op 2 juni 2010, (hierna: de Omgevingsvisie) en met de Provinciale omgevingsverordening Drenthe (hierna: de omgevingsverordening). Daartoe voert hij aan dat niet wordt voldaan aan artikel 3.26, tweede lid, van de omgevingsverordening, omdat een beeldkwaliteitsplan ontbreekt. Bovendien is Suichies Mechanisatie volgens hem geen lokaal georiënteerd bedrijf. Volgens hem doet zich ook strijd met artikel 3.32 van de omgevingsverordening voor, omdat de ontwikkeling niet bijdraagt aan behoud en versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa en leidt tot realisering van een grootschalige werklocatie. Ten slotte voert hij aan dat het bedrijf is gelegen in een gebied dat op de Visiekaart van de omgevingsverordening is aangeduid als Multifunctioneel, als bedoeld in artikel 3.1 van de verordening. In een dergelijk gebied komen de functies landbouw, natuur, water, recreatie en landschap samen. De bedrijfsvoering van Suichies Mechanisatie is daarmee niet in overeenstemming, aldus [appellant].

2.4.1. De raad stelt dat in het provinciaal beleid onderscheid wordt gemaakt tussen de dorpsgebieden en het landelijk gebied. De raad voert aan dat de provincie zich terughoudend opstelt ten aanzien van de dorpsgebieden. De raad stelt dat in het vorige bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" is voorzien in de kleinschalige bedrijvengroep voor drie bestaande bedrijven en een nieuw bedrijf. De raad voert aan dat naar aanleiding van de opmerkingen van de provincie enkel de motivering bij dat bestemmingsplan is aangepast, terwijl de Inspectie Ruimtelijke Ordening geen opmerkingen had. Volgens de raad doet zich ten opzichte van het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" geen althans geen noemenswaardige uitbreiding voor.

2.4.2. In de Nota Ruimte 2006, vastgesteld op 17 januari 2006 (hierna: de Nota Ruimte), staat onder meer dat in algemene zin geldt dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt (`ja, mits-regime’).

Vervolgens staat in de Nota Ruimte dat maatvoering, schaal en ontwerp bepalend zijn voor behoud van de kwaliteiten van deze landschappen. Om die reden zijn grootschalige verstedelijkingslocaties en bedrijventerreinen, nieuwe grootschalige glastuinbouwlocaties en nieuwe grootschalige infrastructurele projecten niet toegestaan. Het begrip ´grootschalig´ moet gerelateerd worden aan de aanwezige kernkwaliteiten en aan het reeds aanwezige verstedelijkingspatroon en het -volume. Zo kan in relatief onbebouwde landschappen en beperkte toename van de bebouwing reeds afbreuk doen aan de kernkwaliteiten van dat landschap, terwijl in andere landschappen een zelfde toename van bebouwing geen gevolgen hoeft te hebben voor de aanwezige kernkwaliteiten.

In de Nota Ruimte staan ten slotte als kernkwaliteiten van de Drentsche Aa een grote mate van kleinschaligheid; vrij meanderende beken; en een samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen. Dit zeer kleinschalige laaglandbeek- en essenlandschap wordt gekarakteriseerd door vrij meanderende beken. De beekdalen zelf kenmerken zich door, met vaak door wallen en singels omzoomde, weiden en hooilanden. Op de hogere gronden bevinden zich de essen en dorpen, omgeven door groter ontginningen en de vroegere ´woeste gronden´ in de vorm van bossen en heides. De agrarische geschiedenis is goed te herkennen in dit landschap door de samenhang tussen de verschillende elementen. Zeer bijzonder zijn de lineair gegroepeerde grafheuvels langs prehistorische wegen, aldus de Nota Ruimte.

In de Omgevingsvisie staat dat de doelstelling voor de kernkwaliteit landschap onder meer is het behouden en ontwikkelen van het Nationaal Landschap Drentsche Aa.

2.4.3. Ingevolge artikel 3.26, tweede lid, van de omgevingsverordening, zoals dit gold ten tijde van het bestreden besluit, laat een ruimtelijk plan dat niet betrekking heeft op het bestaand stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden geen nieuwe lokale werklocaties toe en kan slechts voorzien in de uitbreiding van een lokale werklocatie wanneer het desbetreffende ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid.

Ingevolge artikel 3.33, eerste lid, voorziet een ruimtelijk plan dat (mede) betrekking heeft op gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa:

a. alleen in nieuwe ontwikkelingen als is onderbouwd dat die bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa conform het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aa en het Cultuurhistorisch Kompas; en

b. voorziet in elk geval niet in ontwikkelingen die leiden tot realisering van grootschalige stads- of dorpsontwikkeling dan wel tot realisering van grootschalige werklocaties of infrastructuur.

Ingevolge artikel 3.41 zijn de bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk als formeel ontwerp ter inzage heeft gelegen.

2.4.4. De voorzitter overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen afbreuk wordt gedaan aan het Nationaal landschap Drentsche Aa. Daarbij betrekt de voorzitter de beperkte omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt en dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze ontwikkeling, mede gelet op ligging ervan, inbreuk maakt op de kernkwaliteiten van de Drentsche Aa.

De voorzitter overweegt dat de artikelen 3.26, tweede lid, en 3.33, eerste lid, van de omgevingsverordening met ingang van 14 april 2011 in hoofdstuk 3 van deze verordening zijn opgenomen. Het ontwerp van het bestemmingsplan is van 6 april 2011. Ingevolge artikel 3.41 zijn de bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk als formeel ontwerp ter inzage heeft gelegen. Gelet op deze bepaling behoefde het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming met hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening te worden vastgesteld.

[appellant] heeft niet onderbouwd waaruit de strijd met de Omgevingsvisie bestaat. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat zich strijd met de Omgevingsvisie voordoet.

2.5. [appellant] voert aan dat de uitbreiding van het bedrijf op de huidige locatie niet past binnen het gemeentelijke beleid uit de "Economische koersnota gemeente Aa en Hunze. Een koers voor een krachtige economie" van september 2009 (hierna: de Economische koersnota), de Nota Vrijstellingenbeleid van 29 maart 2001 (hierna: de Nota vrijstellingenbeleid) en de Notitie kleinschalige bedrijvigheid van 13 januari 2001 (hierna: de Notitie kleinschalige bedrijvigheid). Hij betoogt dat bedrijven moeten passen bij de schaal van de omgeving. Hij voert aan dat de ruimte voor uitbreiding van bedrijvigheid binnen de gemeente klein is. Voor kleinschalige bedrijven moet die ruimte volgens de Economische koersnota worden gezocht in Rolde en Gasselternijveen en voor grotere bedrijven op het te ontwikkelen bedrijventerrein Bloemakkers. Volgens de Nota vrijstellingsbeleid kunnen binnen de bebouwde kom bedrijven aan huis en kleinschalige bedrijven tot milieucategorie 2 worden ingepast, mits er geen hinder voor de woonomgeving ontstaat. Buiten de bebouwde kom geldt een terughoudend beleid. [appellant] betoogt dat het terrein van Suichies Mechanisatie aan het buitengebied grenst. Suichies Mechanisatie is volgens hem minimaal een categorie 3 inrichting. In de notitie kleinschalige bedrijvigheid is vastgelegd dat uitbreiding alleen is toegestaan voor kleinschalige bedrijven van milieucategorie 1 of 2 of een daarmee vergelijkbaar kleinschalig bedrijf van milieucategorie 3. Daarvan is geen sprake, aldus [appellant].

2.5.1. De raad betoogt dat volgens de Economische koersnota een aantal grotere bedrijven die historisch in de gemeente zijn geworteld worden gekoesterd, zo lang dat, gelet op de gevolgen, aanvaardbaar is.

2.5.2. In de Economische koersnota staat dat de gemeente een aantal grotere bedrijven kent die historisch hun plek in de gemeente hebben gevonden. Wat betreft hun schaal zouden deze bedrijven beter aansluiten bij de economische kernzones. Echter deze bedrijven zijn geworteld in de gemeente en om deze bedrijven heen is weer bedrijvigheid ontstaan. Van deze bedrijven wordt erkend dat zij belang hebben voor de gemeente. De gemeente wil de bestaande grotere en kleinere bedrijven in de gemeente koesteren en zoeken naar ruimte voor deze bedrijven passend bij de schaal van de gemeente.

De Nota Vrijstellingenbeleid dient het afwegingskader te zijn voor afwijkingen van het bestemmingsplan. Ten aanzien van bedrijfsuitbreidingen binnen de bebouwde kom kan vrijstelling worden verleend als aan de algemene stedenbouwkundige uitgangspunten wordt voldaan en een eventueel nabijgelegen toekomstige woonbestemming niet wordt gefrustreerd. Medewerking mag ook niet leiden tot beperking van overige nabijgelegen functies. In het buitengebied geldt een terughoudend beleid voor medewerking. Natuur- en landschapswaarden mogen zich niet tegen de uitbreiding verzetten. De uitbreiding mag geen beperkingen opleveren voor ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven.

In de Notitie kleinschalige bedrijvigheid van 13 januari 2001 staat dat de aard en schaal van kleinschalige bedrijfslocaties moet passen in de omgeving dan wel moet aansluiten bij de dorpsbebouwing. De omvang van een locatie moet relatief kleinschalig zijn. Gedacht kan worden aan een omvang van ongeveer 1 hectare. Ook in de ruimtelijke omvang moet het gaan om kleinschalige bedrijven. Gedacht kan worden aan een maximale perceelsoppervlakte per bedrijf van 2000 m² met tevens een maximale hoogtebegrenzing. Over het algemeen zal het hierbij moeten gaan om bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 en de lichte(re) bedirjven uit categorie 3.

2.5.3. De voorzitter overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat Suichies Mechanisatie een van de grotere bedrijven is, die historisch in de gemeente zijn geworteld. Volgens de raad is Suichies Mechanisatie een bedrijf van milieucategorie 3, waarvan de effecten op het woon- en leefklimaat gelijk is te stellen aan een bedrijf uit categorie 1 en 2. Het bestemmingsplan voorziet in het plandeel met de bestemming "Bedrijf" waar vier bedrijven zijn gevestigd in een kleine uitbreiding van het plandeel met de bestemming bedrijf en in een kleine uitbreiding van het bouwvlak. Niet aannemelijk is gemaakt dat de raad zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen strijd met het gemeentelijke beleid voordoet.

2.6. [appellant] voert aan dat thans al niet wordt voldaan aan de afstanden uit de VNG-Brochure "Bedrijven en milieuzonering" en dat de uitbreiding zal leiden tot een verdere verslechtering. De semiverharding is geprojecteerd aan de kant waar zijn woning staat. Het stallen van landbouwvoertuigen en machines zal leiden tot geluidoverlast en tot aantasting van het uitzicht. De voorziene groenstrook zal de gevolgen niet wegnemen. Bovendien kan de aanleg van de groenstrook niet worden afgedwongen. In de winter zal de groenstrook het zicht op de landbouwvoertuigen niet wegnemen. De zichtrelatie met het landschap zal niet kunnen worden gewaarborgd, zo betoogt hij.

2.6.1. De raad voert aan dat het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" al een ontsluitingsweg mogelijk maakt achter het bedrijf langs, zodat vanaf de Oal Diek het zuidoostelijk deel van het bedrijventerrein bereikt kan worden. De uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is nauwelijks groter. De op te richten groenstrook zorgt voor afscherming richting Oal Diek 6 waarmee ook de bestaande bebouwing wordt afgeschermd. De raad betoogt dat in de toelichting bij het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" is vermeld dat de bedrijven qua aard en effecten op het woon- en leefklimaat gelijk zijn te stellen aan categorie 1 en 2, zodat kortere afstanden toelaatbaar zijn. Het onderhavige plan wijzigt de afstanden niet.

2.6.2. De voorzitter acht niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat Suichies Mechanisatie qua effecten op het woon- en leefklimaat gelijk is te stellen aan een bedrijf uit categorie 1 en 2, zodat een kortere afstand toelaatbaar is dan de afstand van 50 meter tot de aangrenzende woonbebouwing die op grond van de VNG-Brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor bedrijven van categorie 3. Het bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van het bouwvlak en in uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Bedrijf". De voorzitter constateert dat het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerrein Ekehaar" al een ontsluitingsweg mogelijk maakte achter het bedrijf langs, zodat vanaf de Oal Diek het zuidoostelijk deel van het bedrijfsterrein kon worden bereikt. De uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is niet of nauwelijks groter dan de strook die voor deze ontsluitingsweg was bestemd. Het bestemmingsplan voorziet in een plandeel met de bestemming "Groen" ter afscherming van het landschap. Naar het oordeel van de voorzitter doet zich ten gevolge van de uitbreidingen van het bouwvlak en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden voor. Ter zitting is voorts gebleken dat de zichtlijn nauwelijks wordt aangetast. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de milieubelasting ten gevolge van het bestemmingsplan zo anders is dan ten gevolge van het voorgaande bestemmingsplan, dat de raad daarom van het bestemmingsplan had moeten afzien.

2.7. [appellant] voert aan dat de Drentsche Aa een Natura 2000-gebied is. De landbouwvoertuigen en machines worden op korte afstand van dit gebied gestald. Er is ten onrechte niet onderzocht wat de gevolgen voor het gebied zijn.

2.7.1. De raad betoogt dat het Natura 2000-gebied nog moet worden aangewezen. Ten aanzien van het Vogel- en Habitatrichtlijngebied is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" een afweging gemaakt. Ten opzichte van dat bestemmingsplan doet zich geen belangrijke wijziging van de activiteiten en de milieugevolgen voor, zodat wordt aangenomen dat zich geen significante gevolgen voordoen, aldus de raad.

2.7.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

2.7.3. De voorzitter overweegt dat de raad zich zonder onderzoek hiernaar te doen niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bestemmingsplan geen significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied Drentsche Aa. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

2.8. [appellant] voert aan dat ten onrechte niet is onderzocht of de bedrijfsuitbreiding leidt tot verstoring van beschermde diersoorten en of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist.

2.8.1. De raad betoogt dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Bedrijvengroep Ekehaar" de landbouwkavels in het plangebied en daaromheen in het Provinciaal omgevingsplan Drenthe zijn aangeduid als gebied met waarden voor ganzen, zwanen en steltlopers. Dit geldt niet voor de strook tussen de bebouwing van Ekehaar en houtwal langs de ijsbaan en het beekdal. Dit gebied is te besloten om interessant te zijn voor weidevogels en aanverwante soortengroepen, aldus de raad. Wel zullen vogels het grasland en de sparrenteelt gebruiken als foerageergebied. Ten opzichte van dat plan bevat het onderhavige plan geen belangrijke wijzigingen; zo worden op het grasland volgens de raad ook thans machines opgesteld.

2.8.2. De voorzitter overweegt dat het bestemmingsplan ertoe leidt dat grasland op korte afstand van het Natura 2000-gebied Drentsche Aa dat door ganzen, zwanen en steltlopers als foerageergebied wordt gebruikt, verdwijnt. De raad heeft de gevolgen hiervan voor deze ganzen, zwanen en steltlopers niet onderzocht. Naar het oordeel van de voorzitter is het besluit in zoverre evenmin met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

2.9. [appellant] voert aan dat de ruimtelijke onderbouwing voor de bedrijfsuitbreiding niet voldoet. Volgens hem wordt niet ingegaan op de relatie met rijksbeleid en provinciaal beleid, op sectorale wetgeving en op de gevolgen voor het woon- en leefklimaat. Hij betoogt dat het bestemmingsplan niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd.

2.9.1. [appellant] heeft niet nader geconcretiseerd waarom het bestemmingsplan in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in dit opzicht niet deugdelijk is gemotiveerd.

2.10. Voor zover [appellant] zich in het beroepschrift heeft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze overweegt de voorzitter dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.11. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 september 2011 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor zover dit het perceel aan de Hoofdstraat 27 en 29 te Ekehaar betreft.

2.13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Aa en Hunze van 28 september 2011, kenmerk 55, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor zover dit het perceel aan de Hoofdstraat 27 en 29 te Ekehaar betreft;

III. wijst het verzoek af;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.362,32 (zegge: dertienhonderdtweeënzestig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 1.311,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Aa en Hunze aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 304,00 (zegge: driehonderdvier euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

433.