Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX3223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
201104129/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer de voorschriften van de bij besluit van 7 maart 2008 aan Synbra krachtens die wet verleende revisievergunning voor een inrichting bestemd voor het produceren, verwerken en recyclen van kunststoffen, gelegen aan de Zeedijk 25 te  Etten-Leur, aangevuld met voorschriften betreffende de indirecte lozing van afvalwater. Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/119 met annotatie van Van der Meijden
Milieurecht Totaal 2012/5697
M en R 2012/139
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3950

Uitspraak

201104129/1/A4.

Datum uitspraak: 1 augustus 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Synbra Technology B.V., gevestigd te Etten-Leur,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer de voorschriften van de bij besluit van 7 maart 2008 aan Synbra krachtens die wet verleende revisievergunning voor een inrichting bestemd voor het produceren, verwerken en recyclen van kunststoffen, gelegen aan de Zeedijk 25 te  Etten-Leur, aangevuld met voorschriften betreffende de indirecte lozing van afvalwater. Dit besluit is op 28 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Synbra bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Synbra en het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het dagelijks bestuur heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 14 juni 2012 ter zitting vanwege de nauwe samenhang gevoegd behandeld met zaak nr. 201104130/1/A4, waar Synbra, vertegenwoordigd door drs. L. Edelman en mr. A.C. van Langen, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.L.J. Post en ing. A.P.M. Maas, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. D.I. Jansen-Jonkers, J. Broers en P. van den Bliek, allen werkzaam bij het waterschap, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Synbra heeft de aanvraag overeenkomstig artikel 8.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer tegelijk ingediend met een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet. Tegen het op laatstgenoemde aanvraag genomen besluit is eveneens beroep ingesteld bij de Afdeling, waarop bij uitspraak van heden in zaak nr. 201104130/1/A4 is beslist.

2.3. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden.

Ingevolge het tweede lid zijn met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit het, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Ingevolge artikel 2.25a, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet stelt het bevoegd gezag tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.26 van de Wabo, voor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarbij vanuit een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort of vanuit een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, naar aanleiding van de aanvraag om die vergunning het dagelijks bestuur van het in artikel 3.4, eerste lid, van de Waterwet bedoelde waterschap of de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, in de gelegenheid advies uit te brengen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan, indien ten gevolge van de activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd:

a. de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk zou worden belemmerd, of

b. de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zouden worden overschreden,

het advies inhouden dat de daarin opgenomen voorschriften die nodig zijn om die gevolgen te voorkomen, aan de vergunning moeten worden verbonden.

2.4. Het college heeft in overeenstemming met artikel 2.25a, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet het dagelijks bestuur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Het dagelijks bestuur heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Bij brief, bij de provincie ingekomen op 8 oktober 2010, heeft het dagelijks bestuur het college onder meer geadviseerd over aan de vergunning te verbinden voorschriften die de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: rwzi) moeten waarborgen.

Vergunningvoorschrift 1.17

2.5. Synbra betoogt dat voorschrift 1.17 ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Synbra stelt dat dit voorschrift, in tegenstelling tot artikel 2.25a, tweede lid, van de Invoeringswet Waterwet, betrekking heeft op voorvallen en calamiteiten buiten de inrichting. Volgens haar kunnen deze niet worden toegerekend aan haar inrichting en is het ingevolge de Wet milieubeheer slechts mogelijk om maatregelen aan een inrichting op te leggen ter voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu die worden veroorzaakt door de inrichting zelf. Voorts betoogt zij dat artikel 17.1 van de Wet milieubeheer een uitputtende regeling bevat voor ongewone voorvallen, zodat voor het bevoegd gezag geen ruimte meer bestaat om in aanvulling hierop voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.5.1. Ingevolge artikel 17.1 van de Wet milieubeheer treft degene die de inrichting drijft, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

2.5.2. Vergunningvoorschrift 1.17 luidt: "Ongewone voorvallen/uitzonderlijke omstandigheden buiten het bedrijf".

Voorschrift 1.17.1 bepaalt dat, indien als gevolg van ongewone voorvallen of andere uitzonderlijke omstandigheden de doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken van waterschap Brabantse Delta dan wel de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam waarop deze zuiveringstechnische werken lozen, zodanig beïnvloed wordt of dreigt te worden beïnvloed, dat het noodzakelijk is maatregelen van tijdelijke aard te treffen, vergunninghouder verplicht is daartoe op aanschrijving van of vanwege het bevoegd gezag onmiddellijk over te gaan.

Voorschrift 1.17.2 bepaalt dat de tijdelijke maatregelen kunnen bestaan uit het schriftelijk bij beschikking van of vanwege het bevoegd gezag opleggen van niet in de vergunning opgenomen voorzieningen voor de hiervoor omschreven lozingen en/of het beperken of staken van de lozing van verontreinigende stoffen zoals deze volgens de vergunning is toegestaan.

Voorschrift 1.17.3 bepaalt dat een maatregel als bedoeld in voorschrift 1.17.2 maximaal voor een periode van 48 uur, telkenmale met maximaal even zoveel uren te verlengen, zal worden opgelegd en in geen geval tot gevolg mag hebben dat de lozing van afvalwater volgens de vergunning na het vervallen van de tijdelijk opgelegde verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet meer mogelijk is.

2.5.3. Het college heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat ook een calamiteit die buiten de inrichting plaatsvindt met zich kan brengen dat het continueren van lozingen vanuit de inrichting via de riolering op de rwzi de nadelige gevolgen voor het milieu vergroot en dat het in dat geval van belang is dat de lozingen vanuit de inrichting kunnen worden gestaakt. Hieraan doet niet af dat de in voorschrift 1.17 bedoelde calamiteit buiten de inrichting niet aan de inrichting valt toe te rekenen. Het college heeft vergunningvoorschrift 1.17 dan ook in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu kunnen achten. Voorts is artikel 17.1 van de Wet milieubeheer, in tegenstelling tot vergunningvoorschrift 1.17, van toepassing op ongewone voorvallen binnen de inrichting, zodat dit artikel reeds hierom geen uitputtende regeling bevat voor ongewone voorvallen buiten de inrichting. Het college heeft het ingevolge artikel 2.25a van de Invoeringswet Waterwet door het dagelijks bestuur uitgebrachte advies dan ook kunnen overnemen en voorschrift 1.17 in redelijkheid aan de vergunning kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschrift 1.14.4

2.6. Vergunningvoorschrift 1.14.4 bepaalt dat de in de vergunning genoemde parameters/stoffen dienen te worden bepaald conform de voorschriften zoals vermeld in de bij de vergunning behorende bijlage 4.

Uit bijlage 4 volgt dat de analyse van onopgeloste bestanddelen dient plaats te vinden volgens de voorschriften vermeld in het normblad NEN 6621 (1988).

2.6.1. Ter zitting heeft Synbra te kennen gegeven dat zij de voorgeschreven analysemethode NEN 6621 (1988) als zodanig niet bestrijdt, maar dat zij de methode voor de vaststelling van de meetonzekerheid niet juist acht. Volgens Synbra moet bij de analyse van onopgeloste bestanddelen rekening worden gehouden met een meetonzekerheid van 68 procent in plaats van de door het college en het dagelijks bestuur gehanteerde absolute meetonzekerheid van circa 5 mg/l.

2.6.2. Het dagelijks bestuur heeft gewezen op het technologisch advies van het waterschap Brabantse Delta, met nummer 11IT008631, waaruit blijkt dat de vaststelling van de meetonzekerheid heeft plaatsgevonden conform NEN 7779 (2008). Synbra heeft niet aannemelijk gemaakt dat die norm bij het vaststellen van de meetonzekerheid niet had mogen worden gehanteerd, dan wel dat de door het college vastgestelde meetonzekerheid niet met die norm in overeenstemming is. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college voor de analyse van onopgeloste bestanddelen ten onrechte van een meetonzekerheid van 5 mg/l uitgaat. De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012

457-684.