Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201107570/5/T1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Museumkwartier en Valeriusbuurt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107570/5/T1/R1.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging van Eigenaren (hierna: de VvE) Emmastraat 8, gevestigd te Amsterdam, en anderen,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

de deelraad van het stadsdeel Zuid,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Museumkwartier en Valeriusbuurt" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de VvE Emmastraat 8 en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2011, beroep ingesteld.

De deelraad heeft een verweerschrift ingediend.

De deelraad, [appellant sub 3], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid B.V., handelend onder de naam Blue Boat Company (hierna: Blue Boat Company) en de stichting Stichting Medisch Centrum Jan van Goyen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2012, waar [appellant sub 3], bijgestaan door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, en de deelraad, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen, drs. S. Kinneging en M. Hillebregt, allen werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen. Voorts zijn daar Stichting Medisch Centrum Jan van Goyen, vertegenwoordigd door mr. D. op de Hoek, advocaat te Amsterdam, en Blue Boat Company, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Amsterdam, en R. van der Storm, als partij gehoord.

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [belanghebbende A] en anderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nedstede Monumenten B.V. en anderen, de vereniging Fietsersbond en de stichting Stichting Red de Onderdoorgang, [belanghebbende B] en anderen, [belanghebbende C] en anderen en [belanghebbende D] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201107570/1/R1.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het beroep van de VvE Emmastraat 8 en anderen

2.2. De VvE Emmastraat 8 en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het gedeelte van het perceel Valeriusstraat 85a waar een maximale bouwhoogte geldt van 5 m. Zij betogen dat ter plaatse maximale bouwhoogtes van 9,5 m en 16,5 m dienen te worden toegekend. Voorts betogen zij dat een ruimer bouwvlak moet worden toegekend. Zij stellen dat dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van hun bouwplan voor een woonensemble op de hoek Emmastraat/Valeriusstraat. Met de stedenbouwkundige uitgangspunten en de welstandseisen van dit bouwplan hebben het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid en de welstandscommissie reeds ingestemd, aldus de VvE Emmastraat 8 en anderen. Volgens hen valt, gelet hierop, niet in te zien dat de door hen gewenste maximale bouwhoogtes en een verruiming van het bouwvlak niet kunnen worden toegekend. Voor zover de deelraad zich op het standpunt stelt dat nog onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen van het bouwplan op de mate van daglichtvermindering ter plaatse van percelen aan de Valeriusstraat en vervolgens eventueel in het kader van een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) alsnog medewerking aan het voorgenomen bouwplan kan worden verleend betogen zij dat dit geen reden is om dit niet in het voorliggende plan mogelijk te maken, temeer, nu volgens hen thans reeds vaststaat dat niet of nauwelijks sprake zal zijn van daglichtvermindering. Voor zover de deelraad zich op het standpunt stelt dat nog geen gegevens zijn overgelegd over de te bouwen kelder, betogen zij dat dit in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen aan de orde komt en niet in de onderhavige procedure.

De VvE Emmastraat 8 en anderen stellen verder dat het gehele perceel Valeriusstraat 85a is bebouwd en betogen dat ook om die reden ten onrechte niet aan het gehele perceel de aanduiding "bouwvlak" is toegekend. Zij voeren voorts aan dat de aanduiding "parkeerterrein" ten onrechte niet aan het gehele perceel is toegekend.

2.2.1. De deelraad stelt dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan voor het bouwplan van de VvE Emmastraat 8 en anderen geen omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd, zodat hierover nog geen bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Hij acht het niet opnemen van het bouwplan in overeenstemming met het uitgangspunt in de "Keuzenotitie Bestemmingsplan Museumkwartier en Valeriusbuurt" (hierna: Keuzenotitie), vastgesteld op 26 november 2008, dat slechts ontwikkelingen in het bestemmingsplan worden opgenomen waarover bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden.

2.2.2. In de Keuzenotitie staat het uitgangspunt dat ontwikkelingen die tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan concreet worden, worden meegenomen in het bestemmingsplan. Voorts is het uitgangspunt vermeld dat ontwikkelingen waar bestuurlijke besluitvorming over heeft plaatsgevonden worden opgenomen in het bestemmingsplan.

2.2.3. Wat betreft het door de VvE Emmastraat 8 en anderen gewenste bouwplan voor de verwezenlijking van een woonensemble op de hoek Emmastraat/Valeriusstraat moet worden geconcludeerd dat de deelraad, door dit niet in het plan op te nemen, het verzoek daartoe impliciet en zonder motivering heeft afgewezen. Nu het voorgenomen bouwplan reeds bekend en concreet was ten tijde van de besluitvorming over het bestemmingsplan, ziet de Afdeling niet in dat met dit bouwplan en de gevolgen daarvan op het woon- en leefklimaat van omwonenden bij de vaststelling van het plan geen rekening kon worden gehouden. Hierbij wordt in aanmerking genomen het in de Keuzenotitie gekozen uitgangspunt dat ontwikkelingen die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan concreet worden, worden meegenomen in het bestemmingsplan. De deelraad heeft door te volstaan met een verwijzing naar de te nemen beslissing ten aanzien van de concrete bouwaanvraag na afloop van de planprocedure, niet toereikend gemotiveerd waarom bij de vaststelling van het plan geen medewerking kon worden verleend aan het verzoek van de VvE Emmastraat 8 en anderen tot het toestaan van maximale bouwhoogtes van 9,5 m en 16,5 m op het gedeelte van het perceel Valeriusstraat 85a waar thans een maximale bouwhoogte geldt van 5 m alsmede tot verruiming van het bouwvlak, voor zover nodig voor de verwezenlijking van het bouwplan. Dat over het bouwplan nog geen bestuurlijke besluitvorming had plaatsgevonden als bedoeld in het uitgangspunt in de Keuzenotitie, leidt niet tot een ander oordeel. In de Keuzenotitie is immers als hiervoor aangegeven ook als uitgangspunt vermeld dat ontwikkelingen die tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan concreet worden, worden meegenomen in het bestemmingsplan. In hetgeen de VvE Emmastraat 8 en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Valeriusstraat 85a in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.2.4. De deelraad heeft voorts verklaard dat per abuis niet de aanduiding "parkeerterrein" aan het gehele perceel Valeriusstraat 85a is toegekend. Nu de deelraad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Valeriusstraat 85a betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.2.5. Het betoog dat de aanduiding "bouwvlak" ten onrechte niet aan het gehele perceel is toegekend, omdat de bestaande bebouwing daardoor niet als zodanig is bestemd, mist feitelijke grondslag. Hiertoe wordt overwogen dat de deelraad zich ter zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bestaande bebouwing, ook voor zover deze is gelegen buiten het bouwvlak, op grond van artikel 24, lid 24.3, onder a, van de planregels, inhoudend dat bestaande bebouwing is toegestaan die in overeenstemming met een verleende vergunning is gebouwd en afwijkt van het bestemmingsplan, als zodanig is bestemd.

2.2.6. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de deelraad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Valeriusstraat 85a, binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De deelraad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in 2.2.3. is overwogen alsnog toereikend te motiveren waarom geen medewerking kan worden verleend aan het verzoek van de VvE Emmastraat 8 en anderen tot het toestaan van maximale bouwhoogtes van 9,5 m en 16,5 m op het gedeelte van het perceel Valeriusstraat 85a waar een maximale bouwhoogte geldt van 5 m alsmede tot verruiming van het bouwvlak, voor zover nodig voor de verwezenlijking van het bouwplan, en de deelraad dient met inachtneming van hetgeen in 2.2.4. is overwogen een nadere afweging te maken omtrent toekenning van de aanduiding "parkeerterrein" aan het gehele perceel Valeriusstraat 85a, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.3. Ter zitting heeft [appellant sub 3] aangegeven dat hij op 12 april 2012 nadere stukken aan de Afdeling heeft overgelegd, waaronder het onderzoek "Geluidsonderzoek Blue Boat Company te Amsterdam uitgevoerd door de Dienst Milieu en Bouwtoezicht Gemeente Amsterdam" van Kupers en Niggebrugge. Zoals de Afdeling ter zitting heeft medegedeeld waren deze stukken niet bekend als zijnde stukken die in de onderhavige procedure zijn ingekomen. [appellant sub 3] heeft hierop geantwoord dat hij een andere procedure inzake een verzoek om handhaving bij de Afdeling aanhangig heeft gemaakt en dat de stukken mogelijk in die procedure met zaak nr. 201113459/1/H1 bij de Afdeling zijn ingediend. Gebleken is dat [appellant sub 3] op die stukken het zaak nr. 201113459/1/H1 als enige referentie heeft vermeld, zodat het naar het oordeel van de Afdeling aan hem is toe te rekenen dat de inhoud van die stukken ten tijde van de zitting niet in de onderhavige procedure bij de Afdeling kenbaar was. Gelet hierop en gelet op de aard en omvang van die stukken worden deze wegens strijd met de goede procesorde in de thans aan de orde zijnde procedure buiten beschouwing gelaten. Daarbij is van belang dat het voor de Afdeling niet mogelijk was deze stukken op passende wijze ter zitting aan de orde te stellen en de deelraad en Blue Boat Company hierop te laten reageren.

2.4. [appellant sub 3] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Water" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - aanlegsteiger 1", "specifieke vorm van water - rondvaartboot", "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" en "ligplaats", voor zover in de Singelgracht nabij het Max Euweplein wordt voorzien in de mogelijkheid voor Blue Boat Company, een rederij in rondvaartboten, tot het aanleggen van steigers, een ponton en het realiseren van ligplaatsen voor maximaal zes rondvaartboten. [appellant sub 3] betoogt dat de doorvaart op de Singelgracht wordt gehinderd door de ligging van de steigers en de afgemeerde boten in een smal gedeelte van de Singelgracht op korte afstand van de J.H. Donnerbrug, hetgeen tot gevolg heeft dat de rondvaartboten regelmatig moeten manoeuvreren om tegemoet komende schepen te laten passeren waardoor filevorming en gevaarlijke situaties ontstaan. In dit verband wijst hij erop dat sinds 2009 vijf aanvaringen met de kade ter hoogte van zijn perceel [locatie 1] hebben plaatsgevonden. Volgens [appellant sub 3] leveren de rondvaartboten voorts een aanzienlijke geluidsemissie en uitstoot van luchtverontreinigende stoffen op en wordt de bodem van de Singelgracht hierdoor opgewoeld en ontgrond. De in het plan voorziene situatie zal verder leiden tot geurhinder ter plaatse van zijn perceel [locatie 1] alsmede beschadiging van de oever en bodemverontreiniging, aldus [appellant sub 3]. Hij voert verder aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de richtafstand in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 die geldt voor bedrijven in de categorie "Binnenvaart (passagiersvaart en veerdiensten) met SBI-code 50.30.

[appellant sub 3] betoogt voorts dat de aanduidingen "specifieke vorm van water - rondvaartboot" en "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" aan een zodanig ruim oppervlak zijn toegekend dat sprake is van strijd met het bepaalde in het Uitwerkingsbesluit Doorvaartprofielen uit 2007 dat een minimale vrije vaarweg van 13 m moet worden aangehouden. Hij acht de planregeling voorts in strijd met de artikelen 7.01 en 7.02 van het Binnenvaartpolitiereglement, inhoudend dat het verboden is door het creëren van een engte door ligplaatsen en objecten in het water de scheepvaart te belemmeren. Verder betoogt hij dat sprake is van strijd met het verbod in artikel 3.2.1, tweede lid, onder c, van de Keur van Waternet dat zonder vergunning van het waterschap geen ligplaats mag worden genomen of mag worden afgemeerd met een schip op zodanige wijze dat de onbelemmerde doorvaart wordt gehinderd in een strook van 2,5 m aan weerszijden van de as van de vaarweg. Hiertoe stelt [appellant sub 3] dat de planregeling ertoe leidt dat in het midden van de vaarweg geen strook met een breedte van 5 m resteert voor de onbelemmerde doorvaart van schepen.

[appellant sub 3] voert verder aan dat het mogelijk maken van steigers in de Singelgracht in strijd is met het bepaalde in de Nota van Uitgangspunten Singelgrachtzone uit 1997 dat de grachten in de Singelgrachtzone niet mogen worden versmald, bebouwd, overbouwd of gedempt. Voorts betoogt hij met verwijzing naar die nota dat grootschalige aanlegsteigers voor niet-openbaar gebruik niet passen in het wensbeeld van de Singelgrachtzone. [appellant sub 3] voert aan dat ook sprake is van strijd met het uitgangspunt in de Nota Ruimtelijke randvoorwaarden Singelgrachtzone, vastgesteld door de raad van de centrale stad op 19 november 2003 dat het vrije zicht over het water behouden moet blijven en dat de beleving langs het water moet worden vergroot.

[appellant sub 3] betoogt verder dat ten onrechte alleen voor de bouw van steigers, die niet dienen als opstapplaats maxima zijn gesteld aan bouwhoogte en -oppervlak, hetgeen er in dit geval toe leidt dat het gehele bestemmingsvlak met de aanduidingen "specifieke vorm van water - rondvaartboot" en "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" kan worden bebouwd met steigers.

Hij voert verder aan dat niet valt in te zien waarom het ponton dat illegaal is opgericht in het voorliggende plan als zodanig is bestemd, nu het stadsdeelbestuur zich in het verleden herhaaldelijk op het standpunt heeft gesteld dat van legalisering van het ponton geen sprake kan zijn. Met betrekking tot het ponton betoogt hij dat dit op grond van het bepaalde in artikel 1, lid 75, van de planregels moet worden aangemerkt als een vlot. Hij voert aan dat dit in het plan echter ten onrechte wordt aangemerkt als een object als bedoeld in artikel 1, lid 53, van de planregels.

[appellant sub 3] betoogt voorts dat het plandeel niet uitvoerbaar is, omdat het verboden is ligplaats te laten nemen door schepen zonder een vergunning op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater. Blue Boat Company heeft echter voor geen van haar rondvaartboten vergunning en zal deze na een eventuele aanvraag ook niet krijgen, omdat deze nimmer wordt verstrekt ten behoeve van ligplaatsen binnen 15 m van een brug, aldus [appellant sub 3]. In dit verband wijst hij erop dat de rederij is gelegen op korte afstand van de J.H. Donnerbrug. Bovendien, zo stelt hij, staat het Ruimtelijk Afwegingskader Passagiersvaart Stadsdeel Oud-Zuid 2007 aan vergunningverlening in de weg.

2.4.1. De deelraad stelt dat voor de oprichting van alle bouwwerken op de huidige locatie van de rederij, met uitzondering van het ponton en de kippensteiger, bouwvergunning is verleend en in het onderhavige plan derhalve in zoverre een bestaande situatie wordt ingepast. Hij stelt dat voor het ponton en de kippensteiger weliswaar geen bouwvergunningen zijn verleend, maar dat hij deze eveneens als zodanig heeft kunnen bestemmen, omdat dit niet leidt tot dusdanige ruimtelijke gevolgen ten opzichte van de legaal aanwezige bestaande bedrijfssituatie dat dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is.

2.4.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ter hoogte van het Max Euweplein de bestemming "Water" met de maatvoeringsaanduidingen "maximum aantal boten 1" en "aantal rondvaartboten (maximaal): 6" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - bedrijfsboot", "ligplaats", "specifieke vorm van water - rondvaartboot" en "specifieke vorm van water - aanlegsteiger 1" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

[…];

d. waterwegen;

[..];

g. ligplaats voor rondvaartboten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - rondvaartboot";

h. ligplaats voor bedrijfsboten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - bedrijfsboot";

i. ligplaats voor objecten te water, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "ligplaats", mits met de aanduiding "maximum aantal objecten" een aantal staat aangegeven;

j. loopplanken en steigers ten behoeve van ligplaatsen voor woonboten en bedrijfsboten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "ligplaats";

k. opstapplaatsen voor rondvaartboten, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van water - rondvaartboot" en "specifieke vorm van water - aanlegsteiger 1";

[…].

Ingevolge lid 18.2.1, aanhef en onder a, voor zover van belang, mag op en onder de in lid 18.1 genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming met dien verstande dat voor steigers, niet zijnde steigers ten behoeve van opstapplaatsen, geldt:

1. maximum bouwhoogte: 1,5 m;

2. maximum oppervlakte per bedrijfsboot: 8 m².

Ingevolge lid 18.3.1, voor zover van belang, gelden ter plaatse van de aanduiding "ligplaats" de volgende regels:

a. maximum aantal woonboten binnen de aanduiding "ligplaats": zoals met de aanduiding "maximumaantal boten" per aanduiding staat aangegeven;

[…];

c. maximum aantal bedrijfsboten binnen de aanduiding "specifieke vorm van water - bedrijfsboot"; zoals met de aanduiding "maximum aantal boten" per aanduidingsvlak staat aangegeven;

d. maximum aantal rondvaartboten binnen de aanduiding "specifieke vorm van water - rondvaartboot": zoals met de aanduiding "aantal rondvaartboten (maximaal)" per aanduidingsvlak staat aangegeven;

e. maximum aantal objecten te water binnen de aanduiding "ligplaats": 0, tenzij binnen de aanduiding met de aanduiding "maximum aantal objecten" een aantal staat aangegeven;

f. maximum aantal vlotten binnen de aanduiding "ligplaats": 1 vlot per bedrijfsboot.

Ingevolge lid 18.3.2, aanhef en onder c, gelden voor de maatvoering van bedrijfsboten de volgende maxima:

1. hoogte: 2,5 m;

2. lengte: 20 m;

3. breedte: 4,25 m.

Ingevolge die aanhef en onder d gelden voor de maatvoering van rondvaartboten de volgende maxima:

1. hoogte: 2 m;

2. lengte: 30 m;

3. breedte: 4,5 m.

Ingevolge lid 18.3.3, aanhef en onder a, gelden voor de maatvoering van objecten te water de volgende maxima:

1. hoogte: 0,5 m;

2. lengte: 15 m;

3. breedte: 3,5 m.

Ingevolge lid 18.3.4, aanhef en onder a, geldt voor de maatvoering van vlotten een maximum oppervlak van 12 m².

Ingevolge lid 18.3.5 is op bedrijfsboten toegelaten:

a. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - bedrijfsboot": bedrijven die vallen onder categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en sociaal culturele activiteiten, met inachtneming van het hierna bepaalde onder b;

b. voor zover ter plaatse tevens de aanduiding "specifieke vorm van water - rondvaartboot" is aangegeven: uitsluitend kantoor of bedrijf ten behoeve van rondvaartboten.

Ingevolge artikel 1, lid 1.53, wordt in de regels verstaan onder object te water: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enige categorie vaartuigen en niet gebruikt wordt als woonverblijf, niet zijnde een vlot.

Ingevolge lid 1.75 wordt in de regels verstaan onder vlot: een drijvende constructie, niet zijnde een bouwwerk, een vaartuig of een object te water: die niet met constructieve voorzieningen met de ondergrond noch met de wal is verbonden en daardoor de eigenschap heeft behouden om zich in horizontale richting te verplaatsen.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat het als zodanig bestemmen van de rederij, ongeacht of deze onder het voorheen geldende plan legaal aanwezig was, gerechtvaardigd kan zijn. Hiertoe dienen in het kader van het nu voorliggende plan alle betrokken belangen te worden afgewogen, waarbij moet worden bezien in hoeverre de toegekende bestemmingen en aanduidingen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.4. Niet in geschil is dat de aanwezigheid van de steigers van Blue Boat Company in de Singelgracht in zekere mate ertoe bijdraagt dat de doorvaart van schepen wordt bemoeilijkt en dat drukke situaties en filevorming in de Singelgracht kunnen optreden. Vaststaat dat in verband met de capaciteit van de vaarweg in 2008 een ontmoetingsverbod is ingesteld. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de nautische veiligheid en een soepel verloop van het scheepvaartverkeer hierdoor zijn gewaarborgd. De Afdeling is van oordeel dat de deelraad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij van mening is dat hij zich op dit standpunt kon stellen, temeer nu ter zitting vast is komen te staan dat na het instellen van het ontmoetingsverbod meerdere aanvaringen met de kade ter hoogte van het perceel van [appellant sub 3] hebben plaatsgevonden. Gelet hierop is eveneens ontoereikend gemotiveerd dat als gevolg van de situering van de ligplaatsen en het ponton niet een zodanige engte wordt gecreëerd dat geen sprake is van strijd met de artikelen 7.01 en 7.02 van het Binnenvaartpolitiereglement. Het voorgaande in aanmerking genomen acht de Afdeling voorts ontoereikend gemotiveerd waarom het gerechtvaardigd is in afwijking van het Uitwerkingsbesluit Doorvaartprofielen uit 2007 dat aangeeft dat een minimale vrije vaarweg van 13 m aanwezig moet zijn, de aanduidingen "specifieke vorm van water - rondvaartboot" en "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" aan een zodanig oppervlak toe te kennen dat daaraan niet op alle delen van de vaarweg wordt voldaan.

2.4.5. Het betoog dat het ponton ten onrechte niet wordt aangemerkt als vlot, mist feitelijke grondslag. Hiertoe wordt overwogen dat het ponton als zodanig is bestemd op grond van artikel 18, lid 18.3.1, aanhef en onder f, van de planregels.

Met betrekking tot het betoog dat alleen ten aanzien van de bouw van steigers, die niet dienen als opstapplaats maxima zijn gesteld aan bouwhoogte en -oppervlak, hetgeen er in dit geval toe leidt dat het gehele bestemmingsvlak met de aanduidingen "specifieke vorm van water - rondvaartboot" en "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" kan worden bebouwd met steigers, wordt als volgt overwogen. Het maximale oppervlak dat voor steigers kan worden benut is - anders dan [appellant sub 3] betoogt - op de verbeelding, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder k, van de planregels, in het plan geregeld. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling overweegt echter dat [appellant sub 3] terecht betoogt dat in het plan geen maximale bouwhoogte is neergelegd voor steigers die dienen als opstapplaats. De raad heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd waarom voor de hoogte van steigers als hiervoor bedoeld, geen maximum is opgenomen in het plan.

2.4.6. Het betoog dat sprake is van strijd met het verbod in artikel 3.2.1, tweede lid, onder c, van de Keur van Waternet dat zonder vergunning van het waterschap geen ligplaats mag worden genomen of mag worden afgemeerd met een schip op zodanige wijze dat de onbelemmerde doorvaart wordt gehinderd in een strook van 2,5 m aan weerszijden van de as van de vaarweg, faalt. Voorts faalt het betoog dat het plandeel niet uitvoerbaar is, omdat het verboden is ligplaats te laten nemen door schepen zonder een vergunning op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater. Hierbij acht de Afdeling van belang de verklaring van Blue Boat Company ter zitting dat dat zij ten behoeve van haar rederij beschikt over alle benodigde vergunningen. De deelraad heeft hieraan toegevoegd dat - zo al een vergunning van het waterschap zou moeten worden aangevraagd - de verwachting is dat deze zo nodig met ontheffing kan worden verleend. [appellant sub 3] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het voorgaande in aanmerking genomen faalt eveneens het betoog dat het plan niet uitvoerbaar is, omdat het Ruimtelijk Afwegingskader Passagiersvaart Stadsdeel Oud-Zuid 2007 aan vergunningverlening in de weg staat.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het betoog dat het mogelijk maken van steigers in de Singelgracht gelet op het bepaalde in de Nota van Uitgangspunten Singelgrachtzone uit 1997 en de Nota Ruimtelijke randvoorwaarden Singelgrachtzone van 19 november 2003 zou moeten leiden tot vernietiging van het plan, reeds omdat daarin slechts uitgangspunten zijn vermeld. Niet is vermeld dat daarvan niet mag worden afgeweken.

2.4.7. De Afdeling overweegt voorts dat niet is gebleken dat de deelraad alvorens over te gaan tot vaststelling van het plan de bezwaren van [appellant sub 3] inzake de aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit in zijn besluitvorming heeft betrokken dan wel dat hij daar op andere wijze rekening mee heeft gehouden. Gelet hierop heeft de deelraad er onvoldoende blijk van gegeven dat de bedrijfsvoering in zoverre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en onzorgvuldig genomen.

Met betrekking tot het aspect geur heeft de deelraad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk dan wel niet gebruikelijk is om voor rondvaartboten onderzoek te verrichten naar het aspect geur. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Met betrekking tot het betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de richtafstand in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 die geldt voor bedrijven in de categorie "Binnenvaart (passagiersvaart en veerdiensten) met SBI-code 50.30, wordt overwogen dat voor bedrijven in deze categorie geen richtafstand geldt.

2.4.8. De deelraad heeft alsnog een nader stuk overgelegd, waarvan het onderzoek "Onderzoek naar de milieubelasting vanwege rederij Blue Boat Company te Amsterdam" van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht van de gemeente Amsterdam van maart 2012 deel uitmaakt. Dit onderzoek ziet op de aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit.

2.4.8.1. De deelraad stelt zich naar aanleiding van dit onderzoek op het standpunt dat wat betreft het aspect geluid sprake is van een beperkte overschrijding van de waarden in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim), maar dat het belang bij het als zodanig bestemmen van de rederij zwaarder weegt dan het belang van [appellant sub 3] dat is gericht op het verdwijnen dan wel het inperken van de bedrijfsactiviteiten van Blue Boat Company.

2.4.8.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Barim mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevels van woningen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk dag-, avond- en nachtperiode.

2.4.8.3. In het geluidsrapport staat dat de varende manoeuvrerende rondvaartboten de dominante geluidsbronnen vormen. De overige activiteiten zijn akoestisch niet relevant en zijn verder buiten beschouwing gelaten.

2.4.8.4. Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van varende en manoeuvrerende rondvaartboten is in het onderzoek vermeld dat ter plaatse van een aantal woningen aan het Max Euweplein de geluidsnorm van 50 dB(A) in de dagperiode met maximaal 3 dB(A) wordt overschreden. In de avondperiode wordt de geluidsnorm van 45 dB(A) bij een aantal woningen met 2 dB(A) overschreden. De normoverschrijding in de avondperiode ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 1] bedraagt ongeveer 1 dB(A). Met betrekking tot de maximale geluidsniveaus op de gevels van woningen is vermeld dat wordt voldaan aan de geluidsnorm van 70 dB(A) in de dagperiode. In de avondperiode wordt de geluidsnorm van 65 dB(A) ter plaatse van een aantal woningen aan het Max Euweplein met maximaal 3 dB(A) overschreden. Ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 1] wordt aan de norm van 65 dB(A) voldaan.

2.4.8.5. De Afdeling is van oordeel dat de deelraad zich naar aanleiding van de conclusies in het onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een dusdanige overschrijding van de normen uit het Barim als gevolg van de geluidsemissie van varende en manoeuvrerende rondvaartboten dat hij daarin aanleiding had moeten zien de rederij op de locatie aan de Stadhouderskade niet als zodanig te bestemmen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het onderzoek staat dat de overschrijding van de geluidsnormen kan worden voorkomen door het treffen van geluidsreducerende maatregelen aan de boten waarmee een geluidsreductie van 4 dB(A) haalbaar is. Voorts wordt in aanmerking genomen de verklaring van de deelraad ter zitting dat maatwerkvoorschriften zullen worden opgelegd. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.

2.4.8.6. De deelraad stelt zich naar aanleiding van het onderzoek voorts op het standpunt dat wat betreft het aspect luchtkwaliteit wordt voldaan aan de wettelijke normen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is.

2.4.8.7. Met betrekking tot het aspect bodem staat in het onderzoek dat bij Blue Boat Company één bodembedreigende activiteit plaatsvindt als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, namelijk de opslag van vloeistoffen in emballage. Voorts is vermeld dat de Dienst Milieu en Bouwtoezicht bij een controle ter plaatse van de rederij heeft geconstateerd dat alle genoemde vloeistoffen in een vloeistofdichte afsluitbare lekbak staan, zodat sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de deelraad zich naar aanleiding van het onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico van bodemverontreiniging niet dusdanig is dat dit aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat.

2.4.9. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de deelraad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit, voor zover deze zien op het plandeel met de bestemming "Water" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - aanlegsteiger 1", "specifieke vorm van water - rondvaartboot", "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" en "ligplaats" voor de gronden nabij het Max Euweplein, binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De deelraad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in 2.4.4 en 2.4.5 is overwogen alsnog toereikend onderzoek te verrichten naar de nautische veiligheid onderscheidenlijk een nadere afweging te maken omtrent het vaststellen van een maximale bouwhoogte voor steigers die dienen als opstapplaats, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.4.10. De Afdeling ziet aanleiding de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.5. De Stichting Medisch Centrum Jan van Goyen betoogt dat [appellant sub 2] en anderen zich in hun zienswijze niet hebben gericht tegen de aanduiding "maximum bouwhoogte 22 m" voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 2] en anderen zich in hun zienswijze hebben gericht tegen alle aanduidingen die aan de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 zijn toegekend. Gelet hierop faalt het betoog.

2.6. [appellant sub 2] en anderen richten zich tegen de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk" voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 alsmede het plandeel met de bestemming "Gemengd -1" dat is toegekend aan een gedeelte van het perceel Emmastraat 44, voor zover uitbreiding en intensivering van het gebruik van de Jan van Goyenkliniek mogelijk worden gemaakt. Zij vrezen voor een onaanvaardbare toename van de verkeersstromen en parkeerdruk. Verder betogen zij dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de aspecten verkeer, parkeren, geluid en externe veiligheid. [appellant sub 2] en anderen vrezen voorts voor een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] in de vorm van een aantasting van het uitzicht, privacyvermindering en een vermindering van daglichttoetreding. In dit verband wijzen zij erop dat een maximale bouwhoogte van 22 m is toegekend. Voor zover de deelraad zich op het standpunt stelt dat met voornoemde aspecten geen rekening hoeft te worden gehouden, omdat het vorige plan de thans voorziene uitbreiding van de Jan van Goyenkliniek reeds mogelijk maakte, betogen zij dat dit onjuist is. Voor zover de deelraad zich op het standpunt stelt dat de functiewijziging op het perceel Emmastraat 42 in een maatschappelijke functie wordt gecompenseerd doordat de kantoorbestemming voor de percelen Emmastraat 36 en 38 en Jan van Goyenkade 6 in het plan ten opzichte van het vorige plan "Noorder Amstelkanaal" uit 1994 is gewijzigd in een woonbestemming, betogen zij dat dit standpunt evenmin kan worden gevolgd, omdat die percelen in de bestaande situatie reeds worden gebruikt voor woondoeleinden.

[appellant sub 2] en anderen stellen verder dat de toegekende bestemming "Maatschappelijk" andere functies mogelijk maakt, bijvoorbeeld een school. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de ruimtelijke gevolgen voor de omgeving van een eventuele functiewijziging, aldus [appellant sub 2] en anderen. In dit verband betogen zij ook dat het begrip "maatschappelijke dienstverlening" in het plan te ruim is gedefinieerd. Volgens hen leidt dit tot rechtsonzekerheid.

[appellant sub 2] en anderen voeren voorts aan dat - anders dan in de zienswijzenota is vermeld - ten onrechte niet in de planregels behorend bij de bestemmingen "Tuin" en "Maatschappelijk" is vermeld dat een maximumoppervlakte voor parkeren is toegestaan van 30 m² of een maximum van twee parkeerplaatsen voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2.

[appellant sub 2] en anderen betogen verder dat moet worden betwijfeld of het plan, voor zover dit ziet op de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2, Emmastraat 42 en 44 economisch uitvoerbaar is. Zij voeren ook aan dat niet zeker is of het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor het perceel Emmastraat 42 uitvoerbaar is, omdat de woningonttrekkingsvergunning die voor het perceel Emmastraat 42 is verleend nog niet in rechte onaantastbaar is geworden.

2.6.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat een ernstige verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en anderen zich niet zal voordoen. Bovendien maakte het voorheen geldende plan een vergelijkbare uitbreiding van de Jan van Goyenkliniek mogelijk, aldus de deelraad. Verder stelt hij zich op het standpunt dat geen onderzoek hoeft te worden verricht naar de aspecten verkeer, parkeren, geluid en externe veiligheid van de voorziene uitbreiding. Volgens de deelraad is in dit geval immers zonder nader onderzoek duidelijk dat geen sprake is van aanzienlijke ruimtelijke gevolgen voor de omgeving, nu het plan voor de Jan van Goyenkliniek slechts voorziet in beperkte uitbreidingsmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan.

2.6.2. Blijkens de verbeelding zijn aan de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Tuin" toegekend. Aan een gedeelte van deze percelen zijn tevens de functieaanduidingen "bouwvlak" en "maximum bouwhoogte 22 m" toegekend. Aan een gedeelte van de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 is voorts de functieaanduiding "parkeerterrein" toegekend. Aan het perceel Emmastraat 44 is de bestemming "Gemengd - 1" met de functieaanduidingen "kantoor" en "specifieke vorm van gemengd - alle bouwlagen" toegekend. Tevens zijn aan een deel van dit perceel de aanduidingen "bouwvlak", "dienstverlening" en "maximum bouwhoogte 22 m" toegekend. Voorts is aan een gedeelte van dit perceel de functieaanduiding "parkeerterrein" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

[…];

f. maatschappelijke dienstverlening, uitsluitend binnen bebouwing in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder en op onbebouwd blijvende gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van dienstverlening - maatschappelijke dienstverlening";

g. zakelijke dienstverlening, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de aanduiding "dienstverlening";

h. kantoor, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de aanduiding "kantoor";

i. bedrijf, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder;

[…];

n. ondersteunende horeca, uitsluitend binnen detailhandel, dienstverlening en kantoor;

[…];

q. parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" op maaiveld en binnen bebouwing;

[…];

t. tuinen;

u. voetpaden.

Ingevolge lid 5.2.1 mag op en onder de in het eerste lid genoemde gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen slechts zijn toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.

Ingevolge lid 5.2.2 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. maximum bouwhoogte: zoals op de verbeelding aangegeven;

[…];

c. maximum bebouwingspercentage: 100%;

[…].

Ingevolge lid 5.4.2, aanhef en onder a, geldt voor de in lid 5.1 genoemde gronden voor bedrijf, detailhandel, consumentenverzorgende dienstverlening, maatschappelijke dienstverlening, zakelijke dienstverlening en kantoor een maximum brutovloeroppervlak van 300 m² per vestiging.

Ingevolge lid 5.4.5 geldt voor onbebouwde gronden dat uitsluitend het gebruik ten dienste van tuin is toegestaan, tenzij overeenkomstig een in lid 5.1 genoemde aanduiding tevens gebruik ten behoeve van maatschappelijke dienstverlening, terras of parkeervoorzieningen is toegestaan;

Ingevolge lid 5.4.6 zijn:

a. in afwijking van het bepaalde in lid 5.4.2 de op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande vestigingen met een groter brutovloeroppervlak toegestaan. Een verdere vergroting is niet toegestaan.

b. in afwijking van het bepaalde in lid 5.4.2 is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 2 bouwlagen" en "specifieke vorm van gemengd - alle bouwlagen" de op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige niet-woonfunctie in de eerste twee bouwlagen, het souterrain en/of kelder respectievelijk alle bouwlagen toegestaan. Een verdere uitbreiding is niet toegestaan.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke dienstverlening;

[…];

m. parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" op maaiveld en binnen bebouwing.

Ingevolge lid 14.2.2 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. maximum bouwhoogte: zoals op de verbeelding staat aangegeven.

[…];

c. maximum bebouwingspercentage binnen het bouwvlak: 100%;

[…].

Ingevolge lid 14.4.4 geldt, voor zover van belang, voor onbebouwde gronden dat uitsluitend het gebruik ten dienste van maatschappelijke dienstverlening en tuin is toegestaan, tenzij overeenkomstig een in lid 14.1 genoemde aanduiding tevens gebruik ten behoeve van parkeervoorzieningen is toegelaten.

Ingevolge artikel 1, lid 1.50, wordt in de regels verstaan onder maatschappelijke dienstverlening: het verlenen van diensten op het gebied van gezondheidszorg, sociaal-cultureel, welzijn, woonzorg, kinderopvang, onderwijs en educatie, sport, religie, overheid en vergelijkbare gebieden, waaronder mede ondergeschikte nevenfuncties ten behoeve van de diensten worden begrepen.

2.6.3. Voor zover de deelraad zich op het standpunt stelt dat het vorige bestemmingsplan voorzag in vergelijkbare mogelijkheden met betrekking tot uitbreiding van de Jan van Goyenkliniek, overweegt de Afdeling dat in het kader van het nu voorliggende plan alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre de plandelen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Met de enkele verwijzing naar het voorheen geldende bestemmingsplan heeft de raad het vorenstaande niet onderkend. Dit klemt temeer, nu aan de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 een ruime maatschappelijke bestemming is toegekend die ook andere functies mogelijk maakt dan het verlenen van diensten op het gebied van gezondheidszorg. Voorts is van belang dat aan voornoemde percelen alsmede aan het perceel Emmastraat 44 met de bestemming "Gemengd - 1" een maximale bouwhoogte van 22 m is toegekend, welke hoger is dan de feitelijk aanwezige bebouwing. Het besluit berust derhalve in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.6.4. Wat betreft het betoog dat in afwijking van hetgeen in reactie op de zienswijze van [appellant sub 2] en anderen is toegezegd, niet in de planregels behorend bij de bestemming "Tuin" en "Maatschappelijk" is vermeld dat een maximale oppervlakte voor parkeren is toegestaan van 30 m² of een maximaal aantal parkeerplaatsen voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota staat dat deze toezegging slechts ziet op gronden met de bestemming "Tuin". Blijkens de verbeelding omvat het oppervlak van de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "parkeerterrein" ongeveer 30 m². Gelet hierop en het bepaalde in artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder m, van de planregels is de toezegging die is gegeven in reactie op de zienswijze - anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen - in het plan neergelegd.

2.6.5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de deelraad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 alsmede het plandeel met de bestemming "Gemengd -1" dat is toegekend aan een gedeelte van het perceel Emmastraat 44, binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De deelraad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in 2.6.3 is overwogen alsnog toereikend te motiveren waarom hij de bestemming "Maatschappelijk" voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 aanvaardbaar acht alsmede waarom hij voor voornoemde percelen en het perceel Emmastraat 44 met de bestemming "Gemengd - 1" een maximale bouwhoogte van 22 m toelaatbaar acht en de bij voornoemde plandelen betrokken belangen af te wegen, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.6.6. De Afdeling ziet aanleiding de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen.

2.6.7. In de einduitspraak zal worden beslist over de beroepsgrond van [appellant sub 2] en anderen wat betreft de uitvoerbaarheid.

Proceskosten

2.7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. draagt de deelraad van het stadsdeel Zuid op om binnen 24 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen in 2.2.3 is overwogen het bestreden besluit ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Valeriusstraat 85a alsnog toereikend te motiveren;

- met inachtneming van hetgeen in 2.2.4 is overwogen een nadere afweging te maken omtrent toekenning van de aanduiding "parkeerterrein" aan het gehele perceel Valeriusstraat 85a;

- met inachtneming van hetgeen in 2.4.4 en 2.4.5 ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Water" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - aanlegsteiger 1", "specifieke vorm van water - rondvaartboot", "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" en "ligplaats" voor de gronden nabij het Max Euweplein alsnog toereikend onderzoek te verrichten naar de nautische veiligheid onderscheidenlijk een nadere afweging te maken omtrent het vaststellen van een maximale bouwhoogte voor steigers die dienen als opstapplaats;

- met inachtneming van hetgeen in 2.6.3 is overwogen alsnog toereikend te motiveren waarom de bestemming "Maatschappelijk" voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 aanvaardbaar is alsmede waarom voor voornoemde percelen en het perceel Emmastraat 44 met de bestemming "Gemengd - 1" een maximale bouwhoogte van 22 m toelaatbaar is en de bij voornoemde plandelen betrokken belangen af te wegen;

- dan wel voor zover het één of meer van de hiervoor genoemde plandelen betreft het besluit van 25 mei 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Museumkwartier en Valeriusbuurt" te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen;

II. treft de voorlopige voorziening dat het plandeel met de bestemming "Water" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - aanlegsteiger 1", "specifieke vorm van water - rondvaartboot", "specifieke vorm van water - bedrijfsboot" en "ligplaats" voor de gronden nabij het Max Euweplein en het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor de percelen Jan van Goyenkade 1 en 2 en Emmastraat 42 alsmede het plandeel met de bestemming "Gemengd -1" dat is toegekend aan een gedeelte van het perceel Emmastraat 44 worden geschorst totdat de Afdeling een einduitspraak heeft gedaan in deze zaak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Priem

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

646.