Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201113483/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Emmen, Oude Meerdijk" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113483/1/R4.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Emmen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Emmen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Emmen, Oude Meerdijk" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en A.T. Lubbers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Groenewegen en M. Briggeman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan maakt de bouw van 41 nieuwe woningen en een aantal verkeerstechnische wijzigingen mogelijk in het gebied aan weerszijden van de Oude Meerdijk in de zuidoostelijke hoek van de wijk Angelslo in Emmen.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad betoogt dat het beroep gelet op artikel 1.6, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het beroepschrift slechts een herhaling van en verwijzing naar de zienswijzen bevat die [appellante] naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. [appellante] heeft volgens de raad geen nieuwe feiten, omstandigheden of onderbouwing naar voren gebracht en is evenmin ingegaan op de reactie die de raad op de zienswijzen heeft gegeven.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is het beroep, in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, voor zover hier van belang, wordt het beroepschrift ondertekend en bevat ten minste de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2.2. In het beroepschrift is een aantal beroepsgronden vermeld, waarbij [appellante] tevens heeft verwezen naar de zienswijzen die zij naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet het beroepschrift hiermee aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep met toepassing van artikel 1.6, tweede lid, van de Chw niet-ontvankelijk te verklaren.

Geluidscherm

2.3. [appellante] voert aan dat het plan ten onrechte niet duidelijk maakt hoe het geluidscherm langs de Rondweg zal worden uitgevoerd. Volgens haar is uitsluitend de lengte van het geluidscherm op een tekening weergegeven en zijn aspecten als de hoogte, samenstelling en kleur ten onrechte niet in het plan vastgelegd.

Voorts voert [appellante] aan dat het plan ten onrechte mogelijk maakt dat het geluidscherm tussen haar woning aan de Oude Meerdijk 66 en de parallelweg wordt geplaatst, waardoor haar uitzicht onevenredig wordt beperkt.

2.3.1. Ter hoogte van de woning van [appellante] is op de verbeelding voor een deel van de gronden met de bestemming "Groen" langs de Rondweg over een lengte van ongeveer 200 meter de aanduiding "geluidscherm" opgenomen. Aan een strook grond ten westen van deze aanduiding is de dubbelbestemming "Leiding - Gas" toegekend.

Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels volgt dat op gronden met de bestemming "Groen" uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" een geluidscherm mag worden opgericht. Uit de verbeelding blijkt dat de aanduiding "geluidscherm" niet is toegekend aan de gronden tussen de woning van [appellante] en de parallelweg, maar uitsluitend aan de gronden aan de oostzijde van de huidige parallelweg, tussen de parallelweg en de Rondweg. Voor zover artikel 13 van de planregels mogelijkheden bevat voor het college van burgemeester en wethouders om ten behoeve van de bouw van het geluidscherm in enige mate af te wijken van de beperkingen die artikel 3 van de planregels stelt aan de situering van het geluidscherm, overweegt de Afdeling dat op de verbeelding ten westen van de aanduiding voor het geluidscherm een strook is weergegeven met de dubbelbestemming "Leiding - Gas" en dat artikel 9 van de planregels op gronden met die dubbelbestemming uitsluitend de bouw van bouwwerken ten dienste van de ondergrondse hogedrukleiding toestaat. Uit het voorgaande volgt dat het plan de oprichting van een geluidscherm tussen de woning van [appellante] en de parallelweg niet mogelijk maakt. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

Op grond van artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels geldt voor het geluidscherm een maximale bouwhoogte van 6 meter. Het beroep mist ook in zoverre feitelijke grondslag. Voor het overige ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid toe heeft kunnen besluiten in de planregels geen nadere regels over de samenstelling, kleur en overige vormgevingsaspecten van het geluidscherm op te nemen, voor zover mogelijk.

Deze beroepsgronden falen.

Bestrating

2.4. De bezwaren van [appellante] over de bestrating ter hoogte van haar woning betreffen uitsluitend de feitelijke uitvoering van het plan. Nu deze bezwaren derhalve niet de rechtmatigheid van het bestreden besluit tot vaststelling van het plan betreffen, kunnen zij niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Deze beroepsgrond faalt.

Verandering karakter omgeving en waardedaling woning

2.5. [appellante] voert verder aan dat als gevolg van het plan de omgeving van haar woning zal veranderen van een landelijke omgeving met veel ruimte en groen naar een dicht bebouwde omgeving. Zij vreest met name dat de waarde van haar woning hierdoor zal verminderen.

2.5.1. Volgens de raad maakt het plan in de nieuwe woonwijk geen dichte bebouwing mogelijk, nu het plan 41 vrijstaande woningen mogelijk maakt en uitgaat van een ruime stedenbouwkundige opzet in combinatie met ingepaste landschappelijke kenmerken. De raad stelt zich verder op het standpunt dat het plan leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de omgeving, onder meer omdat het plan, anders dan het voorheen geldende bestemmingsplan, de vestiging van een tankstation op het terrein ten westen van de woning van [appellante] niet meer mogelijk maakt.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk dan aan het behoud van een ongewijzigd uitzicht en een ongewijzigde leefomgeving voor [appellante].

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die eventuele waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

Geïsoleerde ligging woning

2.6. [appellante] betoogt dat haar woning als gevolg van het plan te geïsoleerd en buiten de nieuwe woonwijk komt te liggen. Zij voert aan dat de bereikbaarheid van de woning verslechtert, nu de woning op grond van het plan alleen nog bereikbaar zal zijn via een smalle straat die normaliter alleen bestemd is voor fietsers en de bestaande aansluiting op de Rondweg via de parallelweg komt te vervallen. Daarnaast verandert de leefomgeving volgens [appellante] van levendig naar saai en eentonig. [appellante] voert verder aan dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor een van de twee alternatieven voor de verlegging van de Oude Meerdijk die zij in haar zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan heeft voorgesteld. Deze alternatieven verminderen volgens haar de geïsoleerde ligging van haar woning ten opzichte van de nieuwe woonwijk.

2.6.1. De woning van [appellante] bevindt zich buiten de nieuwe woonwijk die het plan mogelijk maakt. Volgens de raad was het niet mogelijk deze woning geheel in de nieuwe woonwijk op te nemen. De raad betoogt in dat verband dat de bouw van nieuwe woningen op korte afstand van de woning van [appellante] niet mogelijk is, omdat verkeersgeluid van de Rondweg en de aanwezigheid van een hogedrukgastransportleiding daarvoor planologische belemmeringen opleveren. Bovendien zijn daaraan volgens de raad mogelijk andere nadelen voor [appellante] verbonden.

De raad stelt verder dat de ligging van de woning thans ook al enigszins geïsoleerd is. De woning staat in de huidige situatie niet in een woonwijk en na de realisering van het plan evenmin. In zoverre leidt het plan volgens de raad niet tot een verandering van de situatie. De afstand tot centra en andere voorzieningen verandert ook niet, nu deze langs dezelfde route en op dezelfde wijze bereikbaar blijven, aldus de raad.

Ten aanzien van de alternatieven die [appellante] in de zienswijzen heeft voorgesteld, stelt de raad zich op het standpunt dat het eerste alternatief niet wenselijk is, omdat daarbij de beoogde structuur van de nieuwe woonwijk wordt aangetast en een kavel voor woningbouw vervalt. Het tweede alternatief is volgens de raad niet uitvoerbaar vanwege de aanwezigheid van de ondergrondse hogedrukleiding.

De raad erkent dat de bestaande aansluiting op de Rondweg via een parallelweg zal verdwijnen als gevolg van het plan. Hiertoe is volgens de raad besloten om een onwenselijke toename van verkeer op deze weg, die vooral bedoeld en geschikt is voor fietsers en ander langzaam verkeer, te voorkomen. De raad stelt dat aan de huidige situatie geen recht op een directe aansluiting op de Rondweg kan worden ontleend. Hij wijst er in dat verband op dat de Rondweg een doorgaande autoweg is en geen route is voor een directe verbinding met eindbestemmingen. De bereikbaarheid van de woning van [appellante] is volgens de raad echter voldoende gewaarborgd, omdat de woning aan de westzijde via de Oude Meerdijk per auto bereikbaar blijft. Ter zitting heeft de raad voorts verklaard dat de woning voor hulpdiensten via de parallelweg bereikbaar blijft.

2.6.2. Ten aanzien van de bereikbaarheid overweegt de Afdeling het volgende.

Ter zitting is gebleken dat de enige in- en uitrit van het perceel van [appellante] zich aan de Oude Meerdijk ten noorden van de woning bevindt. Op de verbeelding is aan de huidige Oude Meerdijk ten noorden van de woning tot aan de bocht ter hoogte van de oostelijke perceelsgrens de bestemming "Verkeer - verblijfsgebied" toegekend. Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor woonstraten en wegen voor de ontsluiting van de aanliggende percelen. Het plan sluit het gebruik van dit deel van de Oude Meerdijk voor gemotoriseerd verkeer derhalve niet uit. Uit het plan als zodanig vloeien dan ook geen beperkingen voort voor de ontsluiting van de woning van [appellante] in westelijke richting via de Oude Meerdijk. Eventuele beperkingen kunnen ontstaan als gevolg van een toekomstig verkeersbesluit dat de Oude Meerdijk ten westen van de woning van [appellante] gesloten verklaart voor gemotoriseerd verkeer, maar uit de stukken blijkt dat de raad voornemens is de woning van [appellante] vanaf de Oude Meerdijk bereikbaar te laten blijven voor bestemmingsverkeer. De Afdeling overweegt dat deze beperkingen in deze procedure niet ter beoordeling staan.

De huidige parallelweg van de Rondweg maakt deel uit van een gebied waaraan in het plan de bestemming "Groen" is toegekend. Uit artikel 3.1 van de planregels volgt dat ter plaatse van de bestemming "Groen" fiets- en voetpaden zijn toegestaan, maar wegen voor gemotoriseerd verkeer niet. Het plan maakt het thans nog bestaande gebruik van de parallelweg voor gemotoriseerd verkeer derhalve niet meer mogelijk. Hiermee vervalt de aansluiting op de Rondweg via de parallelweg vanaf de Oude Meerdijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiertoe, na afweging van alle belangen, in redelijkheid kunnen besluiten. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad vreest voor een toename van het autoverkeer over de parallelweg vanuit de nieuwe woonwijk met een onveilige verkeerssituatie voor langzaam verkeer als gevolg, dat de parallelweg volgens de raad nooit is bedoeld als primaire ontsluiting van dit gebied, dat hulpdiensten gebruik kunnen blijven maken van de parallelweg en dat de bereikbaarheid van de woning van [appellante] via de westzijde is gewaarborgd.

2.6.3. Ook overigens is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woning van [appellante] als gevolg van de vaststelling van het plan niet in ernstige mate geïsoleerd raakt van de omgeving, mede in vergelijking met de bestaande situatie. Voor zover [appellante] alternatieven voor de wegenstructuur nabij haar woning naar voren heeft gebracht, heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten deze alternatieven niet in het plan op te nemen, nu het eerste alternatief afbreuk doet aan de door de raad gewenste structuur van de nieuwe woonwijk en daarnaast tot verlies van één bouwkavel leidt, alsmede nu aannemelijk is geworden dat de aanwezige ondergrondse hogedrukgastransportleiding aan de verwezenlijking van het tweede alternatief in de weg staat.

2.6.4. Deze beroepsgronden falen.

Conclusie

2.7. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

483.