Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201111907/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur [appellant] onder oplegging van dwangsommen, voor zover hier van belang, gelast het bedrijfsmatig gebruik van de woningen op het perceel [locatie 1], [locatie 2] tot en met [locatie 3] op de tweede bouwlaag en hoger te Amsterdam (hierna: de woningen) te (laten) staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3962
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111907/1/A1.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Uitgeest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2011 in zaak nr. 11/733 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur [appellant] onder oplegging van dwangsommen, voor zover hier van belang, gelast het bedrijfsmatig gebruik van de woningen op het perceel [locatie 1], [locatie 2] tot en met [locatie 3] op de tweede bouwlaag en hoger te Amsterdam (hierna: de woningen) te (laten) staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 2 augustus 2010 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 9 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2011, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. H.D. Hosper, werkzaam bij het stadsdeel, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en ten vierde, van de Woningwet, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang en voor zover hier van belang, is het verboden een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid.

Het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit) bevatten zulke voorschriften.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet als overtreder van de aan de last ten grondslag gelegde voorschriften kan worden aangemerkt, zodat het dagelijks bestuur niet handhavend kon optreden. Hiertoe voert hij aan dat hij niet wist dat de woningen hotelmatig werden geëxploiteerd. De woningen werden ten tijde van het besluit van 21 december 2010 door hem aan MBM Horeca B.V. verhuurd, aldus [appellant].

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het hotelmatig exploiteren van de woningen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Rembrandtplein e.o.". Zoals de Afdeling evenwel eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200708557/1, is met artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Invoeringswet Wro) beoogd te bepalen dat een bestemmingsplan dat op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) tot stand is gekomen het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had. Het onder de WRO tot stand gekomen bestemmingsplan is in werking getreden op 18 februari 2000. Dit brengt mee dat het in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod, dat uitsluitend tot de gebruiker is gericht, ook na de invoering van de Wro en de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 zijn werking heeft behouden. Artikel 7.10 van de Wro, waarin een algemeen gebruiksverbod is opgenomen, dat ook betrekking heeft op het laten gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, is niet van toepassing op het op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande, heeft het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellant] als overtreder van dit verbod kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.3. Gelet op het onder 2.2.1. overwogene wordt niet toegekomen aan het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur van handhavend optreden ter zake van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woningen had behoren af te zien, omdat concreet zicht op legalisering bestond.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 21 december 2010 vernietigen. De Afdeling zal onderzoeken of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

2.5. De in bezwaar gehandhaafde last is mede gebaseerd op overtreding van artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en ten vierde, van de Woningwet. Nu het op grond van deze bepalingen ook verboden is een bouwwerk anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid te laten gebruiken, heeft het dagelijks bestuur [appellant] terecht als overtreder van deze bepalingen aangemerkt. Dat de woningen door [appellant] ten tijde van het nemen van het besluit van 21 december 2010 aan MBM Horeca B.V. werden verhuurd, leidt niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de woningen hotelmatig werden geëxploiteerd. Van hem mocht worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeerde over het gebruik dat van de door hem verhuurde woningen werd gemaakt.

2.6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2011 in zaak nr. 11/733;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum van 21 december 2010;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 379,00 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

414-593.