Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201112324/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 22 april 2008 heeft het college aan B.V. Radix & Veerman Beheer onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee appartementencomplexen met elk zes woningen op het perceel, plaatselijk bekend als het voormalige HOVO-terrein, op de hoek van de Kerkweg en de Schaikseweg in Schoonrewoerd (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112324/1/A1.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Leerdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Schoonrewoerd, gemeente Leerdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 21 oktober 2011 in de zaken nrs. 10/1096 en 10/1097 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leerdam.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 22 april 2008 heeft het college aan B.V. Radix & Veerman Beheer onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee appartementencomplexen met elk zes woningen op het perceel, plaatselijk bekend als het voormalige HOVO-terrein, op de hoek van de Kerkweg en de Schaikseweg in Schoonrewoerd (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 16 december 2008 heeft het de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2010 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

Bij uitspraak van 25 juni 2010 in zaak nr. 201003957/2/H1 heeft de Afdeling het door het college daartegen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Op 13 juli 2010 heeft het college aan Radix & Veerman Beheer onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee appartementencomplexen met elk zes woningen op het perceel. Op 16 juli 2010 heeft het de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de besluiten van 22 april 2008 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden aangevuld bij brief van 11 januari 2012. [appellant sub 2] heeft dat gedaan bij brief van 13 januari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan door A. Menhart, en het college, vertegenwoordigd door A.A. Siesling, werkzaam in dienst van de gemeente en M.K. Moerman, werkzaam bij omgevingsdienst Zuid-Holland zuid, zijn verschenen. Voorts is daar Radix & Veerman Beheer, vertegenwoordigd door L.E.G. van Doornum, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van twee appartementencomplexen met elk zes woningen met bergingen op het perceel en de aanleg van parkeerplaatsen.

2.2. [appellant sub 1] betoogt tevergeefs dat de rechtbank het college ten onrechte bevoegd heeft geacht om een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren te nemen. Het college was gehouden opnieuw op de door hem en [appellant sub 2] gemaakte bezwaren te besluiten, nadat de rechtbank de besluiten van 16 december 2008 had vernietigd.

2.3. [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de brieven van 16 juli 2010 primaire besluiten bevatten, waartegen geen beroep ingesteld kon worden, maar bezwaar open stond. Daartoe voert hij aan dat het college bij besluiten van 13 juli 2010 opnieuw vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend en deze besluiten opnieuw heeft gepubliceerd. De besluiten van 22 april 2008 zijn daarmee vervallen, aldus [appellant sub 1].

2.3.1. Ook dat betoog faalt. De op 13 juli 2010 aan Radix & Veerman Beheer verleende vrijstelling en bouwvergunning zijn geen los van de gemaakte bezwaren genomen primaire besluiten, maar deel van de besluiten daarop. De brieven van 13 en 16 juli 2010 moet worden begrepen als de samenstellende delen van de na heroverweging naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2010 opnieuw genomen besluiten op de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte bezwaren. Tezamen worden zij hierna aangeduid als de besluiten van 16 juli 2010.

2.4. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen verder dat de rechtbank, door te overwegen dat het college terecht van het opnieuw horen heeft afgezien, alvorens de besluiten van 16 juli 2010 te nemen, heeft miskend dat het aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegde bodem- en grondwateronderzoek en het onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet niet meer actueel zijn en met de overweging in de uitspraak van 12 maart 2010 dat het bouwplan op meer punten strijd is met het bestemmingsplan is komen vast te staan dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200905160/1/H3), is in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geen algemene verplichting opgenomen om bezwaarden bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een rechterlijke uitspraak, waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd, opnieuw te horen, maar kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid nodig zijn om dat te doen. De rechtbank heeft dat laatste in dit geval terecht niet aangenomen. Zij heeft daarbij met juistheid in aanmerking genomen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden, in verband waarmee het in de ruimtelijke onderbouwing, onder verwijzing naar de door [appellant sub 2] bedoelde onderzoeken, ingenomen standpunt niet meer actueel kan worden geacht. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat bodem- en grondwateronderzoek niet noodzakelijk is, nu op het perceel sinds 1990 geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden. De aangehaalde uitspraak van 12 maart 2010 leidt niet tot een ander oordeel. Volgens het verslag van de hoorzitting van 2 september 2008 hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hun bezwaren bij die gelegenheid toegelicht. Het college is in de besluiten van 16 juli 2010 niet van het eerder ingenomen standpunt dat onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning kan worden verleend afgeweken. Het heeft zich bij de voormelde besluiten gebaseerd op dezelfde feiten en omstandigheden als bij de besluiten van 16 december 2008. De verwijzing van [appellant sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2005 in zaak nr. 200410140/1 leidt evenmin tot een ander oordeel, nu anders dan in dat geval, hier het planologische regime niet is gewijzigd.

De betogen falen.

2.5. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpskern Schoonrewoerd" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B)", "Water (W)", "Verkeersdoeleinden (V)" en "Woondoeleinden (W)".

Op de plankaart is voor het gedeelte van het perceel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" een maximale goothoogte van 7 m en voor het gedeelte met de bestemming "Woondoeleinden (W)" een maximale goothoogte van 6 m opgenomen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder bebouwingspercentage verstaan: op de kaart of in de voorschriften aangegeven percentage dat aangeeft hoeveel van het bebouwingsvlak van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mag het bebouwingsvlak van het desbetreffende bouwperceel volledig worden bebouwd, aldus die bepaling.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 6, wordt onder bebouwingsvlak verstaan: een op de kaart als zodanig aangegeven vlak, dat niet door bebouwing mag worden overschreden, tenzij die overschrijding krachtens deze voorschriften is of kan worden toegestaan.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, geeft het op de kaart achter een letter of in combinatie van letters ingeschreven Arabisch cijfer, niet geplaatst tussen haakjes, de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen in meters aan, dan wel - voor zover een platte afdekking wordt toegepast - de maximaal toelaatbare hoogte van het boeibord van het platte dak. Indien op de kaart geen maximale bouwhoogte is aangegeven, geldt als maximaal toelaatbare bouwhoogte de maximaal toelaatbare goothoogte + 5 m, aldus die bepaling.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mag de in het eerste lid bedoelde hoogte worden overschreden, als op de kaart de goot- of boeibordhoogte is aangegeven door hellende dakvlakken, topgevels en dakkapellen.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, mag de maximaal toelaatbare goot- of boeibordhoogte van vrijstaande bijgebouwen 3 m zijn en de bouwhoogte 4,5 m, tenzij in hoofdstuk II of de overige voorschriften anders is bepaald.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de gronden, aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" bestemd voor bedrijven, bedrijfswoningen en parkeerplaatsen, alsmede groenvoorzieningen en waterpartijen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, mogen op de gronden met die bestemming uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met diens verstande dat, voor zover op de plankaart geen bebouwingspercentage is vermeld, de gronden volledig mogen worden bebouwd.

Ingevolge het tweede lid, onder f, voor zover thans van belang, dient, indien bijgebouwen en aanbouwen naast of aan het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd, de voorgevel ervan ten minste 3 m achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw of het verlengde daarvan te liggen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, zijn de gronden, aangewezen voor "Verkeersdoeleinden (V)", bestemd voor rijweg, voetgangersgebieden, fiets-en voetpaden, met bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, mogen op de gronden, aangewezen voor "Verkeersdoeleinden (V)" uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

Ingevolge artikel 26, eerste lid zijn de gronden, aangewezen voor "Water (W)", primair bestemd voor wateraan- en afvoer, alsmede voor de waterberging.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mogen op en boven deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals deze wet ten tijde van belang en voor zover thans van belang luidde, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied, aldus die bepaling.

2.6. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu zowel het bebouwingsvlak, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, als het maximale bebouwingspercentage, als bedoeld in het tweede lid, onder b, gelezen in verbinding met de plankaart, worden overschreden. Voorts is het, nu het voorziet in het oprichten van woningen, in strijd met de op het perceel rustende bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B)", "Verkeersdoeleinden (V)" en "Water (W)". Ten slotte is het in strijd met artikel 15, tweede lid, onder f van de bestemmingsplanvoorschriften, nu de bergingen, behorende bij het appartementencomplex dat op de bouwtekening is aangegeven als blok 1, niet achter de voorgevel, dan wel in het verlengde daarvan zijn gelegen.

Om realisering ervan niettemin mogelijk te kunnen maken, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen vrijstelling kon verlenen, nu het perceel buiten de bebouwingscontour, bedoeld in het streekplan Zuid-Holland Oost 2003 (hierna: het streekplan), is gelegen.

2.7.1. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben bij besluit van 9 oktober 2007 de categorieën van gevallen aangewezen, waarin burgermeester en wethouders, zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar, krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het desbetreffende project kunnen verlenen (hierna: de provinciale vrijstellingenlijst). Het gebied, waartoe het perceel behoort, is in het streekplan aangewezen als bestaand stads- en dorpsgebied en valt binnen de bebouwingscontouren en is derhalve het gelegen in stedelijk gebied, als bedoeld in de provinciale vrijstellingenlijst. Volgens de provinciale vrijstellingenlijst kan in een dergelijk geval zonder een verklaring van geen bezwaar vrijstelling worden verleend voor het bouwen ten behoeve van de woonfunctie, inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen en voor het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie. Nu het perceel binnen de bebouwingscontour is gelegen en het bouwplan in het omzetten van een bestaande functie naar een woonfunctie voorziet, heeft de rechtbank het college terecht bevoegd geacht om krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Dat het perceel, naar gesteld, thans buiten de bebouwingscontour is gelegen, leidt niet tot een ander oordeel, nu de wijziging van de bebouwingscontour na de besluiten van 16 juli 2010 heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college, gelet op de betrokken belangen, niet in redelijkheid ten behoeve van het bouwplan vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij voeren daartoe aan dat realisering van het bouwplan niet in het belang van de volkshuisvesting is. Het college heeft ten onrechte geen rekening gehouden met geluid-, stof- en stankhinder, vermindering van lichtinval en woongenot en gezondheidsrisico's als gevolg van realisering van het bouwplan, aldus [appellant sub 2] en [appellant sub 1]. Indien in overeenstemming met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand zou worden gebouwd, zouden de gebouwen lager zijn. Het bouwplan zou voorts op een andere, minder bezwaarlijke, wijze worden gerealiseerd en realisering ervan leidt tot waardevermindering van zijn woning, aldus [appellant sub 1].

2.8.1. Het college heeft onder verwijzing naar het beleidskader voor bestemmingsplannen van 31 mei 2001, in opdracht van de gemeente Leerdam opgesteld door het adviesbureau voor ruimtelijk beleid ontwikkeling en inrichting (hierna: het beleidskader), en de Beleidsnota Volkshuisvesting 2005-2010 van de gemeente, vastgesteld op 14 april 2005 door de gemeenteraad van Leerdam (hierna: de beleidsnota), besloten om in het belang van volkshuisvesting aan realisering van het bouwplan mee te werken. Volgens het beleidskader wordt ernaar gestreefd om bedrijven die daadwerkelijk hinder veroorzaken en, gelet op hun omvang, dan wel aard van hun activiteiten, niet in een woonomgeving passen, te verplaatsen. Eén van de vermelde bedrijven is de voorheen op het perceel geëxploiteerde onderneming. Volgens de beleidsnota is het beleid van de gemeente erop gericht om een gedifferentieerde en toereikende woningvoorraad te creëren. De rechtbank heeft [appellant sub 2] en [appellant sub 1] terecht niet gevolgd in hun betoog dat het beleidskader niet gevolgd mocht worden omdat het op dit punt verouderd is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college onweersproken heeft gesteld dat de uitgangspunten van de beleidsnota in het nieuwe in voorbereiding zijnde beleid worden overgenomen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in het belang van de volkshuisvesting is en daarom vrijstelling verleend mag worden. Dat, als gesteld, onduidelijkheid bestaat over de doelgroep en de verkoopbaarheid van de woningen leidt niet tot een ander oordeel, nu het beleid erop gericht is meer woningen voor verschillende doelgroepen beschikbaar te krijgen en meer inwoners te trekken.

2.8.2. Voorts heeft de rechtbank in de door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] gestelde alternatieven terecht geen aanleiding gevonden voor dat oordeel. Het college diende, zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2006 in zaak nr. 200505109/1 terecht heeft overwogen, te beslissen over het bouwplan, zoals dat voorlag. Indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kunnen alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft dat terecht niet aannemelijk gemaakt geacht.

2.8.3. Het in beroep aangevoerde ten aanzien van de vermindering van lichtinval, veroorzaakt door de hoogte van de gebouwen, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gegeven voor dat oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college zich naar aanleiding van het door vergunninghoudster bij de aanvraag overgelegde en door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] als zodanig niet weersproken bezonningsonderzoek, op het standpunt heeft gesteld de lichtvermindering ten gevolge van realisering van het bouwplan niet onevenredig is. Voorts wordt in aanmerking genomen dat, indien in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt gebouwd, op het gedeelte van het perceel, waarop de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" rust en op het gedeelte, waarop de bestemming "Woondoeleinden (W)" rust, ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de plankaart, oprichten van gebouwen van 12 m, onderscheidenlijk 11 m hoogte is toegestaan. Het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 10,38 m. De ingevolge het bestemmingsplan op het perceel toegestane maximale bouwhoogte wordt derhalve, anders dan [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen, niet overschreden. De stelling van [appellant sub 2] dat het bouwplan de uit redelijke eisen van welstand voorvloeiende maximale hoogte overschrijdt, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college zich, onder verwijzing naar het positieve advies van de welstandscommissie Stichting "Dorp, Stad & Land" van 18 april 2003, op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet met redelijke eisen van welstand in strijd is en niet is gesteld dat dat advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het deswege niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

2.8.4. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd over de geluidtoename, leidt evenmin tot dat oordeel.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, aanhef, van de Wet geluidhinder heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg.

In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat het eerste lid niet geldt met betrekking tot wegen, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt.

Ingevolge artikel 76a, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden bij het verlenen van een vrijstelling, krachtens artikel 19 van de WRO die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone, als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg, waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Niet in geschil is dat ter plaatse een maximum snelheid van 30 km per uur geldt, zodat, ingevolge voormeld artikel 74, tweede lid, onder b, daarop de geluidzones, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, niet van toepassing zijn. Het college behoefde bij het verlenen van de vrijstelling dan ook de waarden die ingevolge de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a van de Wet geluidhinder als de hoogst toelaatbare worden aangemerkt niet in acht te nemen. Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of het geluidsniveau op deze wegen aanvaardbaar is. Daarbij is getoetst aan de uiterste grenswaarden van de geluidsbelasting, zoals die volgen uit het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2006, en is geconcludeerd dat die niet worden overschreden. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben dat niet, althans niet gemotiveerd, weersproken.

2.8.5. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over gezondheidsrisico's hebben aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat het college zich, onder verwijzing naar de informatie van de beheerder van het zogenoemde trafohuisje, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de elektromagnetische straling onder de blootstellingsnormen blijft. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het college onweersproken heeft gesteld dat het plaatsen van de appartementencomplexen in de nabijheid van het trafohuisje niet schadelijk is voor de gezondheid van de toekomstige bewoners, nu de stenen ommanteling een isolatie vormt voor de omgeving. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten aanzien van stof- en stankhinder hebben gesteld, slaagt reeds niet, omdat zij die stelling niet nader hebben toegelicht. Wat de door [appellant sub 1] gestelde waardevermindering van zijn woning betreft, kan hij, indien hij als gevolg van de planologische ontwikkeling schade lijdt, om vergoeding daarvan verzoeken. Het gestelde heeft de rechtbank terecht niet tot voormeld oordeel geleid.

De betogen falen.

2.9. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien, heeft miskend dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd, waarom het vrijstelling heeft verleend van de overschrijding van het bebouwingspercentage en het bebouwingsvlak, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften. Voorts heeft zij aldus miskend dat het bouwplan niet binnen de door de raad bij besluit van 11 oktober 2001 geformuleerde stedenbouwkundige randvoorwaarden past. Het appartementencomplex dat op de bouwtekening als blok 2 is aangeduid versterkt de historische hoofdstructuur niet en met het complex wordt elke ruimte voor doorzichten, beperkt groen en openheid ontnomen, aldus [appellant sub 2]. Het bouwplan ziet niet op de gehele bouwlocatie en voorziet in meer dan twaalf woningen, hetgeen volgens [appellant sub 1] eveneens in strijd is met de geformuleerde randvoorwaarden. [appellant sub 2] voert verder aan dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet op de relatie tussen het bouwplan en het bestemmingsplan is ingegaan.

2.9.1. De rechtbank heeft in hetgeen in beroep is aangevoerd terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college aan de vrijstelling geen toereikende ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd. Het heeft aan de besluiten van 16 juli 2010 de ruimtelijke onderbouwing "Hovo-terrein" van 2 mei 2007 ten grondslag gelegd. Daarin is uiteengezet dat het perceel in de toelichting van het bestemmingsplan als mogelijke ontwikkelingslocatie wordt vermeld, waarbij een omzetting van de huidige bedrijfsbestemming naar woningbouw wordt beoogd. Voorts heeft het in aanmerking genomen dat, indien in overeenstemming met het bestemmingsplan zou worden gebouwd, ook hoge gebouwen gerealiseerd zouden mogen worden. Gelet hierop heeft de rechtbank [appellant sub 2] en [appellant sub 1] terecht niet gevolgd in het betoog dat ten onrechte niet op de relatie met het huidige en toekomstige bestemmingsplan is ingegaan.

In de ruimtelijke onderbouwing is voorts uiteengezet dat het bouwplan binnen de geformuleerde stedenbouwkundige randvoorwaarden past. Volgens de ruimtelijke onderbouwing blijft het doorzicht behouden, doordat het bouwplan voorziet in twee kleinschalige appartementencomplexen. Voorts voorziet het bouwplan in een openbare ruimte met hagen en parkeergelegenheden. Anders dan [appellant sub 1] stelt, voorziet het in twaalf woningen en is dat in overeenstemming met de stedenbouwkundige randvoorwaarden. Dat vergunninghoudster, naar [appellant sub 1] stelt, voornemens is om meer woningen te realiseren, maakt dat niet anders, nu de onder vrijstelling van het bestemmingsplan verleende bouwvergunning daar niet toe strekt.

De rechtbank heeft voorts terecht in het in beroep aangevoerde evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het, lettend op het belang van volkshuisvesting dat met realisering van het bouwplan is gediend en gezien de mogelijkheden die het bestemmingsplan reeds toestaat, wenst mee te werken aan het verlenen van vrijstelling voor onder meer de overschrijding van het bebouwingspercentage en het bebouwingsvlak, als bedoeld in artikel 15 van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant sub 2] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan ook met het bestemmingsplan in strijd is, doordat de maximale boeibordhoogte van de bergingen met 0,3 m wordt overschreden en het college daarvan geen vrijstelling heeft verleend. Het college heeft bij de besluiten van 16 juli 2010 vrijstelling verleend voor de overschrijding van de maximale boeibordhoogte, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften. Daartoe heeft het in aanmerking genomen dat het om een marginale overschrijding gaat en het, gelet op het belang van volkshuisvesting, aan het realiseren van het bouwplan wenst mee te werken.

2.11. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat de Flora- en Faunawet aan vrijstelling in de weg stond. Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de op het perceel aanwezige diersoorten die onder categorie 3 van de Flora- en Faunawet vallen. [appellant sub 1] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij aannemelijk moet maken dat op het perceel beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn. Voorts voert hij aan dat de op het perceel aanwezig beeldbepalende groenstrook zonder de daarvoor vereiste vergunning is gekapt.

2.11.1. Het college zou geen vrijstelling voor het bouwplan hebben mogen verlenen, indien en voor zover op voorhand duidelijk was dat de Flora- en Faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing op het standpunt heeft mogen stellen dat niet het geval is, nu in het gebied geen beschermde plantsoorten aanwezig zijn, voor het verstoren waarvan ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet is vereist. In de ruimtelijke onderbouwing wordt opgemerkt dat onderzocht dient te worden of er vleermuizen in de nog te slopen gebouwen zijn. Indien die er zijn, zal naar verwachting ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet worden verleend, indien in de nieuw te bouwen woningen ruimte voor de vleermuizen wordt gemaakt. Voor zover zich op het braakliggende terrein rugstreeppadden hebben gevestigd zal, gelet op het nieuwe, kleine en zeer tijdelijke leefgebied, naar verwachting ook ontheffing worden verleend. Door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] is niet gesteld dat verlening van deze ontheffing naar verwachting niet mogelijk is. Onder deze omstandigheden zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college moest aannemen dat ten behoeve van het bouwplan, indien nodig, geen ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet zou worden verleend, zodat die wet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg zou staan.

Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert over het kappen van de groenstrook zonder de daarvoor vereiste vergunning kan niet leiden tot het ermee beoogde resultaat, nu het bouwplan hier niet in voorziet.

Het betoog faalt.

2.12. [appellant sub 1] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 2.5.5 van de Bouwverordening van toepassing is en het bouwplan daarmee in strijd is. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, blijven de voorschriften van de bouwverordening aanvullend van toepassing, indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt. De op te richten appartementencomplexen, zijn voorzien op het gedeelte van het perceel, waarop de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" rust en waarvoor een bebouwingsvlak geldt. Ingevolge artikel 15, tweede lid, onder a, mogen de gebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart als zodanig aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd en ingevolge het tweede lid, onder b, mogen de gronden voor 45% worden gebouwd. Het bestemmingsplan staat er derhalve niet aan in de weg dat binnen het bebouwingsvlak gebouwen op iedere plek in dat bestemmingsvlak worden gebouwd, mits dat percentage niet wordt overschreden. Artikel 2.5.5. van de Bouwverordening is daarom niet van toepassing.

2.13. [appellant sub 1] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank, door te overwegen dat het bouwplan in de juiste ontsluiting voorziet, heeft miskend dat de appartementencomplexen onvoldoende toegankelijk zijn. Het college heeft zich bij de besluiten van 16 juli 2010 op het standpunt gesteld dat de ontsluiting van de complexen op de Kerkweg wenselijker is dan op de Schaikseweg, nu dit bij de huidige situatie aansluit en de ontsluiting aan de Schaikseweg meer verkeerrisico's met zich brengt. Voorts heeft het zich, onder verwijzing naar een brief van de brandweer van 18 september 2009, op het standpunt gesteld dat die dienst geen inhoudelijke opmerkingen over het bouwplan heeft. Nu [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gekozen ontsluiting ondeugdelijk is, heeft de rechtbank hem terecht niet gevolgd in het betoog dat het bouwplan niet in een goede ontsluiting voorziet en nader onderzoek niet is vereist.

2.14. [appellant sub 2] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte niet ingevolge de artikelen 52, eerste lid, en 52a, eerste lid, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, is aangehouden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200809406/1/H1), is artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet niet van toepassing op een aanvraag om reguliere bouwvergunning eerste fase, als hier aan de orde.

2.15. Hij betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte niet aan het Bouwbesluit heeft getoetst. Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, wordt de aanvraag om bouwvergunning eerste fase niet aan het Bouwbesluit 2003 getoetst.

2.16. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 1] verwijzen naar de gronden die zij in beroep bij de rechtbank en eerder in de procedure hebben aangevoerd en de rechtbank daarop heeft beslist, wordt overwogen dat deze verwijzingen niet leiden tot het ermee beoogde doel, nu zij niet uiteen hebben gezet, waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist of onvolledig zijn.

2.17. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

407-712.