Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201205730/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2012, kenmerk BC/202-14, heeft de raad het bestemmingsplan "Herontwikkeling Bloemschevaert" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205730/2/R3.

Datum uitspraak: 20 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Roosendaal,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2012, kenmerk BC/202-14, heeft de raad het bestemmingsplan "Herontwikkeling Bloemschevaert" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2012, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2012, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2012, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. P.J.A. Engelvaart, en de raad van de gemeente Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen en drs. R.M.E. van de Weijgert, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Aramis AlleeWonen, vertegenwoordigd door P. van den Berg, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Met het plan wordt beoogd de herontwikkeling van verzorgingshuis en seniorenwoningen Bloemschevaert tot woonservicezone mogelijk te maken. Daartoe wordt de bestaande bebouwing gesloopt en voorziet het plan in de oprichting van diverse zorgvoorzieningen en 300 wooneenheden en in de aanleg van een parkeerterrein.

2.3. [verzoeker] woont aan het ten oosten van het plangebied gelegen gedeelte van de Diamantdijk. Hij verzoekt het bestreden besluit te schorsen om te voorkomen dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor de voorziene bebouwing wordt verleend.

2.4. [verzoeker] voert aan dat het voorziene parkeerterrein leidt tot overlast door verkeersbewegingen en door het licht van koplampen. De beoogde afschermende voorziening is te laag en bovendien ten onrechte niet in het plan verzekerd.

2.4.1. De raad betoogt dat aan de oostkant van het voorziene parkeerterrein een keermuur van 1,22 meter hoog zal worden opgericht. Deze is niet in het plan verzekerd omdat, gelet op de afstand tussen het parkeerterrein en de woning van [verzoeker], geen sprake zal zijn van zodanige overlast dat een afschermende voorziening noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

2.4.2. Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand tussen de woning van [verzoeker] en het dichtstbijzijnde gedeelte van het plandeel met de bestemming "Verkeer" waarop het parkeerterrein kan worden aangelegd ongeveer 75 meter bedraagt. Voorts heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat koplampen niet hoger komen dan 1,20 meter en een naar beneden gerichte hellingshoek hebben. Aramis heeft toegelicht dat een keermuur van hoger van 1,22 meter onwenselijk wordt geacht omdat de zorgvoorzieningen en woningen hoofdzakelijk zijn bestemd voor ouderen en een hogere afscherming het zicht van rolstoelgebruikers belemmert. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven omdat de door [verzoeker] gewenste afschermende voorziening in het plan niet is gewaarborgd.

2.5. [verzoeker] betoogt dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare windoverlast. Het onderzoek van Peutz bv naar windhinder is gebaseerd op het VO Inrichtingsplan, maar dat zal niet worden uitgevoerd. Ook zijn de beplantingsadviezen van Peutz bv niet in het plan overgenomen.

2.5.1. De raad betoogt dat de gemeente geen normen heeft voor windhinder en dat hij het terugplanten van in het kader van de uitvoering van het plan te kappen bomen niet noodzakelijk acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

2.5.2. Volgens het rapport van Peutz bv van 10 februari 2012 voorziet het plan in twee gebouwdelen met elementen die hoger zijn dan 15 meter waarvoor op grond van NEN-norm 8100 2006, Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving, beoordeling door een windhinderdeskundige noodzakelijk is. Voor deze bouwdelen geldt volgens het rapport dat ter plaatse van de woning van [verzoeker] zeker geen sprake zal zijn van windgevaarlijke situaties en dat ook wat betreft windcomfort geen problemen worden verwacht. Daarbij wordt in het rapport in aanmerking genomen dat de afstand van deze gebouwdelen, gelet op de maximaal toegestane hoogte, tot de woning van [verzoeker] groter is dan de invloedssfeer van die gebouwdelen en dat de invloedssfeer nog verder wordt beperkt door de bestaande begroeiing. Gelet hierop is niet aannemelijk dat, ook indien de in het VO Inrichtingsplan voorgestelde beplanting niet zal worden gerealiseerd, het plan tot windgevaarlijke situaties zal leiden bij de woning van [verzoeker], zodat hetgeen [verzoeker] op dit punt heeft aangevoerd niet noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Wat betreft de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid heeft [verzoeker] ter zitting desgevraagd bevestigd dat de bodemprocedure kan worden afgewacht, omdat met de schorsing van dit plandeel geen spoedeisend belang is gemoeid.

2.7. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ten aanzien van de geluidbelasting van het parkeerterrein en de A58 en de aantasting van zijn uitzicht door de toename van de bouwmassa in het plangebied ziet de voorzitter, in aanmerking genomen de ligging van het plangebied in een woonwijk en de afstand van de in het plan voorziene bebouwing tot het perceel van [verzoeker], geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden.

2.8. [verzoeker] voert aan dat de planregels mogelijk maken dat een tweede ontsluiting op de Diamantwijk, ter hoogte van zijn woning, wordt aangelegd zonder dat de gevolgen daarvan zijn onderzocht.

2.8.1. De raad betoogt dat het plangebied zal worden ontsloten via de Covellijndijk, aan de westkant van het plangebied, en voor wat betreft bestemmingsverkeer - zijnde nooddiensten, bevoorradingsverkeer en taxi's om bezoekers van het wijkrestaurant te brengen en te halen - via een keerlus in de zuidoostelijke hoek van het plangebied die vanuit de Diamantdijk zal worden afgesloten met een slagboom.

2.8.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen ten behoeve van algemeen nut zoals verkeers-, water-, nuts- en daarmee vergelijkbare voorzieningen, waaronder wegen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder g, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen ten behoeve van algemeen nut zoals verkeers-, groen-, nuts- en daarmee vergelijkbare voorzieningen, waaronder ontsluitingswegen.

2.8.3. [verzoeker] betoogt met juistheid dat deze planregels het mogelijk maken om op de gronden met de bestemmingen "Groen" en "Water" die zijn gelegen tussen de Diamantdijk en de gronden met de bestemming "Verkeer", een weg te realiseren die het plangebied ontsluit op de Diamantdijk ter hoogte van zijn woning. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de planregels zijn gebaseerd op gestandaardiseerde teksten. Het is niet de bedoeling hierdoor een extra ontsluiting op de Diamantdijk mogelijk te maken. Om onomkeerbare ontwikkelingen op dit punt te voorkomen ziet de voorzitter hierin aanleiding tot het treffen van na de melden voorlopige voorziening met betrekking tot de artikelen 3, lid 3.1, en 5, lid 5.1, van de planregels. Voor een verderstrekkende voorziening ziet de voorzitter, mede gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding.

2.9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Roosendaal van 4 april 2012, kenmerk BC/2012-14, voor zover het betreft het woord "wegen" in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels en het woord "ontsluitingswegen" in artikel 5, lid 5.1, onder g, van de planregels;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Roosendaal tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoekster B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 872,00 (zegge: achthonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat de raad van de gemeente Roosendaal aan [verzoeker A] en [verzoekster B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2012

413.