Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201204398/1/A1 en 201204398/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een voetbalkooi op het perceel Gregoriuslaan 40-46 te Lexmond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204398/1/A1 en 201204398/2/A1.

Datum uitspraak: 20 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lexmond, gemeente Zederik,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 maart 2012 in zaak nr. 11/1444 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zederik.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een voetbalkooi op het perceel Gregoriuslaan 40-46 te Lexmond.

Bij uitspraak van 23 maart 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 mei 2012.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2012, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2012, waar [appellant], vergezeld van [persoon] en bijgestaan door mr. H. Martens, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Steenhuis, B.J.E. Welling en F. de Lange, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een voetbalkooi van 12 m breed en 16 m lang, die omheind zal worden met een hekwerk van 4 m hoog en overspannen zal worden met een net. Aan de noord- en oostzijde komt een groenstrook met een breedte van 1 m. De voetbalkooi is geprojecteerd bij de bestaande Brede School in Lexmond, aansluitend aan de speelplaats. De afstand tussen de voetbalkooi en de voorgevel van de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 19 m.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Kernen" rust op het perceel deels de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" en deels de bestemming "Agrarische doeleinden". Niet in geschil is dat het bouwplan, voor zover dat is gesitueerd op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden", in strijd is met deze bestemming. Evenmin is in geschil dat het bouwplan wat de hoogte betreft in strijd is met bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Het college heeft medewerking aan het bouwplan verleend door met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a en ten 3o, van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning te verlenen.

2.4. Voor zover [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft betoogd dat de realisering van de voetbalkooi op het perceel niet noodzakelijk is, wordt overwogen dat het besluit om medewerking te verlenen aan de realisering van een bouwplan, een bevoegdheid betreft die het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging, zodat de bestuursrechter de uitkomst van deze afweging slechts terughoudend toetst. Met de realisering van het bouwplan wordt volgens het college uitvoering gegeven aan het op 2 juni 2009 door de gemeenteraad vastgestelde 'Speelruimteplan gemeente Zederik 2009-2019' en wordt voorzien in de behoefte aan een tweede speel- en ontmoetingsplek voor jongeren van 12 tot 18 jaar oud in Lexmond. Het bouwplan voldoet aan de in het Speelruimteplan geformuleerde uitgangspunten, aldus het college. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Voor zover [appellant] ter zitting heeft betoogd dat een andere locatie voor het bouwplan geschikter is, wordt overwogen dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking kan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren, hetgeen [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en in dat verband ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de door het college vermelde maatregelen, omdat niet is gebleken dat deze maatregelen voldoende zijn om geluidhinder te beperken en niet alle maatregelen in de omgevingsvergunning zijn opgenomen.

2.5.1. Uit het besluit van 4 oktober 2012, gelezen in samenhang met de gewaarmerkte en van het besluit deel uitmakende Nota van beantwoording - Ontwerp omgevingsvergunning OV-2011-0053 en de ruimtelijke onderbouwing van 27 september 2011 blijkt dat ten behoeve van de beperking van de overlast, waaronder de geluidsoverlast, verschillende maatregelen worden getroffen, teneinde de overlast zodanig te beperken dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Zo wordt de voetbalkooi met een in een groene kleurstelling gegalvaniseerd hekwerk met een hoogte van 4 m omheind en met een net overspannen, wordt een prullenbak bij de ingang geplaatst, wordt de constructie van de kooi en de ondergrond geluidsarm uitgevoerd, wordt in overleg met omwonenden een groenstrook met opgaand groen aangelegd, worden er afsluitbare deuren geplaatst en wordt een jongerenwerker intensief bij het project betrokken die afspraken zal maken met de gebruikers van de voetbalkooi. Voorts wordt een bord geplaatst met gebruiksregels met betrekking tot de opening- en sluitingstijden en het gebruik van een radio. Deze maatregelen zijn, nu ze zijn opgenomen in de van het besluit deel uitmakende stukken, onderdeel van de omgevingsvergunning, hetgeen het college ter zitting van de Afdeling bovendien uitdrukkelijk heeft bevestigd.

2.5.2. Het college heeft in zijn verweerschrift bij de rechtbank en ter zitting van de Afdeling verzekerd dat het erop zal toezien dat de voetbalkooi daadwerkelijk om 22.00 uur zal worden afgesloten. Nu deze maatregel volgens het college nodig is om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, maar deze niet in het besluit dan wel de daarvan deel uitmakende stukken is opgenomen, is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Het betoog slaagt in zoverre. De Afdeling ziet, gelet op de door het college ter zitting gegeven onderbouwing van de keuze voor dat tijdstip, die de Afdeling niet onredelijk voorkomt, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorziend aan de omgevingsvergunning het voorschrift te verbinden dat tussen 22.00 uur en 08.00 uur geen gebruik mag worden gemaakt van de voetbalkooi.

2.5.3. Er bestaat, zoals de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding om te twijfelen aan de daadwerkelijke uitvoering van voormelde maatregelen.

Gelet op deze maatregelen, de afstand van ongeveer 19 m tussen de woning en de voetbalkooi en op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de maatregelen niet voldoende zijn om de geluidsoverlast zodanig te beperken dat geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het uitvoeren van akoestisch onderzoek kon worden afgezien.

2.6. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen onder 2.5.2 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarin niet het voorschrift is opgenomen dat tussen 22.00 uur en 08.00 uur geen gebruik mag worden gemaakt van de voetbalkooi. De voorzitter zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 maart 2012 in zaak nr. 11/1444;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zederik van 4 oktober 2011, kenmerk OV-2011-0053, voor zover daarin niet het voorschrift is opgenomen dat tussen 22.00 uur en 08.00 uur geen gebruik mag worden gemaakt van de voetbalkooi;

V. bepaalt dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift wordt verbonden dat tussen 22.00 uur en 08.00 uur geen gebruik mag worden gemaakt van de voetbalkooi;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. wijst het verzoek af;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zederik tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.784,00 (zegge: zeventienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zederik aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 616,00 (zegge: zeshonderdzestien euro) voor de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2012

473.