Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201200527/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college aan de IJsclub Ruurlo vrijstelling verleend voor het realiseren van een ijsbaan en eveneens bouwvergunning verleend voor het oprichten van een clubgebouw bij de ijsbaan op het perceel kadastraal bekend gemeente Ruurlo, sectie P, nummer 287, en plaatselijk bekend gelegen tussen de woningen Wiersseweg 47 en 49 te Ruurlo (hierna: het perceel). Voorts heeft het college bij besluit van 2 februari 2010 een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een natuurijsbaan op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200527/1/A1.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ruurlo, gemeente Berkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 december 2011 in zaak nr. 10/1255 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college aan de IJsclub Ruurlo vrijstelling verleend voor het realiseren van een ijsbaan en eveneens bouwvergunning verleend voor het oprichten van een clubgebouw bij de ijsbaan op het perceel kadastraal bekend gemeente Ruurlo, sectie P, nummer 287, en plaatselijk bekend gelegen tussen de woningen Wiersseweg 47 en 49 te Ruurlo (hierna: het perceel). Voorts heeft het college bij besluit van 2 februari 2010 een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een natuurijsbaan op het perceel.

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het college het besluit van 2 februari 2010 herroepen voor zover aanlegvergunning is verleend, aanlegvergunning geweigerd en het vrijstellingsbesluit aangepast.

Bij uitspraak van 7 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 2, 17 en 22 februari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de IJsclub een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2012, waar het college, vertegenwoordigd door drs. G.J. Hans, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is de IJsclub, vertegenwoordigd door G.M. van der Mast, ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet in het realiseren van een natuurijsbaan met bijbehorende voorzieningen, waaronder een clubgebouw, parkeervoorzieningen en lichtmasten op het perceel. Vast staat dat dit project in strijd is met de op het perceel ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1995" rustende bestemming "agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" en de bij deze bestemming behorende bouwvoorschriften. Om niettemin medewerking aan het project te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.2. [appellant] betoogt eerst in hoger beroep dat gelet op de grootte van het bewerkte perceel en de hoeveelheid grondverzet het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland ten onrechte een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds in beroep kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem in beroep aangevoerde gronden ten aanzien van de lichtmasten niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken.

2.3.1. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 maart 2011 in zaak nr. 201007459/1/H1, moet uit artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet worden afgeleid dat de wetgever een concentratie van rechtsbescherming voor ogen heeft gehad om aldus onnodige procedures te voorkomen. Voor zover vrijstelling is vereist teneinde bouwvergunning voor een project te kunnen verlenen, kan tegen het besluit op het vrijstellingsverzoek worden opgekomen in het kader van de beschikking op een voor dat project ingediende bouwaanvraag.

De bij besluit van 2 februari 2010 verleende vrijstelling heeft eveneens betrekking op de realisering van lichtmasten op het perceel. Ten tijde van dit besluit waren, naar niet in geschil is, echter nog geen bouwvergunningen voor deze lichtmasten verleend, zodat gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, in dit geval in zoverre tegen het besluit tot verlenen van vrijstelling nog niet in rechte kon worden opgekomen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de lichtmasten thans niet in de beoordeling kunnen worden betrokken.

Het betoog faalt.

2.4. Gelet op het voorgaande zijn de lichtmasten in de onderhavige procedure niet aan de orde en behoeft het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat de gevolgen van de lichtmasten onvoldoende zijn onderzocht, geen bespreking.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing, voor zover het de watertoets betreft, onvoldoende is betwist, faalt. In de in hoger beroep aangevoerde, niet nader gemotiveerde stelling dat de ruimtelijke onderbouwing uitgaat van onjuistheden in de watertoets ziet de Afdeling, gelet op de uitgebreide omschrijving van de uitgevoerde watertoets in de ruimtelijke onderbouwing, geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college in zoverre de ruimtelijke onderbouwing niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen omdat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de ten gevolge van de ingebruikname van de voorziene ijsbaan te verwachten parkeerbehoefte. Hij voert hiertoe aan dat is uitgegaan van een te laag aantal vereiste parkeerplaatsen en dat het weiland waarop zal worden geparkeerd vanwege eventuele slechte weersomstandigheden niet kan worden gebruikt.

2.6.1. In de "Ruimtelijke onderbouwing Realisatie Natuurijsbaan (Wiersseweg in Ruurlo)" van oktober 2009 (hierna: ruimtelijke onderbouwing) merkt het college op dat de IJsclub te kennen heeft gegeven dat zij in haar plan rekening houdt met de stalling van 200 fietsen en 100 parkeerplaatsen voor auto's. Verder is voorzien in een parkeerplaats voor personen met een functiebeperking. Voor het bepalen van de parkeercapaciteit heeft het college gebruik gemaakt van de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) uit 2004 (hierna: de ASVV). Omdat in deze publicatie geen kengetallen voor natuurijsbanen zijn opgenomen heeft het college aansluiting gezocht bij de functie "sportveld (buiten)". Bij sportvelden gaat de ASVV per hectare uit van minimaal 13 en maximaal 27 parkeerplaatsen. Dit betekent dat bij een sportveld met een omvang van 2 hectare minimaal 26 en maximaal 54 parkeerplaatsen vereist zouden zijn.

2.6.2. In hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college aansluiting heeft kunnen zoeken bij de parkeernormen die gelden voor sportvelden. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project niet zal voldoen aan de minimale en maximale parkeernorm voor een sportveld, nu het project voorziet in 100 parkeerplaatsen en volgens de ASVV minimaal 26 en maximaal 54 parkeerplaatsen vereist zijn. Bovendien heeft de ijsbaan, zoals ter zitting bevestigd door de IJsclub, geen bovenlokale betekenis waardoor niet valt te verwachten dat ten gevolge van het openen van de ijsbaan gedurende het winterseizoen een verkeersaantrekkende werking van dien aard zal ontstaan dat het project voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen. Verder faalt het betoog van [appellant] dat de parkeerplaatsen niet kunnen worden gebruikt, nu, zoals het college te kennen heeft gegeven, de ijsbaan met name zal worden bezocht wanneer de grond bevroren is omdat alleen dan de ijsbaan open kan zijn, waardoor het niet aannemelijk is dat vanwege de onverharde ondergrond hinder zal worden ondervonden bij het parkeren.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op de door [appellant] gestelde belangen, in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, faalt. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat volgens de ruimtelijke onderbouwing de aanleg van een natuurijsbaan geen bovenlokale uitstraling heeft omdat de ijsbaan slechts een gering aantal dagen per jaar gedurende het winterseizoen zal worden gebruikt door bezoekers die voornamelijk uit de directe omgeving en de nabijgelegen kernen komen. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de afstand tussen beide percelen van meer dan 100 m geen onaanvaardbare verstoring van het monument op het perceel van [appellant] zal ontstaan. Hierbij is tevens van belang dat vanuit de bebouwing op het perceel van [appellant] geen direct zicht zal zijn op het clubgebouw van de IJsclub.

Voorts heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) opgenomen aanbevolen afstand ten opzichte van een 'Veldsportcomplex (met verlichting)'. Hierbij wordt, anders dan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand voor 'Stadions en openluchtijsbanen', in aanmerking genomen dat de ijsbaan slechts gedurende een korte periode per jaar open zal zijn waardoor geen continue geluidshinder aanwezig is ten gevolge van de ijsbaan. Op de ijsbaan zal blijkens de gedingstukken geen muziek ten gehore worden gebracht. De ijsbaan is voorts niet te vergelijken met een stadion en openluchtijsbaan als bedoeld in de VNG-brochure vanwege de beperkte uitstraling van de hier in geding zijnde ijsbaan. Verder voldoet de afstand tot het clubgebouw, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de in de VNG-Brochure aanbevolen afstand van 50 m ten opzichte van een woning in het omgevingstype 'rustig buitengebied'.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aangedragen alternatieve locatie voor de ijsbaan geen alternatief is waartegen aanmerkelijk minder bezwaren zijn. Hij verwijst ter staving van dit betoog naar het advies van het Staring Instituut van april 2008. Volgens dit advies is de locatie Wildenborchseweg het meest geschikt vanwege de hogere grondwaterstand en kan realisatie van de ijsbaan op dit perceel goed gecombineerd worden met natuurontwikkeling.

2.8.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college zich, naar aanleiding van ingediende zienswijzen, op het standpunt gesteld dat de belangrijkste reden voor het niet aanmerken van een alternatief met een gelijkwaardig resultaat en aanmerkelijk minder bezwaren is gelegen in de omstandigheid dat de oppervlakte van het perceel Wildenborchseweg slechts 13.965 m2 bedraagt en het perceel aan de Wiersseweg een oppervlakte heeft van 34.590 m2. Hierdoor zouden op het perceel Wildenborchseweg parkeerproblemen kunnen ontstaan. Daarnaast heeft het college een vergelijkingsonderzoek gedaan tussen bovengenoemde percelen waaruit blijkt dat de locatie aan de Wiersseweg de voorkeur heeft vanwege de aanwezigheid van open water, de grondwaterstand en de oppervlakte van het perceel waardoor de mogelijkheid bestaat voor landschappelijke inpassing van het geheel. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de locatie aan de Wildenborchseweg een alternatief vormt dat leidt tot een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over eventuele door het college aangegane verplichtingen om een gelijkwaardige locatie en bouwwerk aan te bieden aan de IJsclub maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

2.9. Het betoog van [appellant] dat het perceel van de IJsclub mogelijk ook gebruikt zal gaan worden voor andere doeleinden dan het gebruik van een ijsbaan mist feitelijke grondslag, nu, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, de verplaatsing van volkstuinen niet aan de orde is en dit gebruik bovendien niet is voorzien in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vrijstelling.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

374-700.