Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201111214/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2008 vastgesteld op € 185,00 en een bedrag van € 368,00 aan uitbetaalde voorschotten zorgtoeslag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111214/1/A2.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 september 2011 in zaak nr. 10/2636 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Alkmaar,

en

de Belastingdienst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2008 vastgesteld op € 185,00 en een bedrag van € 368,00 aan uitbetaalde voorschotten zorgtoeslag teruggevorderd.

Bij besluit van 9 september 2010 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 september 2010 vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 november 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de Belastingdienst, ter uitvoering van de uitspraak van 15 september 2011, opnieuw op het door [wederpartij] tegen het besluit van 11 mei 2010 gemaakte bezwaar beslist en dit wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 6 december 2011 heeft [wederpartij] hierop een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2012, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) wordt onder zorgverzekering verstaan: de schadeverzekering, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet (hierna: de Zvw).

Ingevolge die aanhef en onder c wordt onder verzekerde verstaan: de persoon, bedoeld in artikel 1, onder f, of in artikel 69 van de Zvw, vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van die wet.

Ingevolge die aanhef en onder d, zoals luidend ten tijde van belang, wordt onder zorgtoeslag verstaan: een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering.

Ingevolge die aanhef en onder g, zoals luidend ten tijde van belang, wordt onder de normpremie verstaan: de aan de aan de hand van het drempelinkomen en het toetsingsinkomen van de verzekerde berekende premie voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft de verzekerde, indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Zvw wordt onder zorgverzekeraar verstaan: een verzekeraar, voor zover deze zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert.

Ingevolge die aanhef en onder d wordt onder zorgverzekering verstaan: een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen daarover bij of krachtens deze wet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven gaan.

Ingevolge die aanhef en onder f wordt onder verzekerde verstaan: degene wiens risico van behoefte aan zorg of overige diensten, als bedoeld in artikel 10, door een zorgverzekering wordt gedekt.

Ingevolge artikel 10 is het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico de behoefte aan:

a. geneeskundige zorg, waaronder de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen pleegt te geschieden;

b. mondzorg;

c. farmaceutische zorg;

d. hulpmiddelenzorg;

e. verpleging;

f. verzorging, waaronder de kraamzorg;

g. verblijf in verband met geneeskundige zorg;

h. vervoer in verband met het ontvangen van zorg of diensten als bedoeld in de onderdelen a tot en met g, dan wel in verband met een aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ).

Ingevolge artikel 25, eerste lid, meldt een verzekeraar het voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en uit te voeren schriftelijk aan de zorgautoriteit, onder vermelding van de dag met ingang waarvan hij zorgverzekeringen zal aanbieden.

Ingevolge het tweede lid voegt de verzekeraar bij de melding alle modelovereenkomsten volgens welke hij zorgverzekeringen wenst aan te bieden.

Ingevolge artikel 26, derde lid, zendt de zorgautoriteit het College zorgverzekeringen (hierna: het CvZ) onverwijld een afschrift van de melding, de modelovereenkomsten of de wijzigingen in de modelovereenkomsten, onder vermelding van de datum van ontvangst ervan.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, is het werkgebied van een zorgverzekeraar Nederland.

2.2. [wederpartij] heeft over het gehele jaar 2008 voorschotten zorgtoeslag ontvangen. [wederpartij] is op 7 april 2008 naar de Verenigde Staten gegaan om daar een opleiding tot helikopterpiloot te volgen aan de Bristow Academy. In verband hiermee heeft hij met ingang van 7 april 2008 een verzekering tegen ongevallen en ziektekosten bij Chartis, een Amerikaanse verzekeringsmaatschappij, gesloten. Uit de verklaring van Chartis van 20 augustus 2009 blijkt dat deze verzekering valt onder de collectieve verzekeringspolis voor de studenten van de Bristow Group die niet-ingezetenen zijn van de Verenigde Staten. Voorts heeft hij een reisverzekering, waarin inbegrepen een verzekering tegen medische kosten, bij Elvia gesloten. Zijn zorgverzekering bij Univé heeft [wederpartij] per 7 april 2008 opgezegd.

2.3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] over de periode van 1 mei 2008 tot 1 januari 2009 recht heeft op zorgtoeslag omdat er geen aanknopingspunten aanwezig zijn dat de door hem gesloten verzekering bij Chartis geen zorgverzekering ingevolge Zvw is. De Belastingdienst voert daartoe aan dat Chartis zich niet ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Zvw bij de zorgautoriteit heeft gemeld met het voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en uit te voeren en bovendien Nederland niet als werkgebied heeft en daarom niet voldoet aan artikel 29, eerste lid, van de Zvw.

2.3.1. Uit artikel 2, eerste lid, van de Wzt, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef, onder b en d, van die wet volgt dat de zorgtoeslag een tegemoetkoming is in de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zvw. Met de zorgtoeslag wordt beoogd een gedeelte van de premie van de wettelijk verplichte zorgverzekering te compenseren voor verzekerden met een laag inkomen. Een verzekerde als bedoeld in artikel 1, aanhef, onder c, van de Wzt, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder f, van de Zvw, heeft derhalve slechts aanspraak op zorgtoeslag indien ten behoeve van de aanvrager ervan in het betreffende berekeningsjaar een zorgverzekering in de zin van artikel 1, onder d, van de Zvw is gesloten.

In geschil is of de door [wederpartij] gesloten verzekering bij Chartis voldoet aan de definitie van zorgverzekering in artikel 1, onder d, van de Zvw, ook wel de basisverzekering genoemd.

2.3.2. De ingevolge artikel 25, eerste en tweede lid, van de Zvw op de verzekeraar rustende verplichting om vooraf melding te maken van zijn voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en zijn modelovereenkomsten over te leggen, strekt ertoe dat de zorgautoriteit kan nagaan of een volgens dat model gesloten overeenkomst een zorgverzekering zal zijn die voldoet aan de eisen die de Zvw stelt en dientengevolge is aan te merken als zorgverzekering in de zin van artikel 1, onder d, van de Zvw. Deze eisen betreffen onder meer het in de zorgverzekering op te nemen risico - de behoefte aan bepaalde vormen van zorg of met die zorg verband houdende diensten - alsmede de inhoud en omvang van de prestaties die op grond van de zorgverzekering dienen te worden geleverd. Hier staat tegenover dat de verzekeraar voor verzekerden in de zin van de Zvw aanspraak kan maken op een vereveningsbijdrage.

De Belastingdienst heeft als bijlage bij het aanvullend hogerberoepschrift een overzicht van zorgverzekeraars en gevolmachtigde agenten die zijn vermeld in het Unieke ZorgVerzekeraarsIdentificatie (UZOVI)-register overgelegd. Dit register, dat ingevolge de Zvw onder beheer van het CvZ wordt bijgehouden, bevat gegevens van zorgverzekeraars die modelovereenkomsten van zorgverzekeringen hebben aangemeld. Chartis is in dit overzicht niet opgenomen. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de door [wederpartij] gesloten verzekering bij Chartis niet was gemeld bij de zorgautoriteit. Voorts hebben de aanspraken die deze verzekering geeft geen betrekking op de behoefte aan zorg in Nederland. Gelet daarop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de door [wederpartij] gesloten verzekering bij Chartis een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zvw betreft. Om dezelfde redenen kan de door [wederpartij] gesloten reisverzekering evenmin als een zodanige zorgverzekering worden aangemerkt. [wederpartij] is derhalve geen verzekerde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Zvw. Dit brengt mee dat hij geen aanspraak heeft op zorgtoeslag in de periode van 1 mei 2008 tot 1 januari 2009. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, doet aan het vorenstaande niet af dat het CvZ, gezien de omstandigheid dat [wederpartij] in die periode een verzekering bij Chartis had afgesloten, heeft afgezien van boeteoplegging. Daarmee heeft het CvZ immers niet vastgesteld dat [wederpartij] ingevolge de Zvw verzekerd was.

Het betoog slaagt.

2.4. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, ten onrechte niet toegekomen aan een oordeel over het betoog van [wederpartij] dat de Belastingdienst uitlatingen heeft gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat hij in zijn geval recht had op zorgtoeslag. [wederpartij] heeft aangevoerd dat M. van der Bent, medewerker van de Belastingdienst hem desgevraagd heeft gezegd dat zij voor zijn situatie geen duidelijke richtlijnen kon ontdekken en hem heeft geadviseerd de zorgtoeslag door te laten lopen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200801122/1) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen, indien een aan een tot beslissen bevoegd orgaan toe te rekenen toezegging uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd is gegeven en bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Niet is gebleken dat de medewerker van de Belastingdienst, na inzicht te hebben verkregen in alle relevante gegevens - waaronder de dekking en voorwaarden van de door [wederpartij] gesloten verzekeringen - ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan. In het bijzonder is niet gebleken dat deze medewerker te kennen heeft gegeven dat [wederpartij], aan wie de zorgtoeslag als voorschot werd uitbetaald, een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op zorgtoeslag heeft. Hierin is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat de Belastingdienst ten onrechte de zorgtoeslag over 2008 heeft vastgesteld op € 185,00 en de te veel betaalde voorschotten heeft teruggevorderd. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 september 2010 van de Belastingdienst alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Het besluit van 24 november 2011, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, wordt gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5. is overwogen, is aan dat besluit de grondslag ontvallen. Reeds om die reden zal de Afdeling het beroep daartegen gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 september 2011 in zaak nr. 10/2636;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2011 van de Belastingdienst/Toeslagen, kenmerk 153727421/Nieuwe BOB, gegrond;

V. vernietigt dat besluit.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

17-710.