Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2559

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201109750/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Zweeloo-Aalden, partiële herziening beschermd dorpsgezicht Oud Aalden en ecologische verbindingszone" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109750/1/R4.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Aalden, gemeente Coevorden,

en

de raad van de gemeente Coevorden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Zweeloo-Aalden, partiële herziening beschermd dorpsgezicht Oud Aalden en ecologische verbindingszone" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2012, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door H.J.R. Ellen en W.J.N.M. de Jong, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan betreft een partiële herziening van het door de raad op 12 april 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Zweeloo-Aalden".

2.2.    [appellant] betoogt dat in het plan ten onrechte niet bij recht is voorzien in een woonbestemming voor de voormalige agrarische bebouwing op het perceel aan de [locatie]. Volgens [appellant] heeft de raad ten onrechte volstaan met een wijzigingsbevoegdheid. [appellant] voert in dit verband aan dat er tussen hem en het gemeentebestuur reeds geruime tijd voor de vaststelling van het plan overleg gaande was over de wijziging van de bestemming van het perceel en dat de gemeente in een eerder stadium wel bereid was de bestemming via een vrijstellingsbesluit op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) voor maatschappelijke doeleinden te bestemmen. Daarnaast wijst [appellant] op de bebouwing op het perceel aan de Oud Aalden 6 waarvoor wel een bestemmingswijziging is doorgevoerd.

2.3.    De raad stelt dat hij zich in zijn nieuwe beleid meer inzet voor het behoud van cultuurhistorische waarden in de gemeente. De raad wijst erop dat Oud Aalden een door het rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht is en dat bij nieuwe ontwikkelingen dan ook een zorgvuldige afweging dient te worden gemaakt omtrent de passendheid in het gebied. Nu onvoldoende inzicht bestaat in de wijze waarop [appellant] invulling wil geven aan zijn plannen, heeft de raad nog niet willen overgaan tot een bestemming bij recht.

2.4.    Aan het perceel aan de [locatie] en de daarop gelegen opstallen is blijkens de verbeelding de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met de daarbij behorende nutsvoorzieningen.

    Ingevolge artikel 19 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat de bestemming "Agrarisch" kan worden gewijzigd in de bestemmingen "Wonen", "Centrum" of "Bedrijf", mits aan de landschappelijke, archeologische, historisch geografische, historisch bouwkundige, cultuurhistorische en natuurlijke waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan. Artikel 19, sub a, aanhef en onder 1, van de planregels bevat de aspecten waaraan in dit verband minimaal aandacht dient te worden besteed in een op te stellen wijzigingsplan.

2.5.    De raad heeft toegelicht dat de bereidheid van de gemeente om mee te werken aan de door [appellant] voorgenomen ontwikkeling afhankelijk is van de ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling. [appellant] en zijn adviseurs hebben weliswaar een aantal gesprekken met gemeenteambtenaren gevoerd, maar uit de stukken blijkt niet dat een concreet bouwvoornemen is ingediend. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afgaan op de feitelijke situatie op basis waarvan de agrarische bestemming is gehandhaafd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan er blijkens de plantoelichting mede toe strekt de karakteristiek van plangebied zoveel als mogelijk te behouden en dat het bestemmingsplan is vastgesteld in het kader van het project tot actualisatie van bestemmingsplannen waarbij geen nieuwe ontwikkelingen worden meegenomen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de beoogde woonfunctie van de opstallen op het perceel [locatie] niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid.

    De omstandigheid dat in het verleden aan de zijde van het college bereidheid heeft bestaan om via een vrijstellingsbesluit het perceel een maatschappelijke bestemming te geven, brengt niet mee dat de raad gehouden was de door [appellant] gewenste ontwikkeling thans bij recht mogelijk te maken in het plan. De raad heeft immers een eigen bevoegdheid en is in beginsel niet gebonden aan voornemens van andere bestuursorganen.

    De Afdeling volgt [appellant] evenmin in zijn betoog dat de raad ten onrechte niet tijdig heeft aangegeven dat hij slechts op grond van een concreet bouwvoornemen bereid was mee te werken aan de door [appellant] voorgenomen ontwikkeling. Het lag immers op de weg van [appellant] om een concreet bouwvoornemen in te dienen voor de door hem beoogde ontwikkeling.

    Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met het perceel aan de Oud Aalden 6 overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat op het perceel aan de Oud Aalden 6 sprake is van een bestaande situatie, terwijl de door [appellant] beoogde bestemming aan de [locatie] een toekomstige ontwikkeling betreft.

2.6.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx                  w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

568-745.