Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201109073/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109073/1/R3.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], gevestigd te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C], allen wonend te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, en [appellant B], wonend te Venhorst, gemeente Boekel, (hierna: [appellante]),

en

de raad van de gemeente Boekel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 18 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 september 2011.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de [erven] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door M.A. van der Vleuten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn de [erven], bij monde van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan maakt een burgerwoning en tuin mogelijk op het perceel [locatie 1] te Venhorst.

2.2.    [appellante] stelt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, nu aan de woning op het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen" is toegekend. De raad heeft volgens [appellante] niet onderkend dat de woning dient te worden aangemerkt als bedrijfswoning, behorende bij het agrarische bedrijf op het naastgelegen perceel [locatie 2]. Deze onverbrekelijke verbinding tussen de woning en het agrarische bedrijf is volgens haar bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2008 in zaak nr. 200609279/1. Daarin heeft de Afdeling het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 21 november 2006 over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" vernietigd, onder meer voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de woonbestemming van het perceel [locatie 1].

2.3.      De raad stelt zich op het standpunt dat hij de woning op het perceel [locatie 1] heeft bestemd als burgerwoning overeenkomstig de feitelijke situatie. Daarbij heeft de raad aangegeven dat de woning aan de [locatie 1] en de agrarische gronden aan de [locatie 2] reeds sinds 1962 zijn gesplitst.

2.4.    In de voornoemde uitspraak heeft de Afdeling onder 2.12.2. het volgende overwogen:

    "Bij zijn beoordeling van het plandeel met de bestemming "Wonen" betreffende de woning [locatie 1] heeft verweerder niet betrokken dat aan de gronden van dit plandeel in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden A" was toegekend. Daarnaast is gebleken dat de laatste bewoners van deze woning voormalige agrariërs betroffen en dat deze woning nadien niet als burgerwoning is gebruikt. Gelet hierop heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat deze woning vanuit planologisch oogpunt niet kan worden aangemerkt als agrarische bedrijfswoning. Dit klemt te meer nu is gebleken dat het gemeentebestuur heeft ingestemd met de bouw van een bedrijfsruimte en de tijdelijke bewoning van dit gebouw op het perceel [locatie 2], beide in afwachting van de koop van de woning [locatie 1] teneinde deze woning te gebruiken als agrarische bedrijfswoning. Derhalve heeft het gemeentebestuur zich voorheen op het standpunt gesteld dat een planologische relatie diende te bestaan tussen het agrarische bedrijf aan de [locatie 2] en de woning op het perceel [locatie 1]/[locatie 3]. Verweerder heeft deze omstandigheden niet in zijn besluit betrokken. Gelet hierop heeft hij niet kunnen volstaan met de constatering dat geen bouwvergunning is verleend voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 2] en met het standpunt dat een bedrijfswoning ter plaatse gezien de bedrijfsvoering niet noodzakelijk is. In zoverre berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb."

2.5.     De Afdeling stelt vast dat het college van gedeputeerde staten naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bij besluit van 16 december 2009 alsnog goedkeuring heeft onthouden aan het bestemmingsplan "Buitengebied 2005", onder meer wat betreft de bestemming "Wonen" ter plaatse van de woning [locatie 1]. Gelet daarop rustte op het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarische doeleinden A" ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 1987".

2.6.    De Afdeling stelt vast dat in de stukken, noch ter zitting is gebleken dat de omstandigheden sinds de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" zijn gewijzigd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad opnieuw onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de woning aan de [locatie 1] niet langer vanuit planologisch oogpunt moet worden aangemerkt als de agrarische bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 2]. Het standpunt van de raad dat hij de woning in het plan in overeenstemming met de feitelijke situatie als burgerwoning heeft bestemd, is hiervoor onvoldoende, reeds omdat ter zitting is gebleken dat de woning sinds de beëindiging van de bewoning door de voormalige agrariërs in 2002 niet bewoond is. Ook de omstandigheid dat de woning reeds sinds 1962 een andere eigenaar heeft dan het perceel [locatie 2] is daartoe onvoldoende, nu een dergelijke privaatrechtelijke splitsing niet maakt dat de woning planologisch niet meer als agrarische bedrijfswoning kan worden aangemerkt. Daarbij wijst de Afdeling er tevens op dat, zoals ook in voornoemde uitspraak is overwogen, de raad zich in 1988 bij het toestaan van de tijdelijke bewoning van een agrarisch gebouw op [locatie 2] op het standpunt heeft gesteld dat de woning aan de [locatie 1] na beëindiging van het gebruik door de voormalige agrariërs, weer als bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 2] in gebruik zou moeten worden genomen. De door de raad aangevoerde omstandigheid dat ten aanzien van het agrarische perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch bouwvlak" in het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" wel is goedgekeurd en in rechte onaantastbaar is geworden, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet afdoet aan de eveneens agrarische bestemming van het perceel [locatie 1]. Gelet hierop komt de Afdeling tot de conclusie dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woning aan de [locatie 1] niet als bedrijfswoning, behorende bij het agrarische bedrijf aan de [locatie 2] moet worden aangemerkt.

2.7.    Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.8.       Gelet hierop behoeven de overige aangevoerde beroepsgronden geen bespreking.

2.9.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boekel van 26 mei 2011 waarbij het bestemmingsplan "[locatie 1]" is vastgesteld;

III.    veroordeelt de raad van de gemeente Boekel tot vergoeding van bij [appellante A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 921,32 (zegge: negenhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Boekel aan [appellante A] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

177-715.