Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2552

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201112543/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [appellant sub 1] over het jaar 2008 vastgesteld op nihil en de aan hem uitbetaalde voorschotten zorgtoeslag ten bedrage van € 1.475,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112543/1/A2.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Rotterdam,

2.    [appellant sub 2], wonend te Paramaribo (Suriname),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2011 in zaken nrs. 11/1375 en 11/1380 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [appellant sub 1] over het jaar 2008 vastgesteld op nihil en de aan hem uitbetaalde voorschotten zorgtoeslag ten bedrage van € 1.475,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [appellant sub 2] over het jaar 2008 vastgesteld op nihil en de aan haar uitbetaalde voorschotten zorgtoeslag ten bedrage van € 1.476,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 17 maart 2011 ingestelde beroep, onderscheidenlijk het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 februari 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 31 december 2011.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2012, waar, [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door M. Hidders LLM en S.M.M. Hidders-Li LLM, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) wordt onder zorgverzekering verstaan: de schadeverzekering, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet (hierna: de Zvw).   

    Ingevolge die aanhef en onder c wordt onder verzekerde verstaan: de persoon, bedoeld in artikel 1, onder f, of in artikel 69 van de Zvw, vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van die wet.

    Ingevolge die aanhef en onder d, zoals luidend ten tijde van belang, wordt onder zorgtoeslag verstaan: een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering.

    Ingevolge die aanhef en onder g, zoals luidend ten tijde van belang, wordt onder de normpremie verstaan: de aan de aan de hand van het drempelinkomen en het toetsingsinkomen van de verzekerde berekende premie voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar.

    Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft de verzekerde, indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil.

    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Zvw wordt onder zorgverzekeraar verstaan: een verzekeraar, voor zover deze zorgverzekeringen aanbiedt of uitvoert.

    Ingevolge die aanhef en onder d wordt onder zorgverzekering verstaan: een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering, die voldoet aan hetgeen daarover bij of krachtens deze wet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven gaan.

    Ingevolge die aanhef en onder f wordt onder verzekerde verstaan: degene wiens risico van behoefte aan zorg of overige diensten, als bedoeld in artikel 10, door een zorgverzekering wordt gedekt.

    Ingevolge artikel 10 is het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico de behoefte aan:

a. geneeskundige zorg, waaronder de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen pleegt te geschieden;

b. mondzorg;

c. farmaceutische zorg;

d. hulpmiddelenzorg;

e. verpleging;

f. verzorging, waaronder de kraamzorg;

g. verblijf in verband met geneeskundige zorg;

h. vervoer in verband met het ontvangen van zorg of diensten als bedoeld in de onderdelen a tot en met g, dan wel in verband met een aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ).

    Ingevolge artikel 25, eerste lid, meldt een verzekeraar het voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en uit te voeren schriftelijk aan de zorgautoriteit, onder vermelding van de dag met ingang waarvan hij zorgverzekeringen zal aanbieden.

    Ingevolge het tweede lid voegt de verzekeraar bij de melding alle modelovereenkomsten volgens welke hij zorgverzekeringen wenst aan te bieden.

    Ingevolge artikel 26, derde lid, zendt de zorgautoriteit het College zorgverzekeringen (hierna: het CvZ) onverwijld een afschrift van de melding, de modelovereenkomsten of de wijzigingen in de modelovereenkomsten, onder vermelding van de datum van ontvangst ervan.

    Ingevolge artikel 29, eerste lid, is het werkgebied van een zorgverzekeraar Nederland.

2.2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn medio 2003, respectievelijk medio 2005 naar Nederland gekomen om een studie te volgen. In verband hiermee hebben beiden via W.B.D. Lippmann Groep B.V. een zogeheten "Insurance Passport for Students"-polis bij Europeesche Verzekeringen Maatschappij gesloten. Blijkens de door hen overgelegde verzekeringsbescheiden betreft het de "Primary"-variant van de IPS-polis (hierna: de IPS-polis).

2.3.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst hen had moeten horen, alvorens hij bij de besluiten van 10 februari 2011 en 17 maart 2011 op de bezwaren kon beslissen.

2.3.1.     Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201101161/1/H2) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

    Bij besluiten van 26 februari 2010 en 13 augustus 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vastgesteld op nihil, omdat zij ten onrechte niet verzekerd waren tegen ziektekosten volgens de Zvw. Gelet hierop en hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] elk tegen deze besluiten in bezwaar hebben aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan. In dit verband is van belang dat [appellant sub 1] pas in de procedure bij de rechtbank een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de Belastingdienst met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen heeft kunnen afzien.

    Het betoog faalt.

2.4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst hen ten onrechte tegenwerpt dat de door hen gesloten IPS-polis geen zorgverzekering ingevolge de Zvw is. Zij voeren daartoe onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat de IPS-polis niet door de verzekeraar is gemeld bij de zorgautoriteit. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen zij naar de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 mei 2010 in zaak nr. 09/2329 (LJN: BM3360; www.rechtspraak.nl).

2.4.1.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in 2008 gewerkt en loon uit diensbetrekking genoten waarover loonbelasting verschuldigd was. Zij waren derhalve van rechtswege verzekerd ingevolge de AWBZ. Dit brengt mee dat zij ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Zvw verplicht waren zich met een zorgverzekering - ook wel basisverzekering genoemd - te verzekeren tegen het in artikel 10 van de Zvw bedoelde risico.

    Uit artikel 2, eerste lid, van de Wzt, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef, onder b en d, van die wet volgt dat de zorgtoeslag een tegemoetkoming is in de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zvw. Met de zorgtoeslag wordt beoogd een gedeelte van de premie van de wettelijk verplichte zorgverzekering te compenseren voor verzekerden met een laag inkomen. Een verzekerde als bedoeld in artikel 1, aanhef, onder c, van de Wzt, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder f, van de Zvw, heeft derhalve slechts aanspraak op zorgtoeslag indien ten behoeve van de aanvrager ervan in het betreffende berekeningsjaar een zorgverzekering in de zin van artikel 1, onder d, van de Zvw is gesloten.

2.4.2.    De ingevolge artikel 25, eerste en tweede lid, van de Zvw op de verzekeraar rustende verplichting om vooraf melding te maken van zijn voornemen zorgverzekeringen aan te bieden en zijn modelovereenkomsten over te leggen, strekt ertoe dat de zorgautoriteit kan nagaan of een volgens dat model gesloten overeenkomst een zorgverzekering zal zijn die voldoet aan de eisen die de Zvw stelt en dientengevolge is aan te merken als zorgverzekering in de zin van artikel 1, onder d, van de Zvw. Deze eisen betreffen onder meer het in de zorgverzekering op te nemen risico - de behoefte aan bepaalde vormen van zorg of met die zorg verband houdende diensten - alsmede de inhoud en omvang van de prestaties die op grond van de zorgverzekering dienen te worden geleverd. Hier staat tegenover dat de verzekeraar voor verzekerden in de zin van de Zvw aanspraak kan maken op een vereveningsbijdrage.

    De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gesloten IPS-polis was niet gemeld en derhalve niet bekend bij het CvZ, dat ingevolge de Zvw een register bijhoudt van de door verzekeraars aangemelde modelovereenkomsten van zorgverzekeringen. Het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden gaat niet op, reeds omdat daarin niet is ingegaan op vorenbedoeld vereiste. De rechtbank Rotterdam heeft dan ook met juistheid overwogen dat de Belastingdienst [appellant sub 1] en [appellant sub 2] terecht heeft tegengeworpen dat de IPS-polis niet voldoet aan de bepalingen van de Zvw en dat zij daarom in 2008 geen zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Zvw hebben gesloten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn derhalve geen verzekerden als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Zvw. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen aanspraak hebben op zorgtoeslag. Daar komt bij dat de IPS-polis, gezien de voorwaarden, niet als een zodanige zorgverzekering is aangeboden.

    Het betoog faalt.

2.5.    [appellant sub 1] betoogt dat hij aan het besluit van 27 februari 2009, waarbij de zorgtoeslag over 2007 - definitief - is vastgesteld op € 1.223,00 het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij voor het jaar 2008 ook aanspraak kon maken op zorgtoeslag. Voorts voert hij aan dat hij erop mocht vertrouwen dat de Belastingdienst de uitbetaalde voorschotten niet zou terugvorderen, nu hij de Belastingdienst desgevraagd reeds op 20 september 2006 een kopie van de IPS-polis heeft toegezonden, zodat deze ervan op de hoogte was dat hij een dergelijke verzekering had gesloten.

2.5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 augustus 2011 in zaak nr. 201100343/1/H2), vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Algemene wet inzake inkomensafhankelijke regelingen voort dat aan de verlening van een voorschot van - in dit geval - zorgtoeslag geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. De voorschotten worden ook verrekend met de definitieve tegemoetkoming, hetgeen eveneens kan leiden tot een terugvordering. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de Belastingdienst zich in dit verband terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet is gehouden een eenmaal gemaakte fout te herhalen. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat door de Belastingdienst een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Het betoog faalt.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Polak    w.g. Lodder

voorzitter      ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

17-710.