Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201109885/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109885/1/A3.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Makkum, gemeente Súdwest-Fryslân,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 augustus 2011 in zaak nr. 11/174 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 2 december 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 oktober 2011.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.A. Beswerda, advocaat te Sneek, en het CBR, vertegenwoordigd door L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

    Ingevolge artikel 132, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

    Ingevolge het tweede lid van dit artikel, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

    Ingevolge artikel 133, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

    Ingevolge artikel 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 van de Wvw 1994 bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten door het CBR vastgesteld.

    Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2.    Het CBR heeft het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard, omdat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de geschiktheid. Daartoe heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen geldige reden voor verhindering had. Dat [appellant] de kennisgeving van de aangetekende brief van 20 juli 2010, te laat heeft ontdekt, omdat hij over twee brievenbussen beschikt waarvan hij één niet in gebruik heeft, dient voor zijn rekening te komen, aldus het CBR.

2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij een geldige reden voor verhindering had, omdat hij de kennisgeving van de aangetekende brief te laat ontdekte. Hij voert hiertoe aan dat hij beschikt over twee brievenbussen. De brievenbus die hij gebruikt staat direct aan de openbare weg zoals voorgeschreven bij de Postregeling 2009 (hierna: de Regeling). De brievenbus die hij niet gebruikt is gemonteerd naast zijn voordeur. De postbezorger heeft de kennisgeving in de verkeerde brievenbus gedaan. Van een postbezorger mag worden verwacht dat hij de brievenbus gebruikt die bij de Regeling is voorgeschreven. Derhalve dient het niet voor rekening van [appellant] te komen dat hij de kennisgeving te laat heeft ontdekt. Bovendien heeft hij direct nadat hij de kennisgeving had ontdekt telefonisch contact opgenomen met het CBR. Een medewerker van het CBR vertelde hem dat hij nader bericht moest afwachten. Hierdoor heeft hij een geldige reden voor het feit dat hij niet bij het onderzoek naar de geschiktheid is verschenen, aldus [appellant].

2.3.1.    Het CBR heeft bij aangetekend en onaangetekend verzonden besluit van 3 mei 2010 aan [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. In dit besluit staat vermeld dat alle toekomstige aangetekende correspondentie niet meer zal worden gevolgd door een onaangetekende kopie. Tevens heeft het CBR [appellant] ervan op de hoogte gesteld dat, wanneer hij niet meewerkt aan het onderzoek, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard. Bij aangetekend verzonden brief van 20 juli 2010 is [appellant] opgeroepen voor het onderzoek dat zou plaatsvinden op 24 augustus 2010. Deze brief is op 17 augustus 2010 retour gekomen met de mededeling "niet afgehaald".

2.3.2.    Niet in geschil is dat het CBR de oproeping voor het onderzoek per aangetekende brief naar het juiste adres heeft verzonden. Het is vaste praktijk van TNT Post, thans PostNL, dat, indien uitreiking van een aangetekend stuk aan de geadresseerde niet mogelijk blijkt, in de brievenbus van de geadresseerde een kennisgeving wordt achtergelaten dat het stuk gedurende een zekere termijn op het postkantoor kan worden afgehaald. [appellant] betwist dat de postbezorger de kennisgeving op de juiste wijze heeft achtergelaten.

    Vaststaat dat [appellant] de kennisgeving heeft ontvangen. Eveneens staat vast dat [appellant] over twee brievenbussen beschikt. Eén brievenbus is direct aan de openbare weg geplaatst. De andere brievenbus bevindt zich  naast de voordeur. Daargelaten of de Regeling [appellant] dan wel de postbezorger verplicht gebruik te maken van een bepaalde brievenbus, heeft [appellant] de kans aanvaard dat in beide brievenbussen poststukken worden achtergelaten. Hierbij wordt met de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellant] de brievenbus naast de voordeur niet onbruikbaar heeft gemaakt. Nu [appellant] door het CBR is gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan het onderzoek naar de geschiktheid, lag het in dit geval temeer op zijn weg om beide brievenbussen te controleren op poststukken. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het niet tijdig vinden van de kennisgeving voor risico van [appellant] komt. Dat [appellant] direct nadat hij de kennisgeving ontdekte telefonisch contact heeft opgenomen met het CBR, doet hier niet aan af. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting niet is komen vast te staan wanneer [appellant] de kennisgeving heeft ontdekt en wanneer hij contact heeft opgenomen met het CBR, zodat niet kan worden vastgesteld of deelname aan het onderzoek op 24 augustus 2010 op dat moment nog mogelijk was. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het CBR uit zorgvuldigheidsoverwegingen in dit geval gehouden was telefonisch inlichtingen te verschaffen over de inhoud van de aangetekend verzonden brief, zodat [appellant] nog tijdig aan het onderzoek had kunnen deelnemen.

    Derhalve is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat [appellant] een geldige reden had om niet bij het onderzoek naar de geschiktheid te verschijnen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het CBR, ingevolge artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994, op goede gronden het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft verklaard.

    Het betoog faalt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Borman                            w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

317-730.