Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201105620/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ1323, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] tot inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register) en op de zogenoemde uitwijklijst als tolk Nederlands-Arabisch (Marokkaans) en Nederlands-Berber (Tarifit) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105620/1/A3.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 april 2011 in zaak nr. 10/82 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Eindhoven,

en

de minister.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] tot inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het register) en op de zogenoemde uitwijklijst als tolk Nederlands-Arabisch (Marokkaans) en Nederlands-Berber (Tarifit) afgewezen.

Bij besluit van 3 december 2009 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 december 2009 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D.E.S. Tomeij, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) is er een register voor beëdigde tolken en vertalers.

    Ingevolge het tweede lid is de minister verantwoordelijk voor het register en kan de minister een bewerker aanwijzen.

    Ingevolge artikel 3 dient de tolk dan wel de vertaler, om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen, te voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van de volgende competenties:

- attitude van een tolk voor de tolk;

- attitude van een vertaler voor de vertaler;

- integriteit;

- taalvaardigheid in de brontaal;

- taalvaardigheid in de doeltaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de brontaal;

- kennis van de cultuur van het land of gebied van de doeltaal;

- tolkvaardigheid voor de tolk;

- vertaalvaardigheid voor de vertaler.

    Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, wordt de aanvraag tot inschrijving afgewezen indien de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 3 bedoelde eisen.

    Ingevolge artikel 37, aanhef en onder b, zijn de artikelen 3 en 5, onderdeel a, gedurende een periode van twee jaar na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de inschrijving in het register van degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet definitief zijn ingeschreven in het landelijk kwaliteitsregister tolken en vertalers, bedoeld in de Tijdelijke regeling van 13 mei 2003 houdende machtiging van de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch tot het beheer van het landelijke kwaliteitsregister tolken en vertalers (Stcrt. 2003, 94).

    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Bbtv) is er een commissie beëdigde tolken en vertalers.

    Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, is de commissie belast met het adviseren over de competenties, genoemd in artikel 3 van de Wbtv.

    Ingevolge artikel 8, eerste lid, wordt een tolk of vertaler in het register ingeschreven, indien hij voldoet aan een of meer van de volgende eisen:

a. hij beschikt over een of meer van de volgende getuigschriften waaruit blijkt dat hij met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot tolk of vertaler als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:

    1°. een getuigschrift waaruit blijkt dat het recht is verkregen om de titel baccalaureus te voeren;

    2°. een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Bachelor is verleend; of

    3°. een getuigschrift waaruit blijkt dat de graad Master is verleend;

b. hij kan anderszins aantonen te voldoen aan de wettelijke competenties.

    Ingevolge het tweede lid kan de minister onafhankelijke deskundigen aanwijzen die taal- en cultuurtoetsen kunnen afnemen waarmee tolken en vertalers kunnen aantonen dat ze beschikken over de desbetreffende wettelijke competenties.

    Ingevolge het derde lid wordt een tolk of vertaler op wie het overgangsrecht van artikel 37 van de Wbtv van toepassing is, ingeschreven in het register.

    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Regeling) van 24 december 2008 (Stcrt. 2008, 250) heeft de minister de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch aangewezen als de instelling die het register bewerkt, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wbtv (hierna: de uitwijklijst).

    De raad voor rechtsbijstand heeft voor de beoordeling van aanvragen tot inschrijving in het register het Besluit inschrijving Rbtv van 26 maart 2009 (Stcrt. 2009, 68; hierna: het Besluit inschrijving) vastgesteld.

    Volgens artikel 2 kan een tolk of vertaler, indien hij/zij niet beschikt over een diploma van een tolk- of vertaleropleiding op minimaal bachelorniveau, worden ingeschreven in het register na overlegging van een getuigschrift waaruit blijkt dat de tolk of vertaler in de desbetreffende talencombinatie dan wel vertaalrichting en vaardigheid een tolk- of vertalertoets heeft afgelegd die voldoet aan het door de raad voor rechtsbijstand vast te stellen dan wel vastgestelde kader voor toetsen.

    Volgens artikel 3 kan de raad voor rechtsbijstand in uitzonderlijke gevallen een verzoek tot inschrijving voorleggen aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers indien voor een vaardigheid of talencombinatie dan wel vertaalrichting geen toets beschikbaar is.

Daartoe moet de tolk of vertaler aantonen:

• te beschikken over hbo-werk- en denkniveau en

• te beschikken over taalvaardigheid in de desbetreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) op het vereiste niveau en

• minimaal vijf jaar ervaring te hebben als beroepstolk of -vertaler in de betreffende vaardigheid en talencombinatie dan wel vertaalrichting en

• scholing te hebben gevolgd om tolk- of vertaalvaardigheid en -attitude te ontwikkelen.

    Volgens artikel 4 neemt de raad voor rechtsbijstand een besluit op het verzoek tot inschrijving nadat de Commissie beëdigde tolken en vertalers advies heeft uitgebracht.

2.2.    De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat het besluit op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering, nu het mede is gebaseerd op het Besluit inschrijving, hetwelk door de raad voor rechtsbijstand is vastgesteld terwijl de bevoegdheid daartoe niet aan hem was gemandateerd. Voorts heeft de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. In dat verband heeft zij overwogen dat niet in geschil is dat [wederpartij] geen beroep kan doen op de overgangsregeling van artikel 37 van de Wbtv en dat hij niet beschikt over een van de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbtv genoemde getuigschriften. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister heeft mogen weigeren [wederpartij] in het register in te schrijven als tolk Nederlands-Arabisch (Marokkaans). Voorts heeft zij overwogen dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft geweigerd de aanvraag van [wederpartij], voor zover het de inschrijving als tolk Nederlands-Berber (Tarifit) betreft, voor te leggen aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers, bedoeld in artikel 3 van het Besluit inschrijving. De verklaring van [wederpartij] dat hij veelvuldig zonder klachten tolkwerkzaamheden heeft verricht voor rechtbanken, politie en advocaten en het door hem overgelegde getuigschrift van het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland van 16 april 2009 (hierna: het getuigschrift) vormen in elk geval een begin van bewijs dat hij het Berber (Tarifit) op het door artikel 3 van het Besluit inschrijving vereiste niveau beheerst, aldus de rechtbank.

2.3.    De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag van [wederpartij] niet had mogen worden getoetst aan het Besluit Inschrijving.

2.3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 24 augustus 2011 in zaken nrs. 201100163/1/H3 en 201100969/1/H3), behelst het in paragraaf 3 van de Regeling aan de raad voor rechtsbijstand gegeven mandaat voor wat betreft de Wbtv slechts de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en niet tevens een mandaat voor de vaststelling van beleidsregels. Daarvoor is ingevolge afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in verbinding met artikel 4:81 van die wet een afzonderlijk mandaat vereist. Nu de minister eerst bij regelingen van 13 januari 2011 (Stcrt. 2011, 1029 en 1030) dit mandaat heeft verleend en het Besluit inschrijving heeft bekrachtigd, bevatte het Besluit inschrijving ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen bevoegdelijk vastgestelde beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201100969/1/H3 en 21 maart 2012 in zaak nr. 201104182/1/A3), betekent dit evenwel niet dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag het Besluit inschrijving niet mocht betrekken. De minister heeft het Besluit inschrijving sinds de vaststelling op 26 maart 2009 bij de beoordeling van alle aanvragen toegepast, zodat het dient te worden geduid als een vaste gedragslijn die als zodanig bij de beoordeling mocht worden betrokken.

    Het betoog slaagt.

2.4.    Verder betoogt de minister dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag van [wederpartij] terecht niet is voorgelegd aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers. Door te wijzen op zijn ervaring en het getuigschrift heeft [wederpartij] niet aangetoond het Berber (Tarifit) op hbo-niveau te beheersen. Een begin van bewijs is in dit verband onvoldoende, aldus de minister.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201011478/1/H3; www.raadvanstate.nl), moet worden vooropgesteld dat uit artikel 3 van de Wbtv, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Bbtv, en bezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbtv (Kamerstukken II, 2004/05, 29 936, nr. 8, blz. 8-9), voortvloeit dat een tolk slechts voor inschrijving in het register in aanmerking komt indien hij de taal waarvoor hij wenst te worden ingeschreven op hbo-niveau beheerst. In die uitspraak is voorts overwogen dat het op de weg van de tolk ligt om dit aan te tonen.

2.4.2.    De minister voert terecht aan dat de omstandigheid dat [wederpartij] veelvuldig zonder klachten tolkwerkzaamheden in het Berber (Tarifit) heeft verricht voor rechtbanken, politie en advocaten niet maakt dat hij die taal op hbo-niveau beheerst. Daarbij stelt de minister terecht dat genoemde afnemers van de tolkwerkzaamheden in de regel niet kunnen beoordelen op welk niveau een tolk de taal beheerst, omdat zij de taal zelf niet of onvoldoende beheersen. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat uit het getuigschrift niet kan worden afgeleid dat is getoetst of [wederpartij] het Berber (Tarifit) op hbo-niveau beheerst. Dat op het getuigschrift staat vermeld dat hij sinds 1997 in diverse specialisaties op betrouwbare en professionele wijze tolkwerkzaamheden verricht, heeft de minister daartoe onvoldoende mogen achten.

    Aangezien [wederpartij] ook overigens niet heeft aangetoond het Berber (Tarifit) op hbo-niveau te beheersen, voldoet hij niet aan alle vereisten van artikel 3 van het Besluit inschrijving. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister niet heeft mogen weigeren de aanvraag van [wederpartij] voor te leggen aan de Commissie beëdigde tolken en vertalers.

    Het betoog slaagt.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

    In hoger beroep is onbestreden dat [wederpartij] niet voldoet aan de vereisten om op andere wijze dan op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbtv gelezen in verbinding met artikel 3 van het Besluit inschrijving als tolk Nederlands-Berber (Tarifit) in het register te worden ingeschreven. De minister heeft daarom bij het besluit op bezwaar terecht de weigering van die inschrijving gehandhaafd. Daarom zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van de minister van 3 december 2009 ongegrond verklaren.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 april 2011 in zaak nr. 10/82;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Herweijer

voorzitter              ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

640.