Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201108073/1/A1, 201108074/1/A1 en 201108075/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college aan Afvalzorg vrijstelling verleend ten behoeve van het uitbreiden van de stortcapaciteit van de stortplaats Nauerna te Assendelft (hierna: de stortplaats).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/114 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2012/810
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108073/1/A1, 201108074/1/A1 en 201108075/1/A1.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak strekkende tot vervallenverklaring van de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2012, in zaak nrs. 201108073/1/A1, 201108074/1/A1 en 201108075/1/A1, op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Afvalzorg Deponie B.V., gevestigd te Assendelft, gemeente Zaanstad,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 21 juni 2011 in zaak nrs. 09/3776, 09/3838 en 09/3981 in de gedingen tussen:

1. [wederpartij sub 1], wonend te Assendelft, gemeente Zaanstad,

2. [wederpartij sub 2], wonend te Assendelft, gemeente Zaanstad,

3. Belangengroep Nauerna, gevestigd te Assendelft, gemeente Zaanstad

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college aan Afvalzorg vrijstelling verleend ten behoeve van het uitbreiden van de stortcapaciteit van de stortplaats Nauerna te Assendelft (hierna: de stortplaats).

Bij afzonderlijke uitspraken van 21 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 30 juni 2009 vernietigd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2011, en Afvalzorg bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 20 september 2011. Afvalzorg heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 20 september 2011.

[wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna hebben een verweerschrift ingediend.

Het college, [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college opnieuw vrijstelling verleend van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van de uitbreiding van de stortplaats, overeenkomstig het besluit van 30 juni 2009.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 13 februari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Abdoelkariem, G. de Graaf en ing. B.D. Wekx en bijgestaan door mr. J.C. Ellerman en mr. R.D. Lubach, beiden advocaat te Amsterdam, en Afvalzorg, vertegenwoordigd door B. Krom en A. de Wit en bijgestaan door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], en Belangengroep Nauerna, ter zitting als belanghebbenden gehoord.

Bij uitspraak van 18 april 2012 heeft de Afdeling de hoger beroepen ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.

Bij brief van 30 mei 2012 heeft de Afdeling naar aanleiding van een brief van het college van 24 april 2012 aan partijen medegedeeld voornemens te zijn de uitspraak van 18 april 2012 vervallen te verklaren en opnieuw uitspraak te doen.

De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan de door onderscheidenlijk [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna op 26 april 2012 en 30 april 2012 bij de rechtbank ingediende beroepschriften tegen het besluit van 8 februari 2012 ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Het college, Afvalzorg, [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna hebben met het voornemen van de Afdeling ingestemd en toestemming gegeven om het houden van een zitting achterwege te laten.

2. Overwegingen

2.1. Gebleken is dat in de uitspraak van 18 april 2012 het besluit van het college van 8 februari 2012, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraken en waarbij opnieuw vrijstelling is verleend ten behoeve van de uitbreiding van de stortplaats, ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken. De Afdeling ziet hierin aanleiding om de uitspraak van 18 april 2012 vervallen te verklaren en thans opnieuw uitspraak te doen op de door het college en Afvalzorg ingestelde hoger beroepen, waarbij het besluit van 8 februari 2012 ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht wordt eveneens voorwerp te zijn van het geding.

De Afdeling overweegt als volgt.

2.2. Het vrijstellingsbesluit van 30 juni 2009 heeft betrekking op het uitbreiden van de stortcapaciteit van de stortplaats met circa 3,7 miljoen m3. Hiertoe zullen twee van de vier stortheuvels aan de zuidkant van de stortplaats worden verhoogd. De heuvels worden verhoogd van 25 m naar 35 m en van 30 m naar 50 m.

2.3. Op de gronden waar de stortplaats is gelegen rust ingevolge het bestemmingsplan "Nauernasche Polder 1995" de bestemming "Recreatieve groenvoorziening".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften is als afwijkend gebruik een tijdelijke aanwending als vuilstortplaats toegestaan, met de daarbij behorende bouwwerken, waterkerende en zuiveringstechnische voorzieningen en overige werken.

Ingevolge het tweede lid, onder a, voor zover hier van belang, geldt voor het afwijkend gebruik als vuilstortplaats dat, voordat de (eind)bestemming wordt gerealiseerd, voor de op de plankaart aangeduide gronden als afwijkend gebruik de tijdelijke aanwending als vuilstortplaats is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

1. (…)

2. (…)

3. de stortcapaciteit niet meer zal bedragen van 3,5 miljoen m3.

4. (…)

5. als minimale hoogte dient 6,70 m + NAP (inclusief 2 m bovenafdichtingsconstructie) te worden aangehouden. De maximale hoogtes zijn de hoogtes van de op te richten stortheuvels, inclusief de afdichtingsconstructie. Deze staan op de plankaart aangegeven.

2.4. Het uitbreiden van de stortcapaciteit van de stortplaats is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de maximale stortcapaciteit en de maximale hoogte van de stortheuvels worden overschreden. Om de uitbreiding van de stortplaats niettemin te kunnen realiseren heeft het college vrijstelling verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.5. Het college en Afvalzorg betogen dat de uitspraken van de rechtbank, waarin is geoordeeld dat met de uitbreiding de recreatieve eindbestemming van de stortplaats eerst na verloop van zeer lange tijd kan worden gerealiseerd en dat onvoldoende recht is gedaan aan de actuele belangen van omwonenden, onvoldoende zijn gemotiveerd. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden niet op juiste wijze heeft afgewogen. Volgens Afvalzorg vormt de stortplaats geen gevaar voor de gezondheid en veroorzaakt de uitbreiding niet meer overlast dan de huidige stortplaats. Afvalzorg betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het belang van afvalverwerking in Nederland en het belang van Afvalzorg bij uitbreiding van de stortplaats. Voorts zal volgens hen worden vastgehouden aan het voornemen om het terrein na het sluiten van de stortplaats volledig in te richten als recreatieterrein. In dit verband wijzen zij er op dat vooruitlopend op de volledige recreatieve bestemming aan de noordoostzijde van het terrein een oppervlakte van circa 8 hectare zal worden ingericht als recreatiepark.

2.5.1. In het vrijstellingsbesluit en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing "Uitbreiding stortcapaciteit door middel van het verhogen van twee van de vier heuvels, op de locatie stortplaats Nauerna te Assendelft" van 8 april 2009 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) is aangegeven dat het gewijzigde afvalaanbod het noodzakelijk maakt om de stortplaats uit te breiden. Door het college is ter zitting toegelicht dat door de uitbreiding de exploitatieduur van de stortplaats wordt verlengd, maar dat bij het verlenen van de vrijstelling het bestemmingsplan bepalend is en dat hierin de tijdelijke aanwending als stortplaats niet wordt begrensd. Daarnaast blijft het in het bestemmingsplan opgenomen voornemen om een recreatieve eindbestemming te realiseren ongewijzigd. Verder heeft het college onder verwijzing naar de "Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht, Afvalzorg-Nauerna" van 30 maart 2007 gesteld dat de relevante milieuaspecten zijn beoordeeld en dat de capaciteitsuitbreiding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. Voorts zal als tegemoetkoming naar de omgeving, vooruitlopend op de volledige recreatieve bestemming, aan de noordzijde van het terrein ter hoogte van het buurtschap Nauerna een oppervlakte van circa 8 hectare versneld worden ingericht als groenbuffer c.q. "parkje" voor recreatie.

2.5.2. Het college heeft bij het nemen van het vrijstellingsbesluit ten onrechte bepalend geacht dat in het bestemmingsplan geen termijn is opgenomen voor het tijdelijk gebruik als stortplaats. Dat in artikel 8 van de planvoorschriften niet is bepaald gedurende welke termijn een tijdelijke aanwending als stortplaats is toegestaan, betekent niet dat aan dit vereiste van tijdelijkheid geen betekenis toekomt. Het college heeft niet onderkend dat het verlenen van vrijstelling voor het uitbreiden van de stortcapaciteit van de stortplaats tot gevolg heeft dat de exploitatieduur van de stortplaats zodanig wordt verlengd, dat daarmee geen recht wordt gedaan aan het vereiste van tijdelijkheid in het bestemmingsplan. In dit verband is van belang dat het college ter zitting heeft aangegeven dat het gebruik als stortplaats kan worden voortgezet, zolang het bestemmingsplan, dat onherroepelijk is, gelding houdt. Anders dan het college en Afvalzorg betogen, waarborgt de bepaling in het bestemmingsplan dat een recreatieve eindbestemming dient te worden gerealiseerd niet dat het gebruik als stortplaats niet gedurende een zeer lange periode kan worden voortgezet. Nu het college in zijn belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen die het vrijstellingbesluit heeft voor de exploitatieduur van de stortplaats en de gevolgen daarvan voor de omwonenden, heeft het de bij het besluit betrokken belangen op onjuiste wijze afgewogen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.7. Het besluit van het college van 8 februari 2012, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraken, wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Van de zijde van [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna is van rechtswege een beroep tegen dit besluit ontstaan, nu daarbij aan hun bezwaren niet is tegemoetgekomen.

2.8. Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college opnieuw vrijstelling verleend van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van de uitbreiding van de stortplaats overeenkomstig het besluit van 30 juni 2009.

Nu het besluit van 8 februari 2012 is gebaseerd op dezelfde motivering en het berust op dezelfde belangenafweging als het besluit van 30 juni 2009, komt ook dit besluit, gelet op hetgeen onder 2.5.2 is overwogen, voor vernietiging in aanmerking.

2.8.1. De beroepen van [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna tegen het besluit van het college van 8 februari 2012 zijn gegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. verklaart de beroepen van [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en Belangengroep Nauerna tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 8 februari 2012 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 8 februari 2012.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

414-651.