Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201112776/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112776/1/A2.

Datum uitspraak: 25 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2011 in zaak nr. 11/1473 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door J.L. van Kerkvoort en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Laan, werkzaam bij de gemeente Aalsmeer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro, wordt een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, voor toepassing van afdeling 6.1 van de Wro gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

[appellant] heeft het verzoek om vergoeding van planschade op 1 maart 2009 ingediend, zodat de Wro daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, gelezen in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wro, voor zover hier van belang, kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 3.10, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2.2. [appellant] is eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie 1] (thans: [locatie 2]) te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer (hierna: het perceel). Hij heeft verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het vrijstellingsbesluit van 22 april 2008 dat de bouw van 75 woningen ten zuiden van zijn perceel betreft.

2.3. Het college heeft het verzoek om vergoeding van planschade ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). Deze heeft in een advies van juli 2010 geconcludeerd dat de planologische maatregel voor [appellant] niet heeft geleid tot een nadeliger positie. Daartoe is het volgende van belang geacht. Volgens het bestemmingsplan "Kudelstaart-Zuid 1992" had [appellant] vanaf het perceel, waarvan de woning onder dat plan nog was bestemd als agrarische bedrijfswoning, zicht op woningbouw in blokken van maximaal 2 woningen aaneen tot een goothoogte van 5,5 meter en een bouwhoogte van 8,5 meter. Met het vrijstellingsbesluit van 22 april 2008 is het zicht gewijzigd in zicht op woningbouw uit te voeren in strokenbouw met een goothoogte van ongeveer 5,8 meter en een bouwhoogte van ongeveer 10 meter. Aangezien in het bestemmingsplan geen voorschriften zijn gegeven ten aanzien van aan te houden afstanden tussen te bouwen blokken van woningen, is de SAOZ van oordeel dat de wijziging van het uitzicht niet van dien aard is dat daardoor schade zou kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 17 augustus 2010, zoals gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2011, ten grondslag gelegd.

2.4. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door verandering van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de SAOZ niet als ondeskundig heeft aangemerkt. Hij stelt in dat verband dat hij sinds het eerste bezoek van de SAOZ de indruk heeft dat zij erop uit was tot een rapport te komen dat hem alle kansen op een passende vergoeding zou ontnemen.

2.5.1. De SAOZ is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200904677/1/H2) te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. [appellant] heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het advies van de SAOZ van juli 2010 niet als onpartijdig of onafhankelijk is aan te merken.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de SAOZ een onjuiste planologische vergelijking heeft gemaakt. Hiertoe voert hij aan dat de SAOZ ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat het bebouwingsplan is gewijzigd van 2 woningen aaneen in strokenbouw. Strokenbouw heeft een andere uitstraling dan bebouwing in de vorm van twee onder een kap en leidt hier tot onevenredige inbreuk op de privacy. Voorts is de goothoogte toegenomen met 30 centimeter en de bouwhoogte met 3,5 meter, aldus [appellant].

2.6.1. Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2012 in zaak nr. 201106837/1/H2) bij het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

Het advies van de SAOZ biedt op de wijze als hiervoor bedoeld inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellant] door de planologische wijziging geen planschade heeft geleden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] geen concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren heeft gebracht en dat er geen grond is voor het oordeel dat de SAOZ onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij de planologische vergelijking. Of sprake is van planschade dient in abstracto te worden onderzocht, op de wijze zoals onder 2.4 weergegeven. Het was daarom voor de betrokken ambtenaren en bestuurders, anders dan [appellant] stelt, ook niet noodzakelijk om na de inschakeling van de SAOZ de situatie ter plekke te bekijken.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012

18-735.