Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
201203215/1/R4 en 201203215/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 is het bestemmingsplan "Nieuw Amsterdam en Veenoord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203215/1/R4 en 201203215/2/R4.

Datum uitspraak: 16 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], handelend onder de naam Dierenkliniek Makatsi (hierna: Makatsi), gevestigd te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Emmen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 is het bestemmingsplan "Nieuw Amsterdam en Veenoord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Makatsi bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2012, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft Makatsi de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 mei 2012, waar Makatsi, vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, en de raad, vertegenwoordigd door drs. M.A.G. Snijders, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor Nieuw-Amsterdam en Veenoord met uitzondering van het bedrijventerrein "De Tweeling".

2.3. De gronden, waarop de dierenkliniek, gelegen aan Vaart ZZ 62 te Nieuw-Amsterdam, is gevestigd, hebben de bestemming "Maatschappelijk - Dierenarts" met onder meer de aanduiding "specifieke vormen van maatschappelijk - kattenopvang".

2.4. Het beroep van Makatsi is gericht tegen artikel 19.5 van de planregels dat het aantal katten dat op die gronden mag verblijven, limiteert tot 50 katten. De Dierenkliniek betoogt dat ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen het aantal katten dat buiten het reguliere gebruik wordt opgevangen en de katten die in kader van een behandeling in de dierenkliniek aldaar verblijven en de opvang van honden en andere dieren dan katten. Voorts is voor het bepalen van het totaal aantal katten dat mag verblijven op de gronden ten onrechte het Honden- en kattenbesluit 1999 als toetsingskader gehanteerd, nu deze regeling ziet op de gezondheid en het welzijn van dieren en geen grondslag biedt voor een planologische afweging.

2.4.1. Ingevolge artikel 19.5, onder a, van de planregels wordt in ieder geval tot een gebruik, strijdig met de bestemming "Maatschappelijk - Dierenarts" gerekend:

1. het gebruik van niet geluidsgevoelige ruimtes als geluidsgevoelige ruimte.

2. kattenopvang van meer dan 50 katten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kattenopvang";

3. de opvang van honden en andere dieren dan katten, anders dan de tijdelijke inpandige verzorging van honden en andere dieren ten dienste van de uitvoering van een dierenartsenpraktijk.

2.4.2. De raad heeft wegens de specifieke situatie ter plekke gekozen voor de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kattenopvang". Deze kattenopvang heeft betrekking op katten die worden opvangen buiten de reguliere openingstijden van de dierenartsenpraktijk. Katten die voor een dagbehandeling komen of een spreekuur bezoeken behoren daar niet toe. Bij de afweging over de aanvaardbaarheid van de desbetreffende opvang van katten heeft de raad betrokken dat vanuit een goede ruimtelijk ordening een structurele opvang van katten als nevenactiviteit bij de bestaande dierenartsenpraktijk tot op zekere hoogte aanvaardbaar is met dien verstande dat dit niet mag leiden tot overlast voor de omgeving.

2.4.3. De raad heeft wat betreft de limitering van het aantal op te vangen katten, het Honden- en kattenbesluit 1999 als handvat gehanteerd. Met het desbetreffende aantal katten kunnen twee groepen van maximaal 20 katten worden opgevangen overeenkomstig het Honden- en kattenbesluit 1999. Daarboven kunnen voorts buiten de reguliere openingstijden maximaal 10 katten worden opgevangen voor de uitoefening van de dierenartsenpraktijk. Dat het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals Makatsi betoogt, niet een planologische regeling betreft, maakt niet dat de raad deze regeling niet in redelijkheid van belang heeft kunnen achten ter onderbouwing van de keuze om het aantal op te vangen katten te beperken tot 50 katten.

2.4.4. De dichtstbijgelegen woning bevindt zich op 30 meter afstand van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kattenopvang".

Makatsi heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich, gelet op de situering van de gronden ten opzichte van de in de nabijheid gelegen woningen, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de omgeving om overlast aldaar zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken dan aan het belang van de Dierenkliniek om als nevenactiviteit buiten de reguliere openingstijden van de dierenartspraktijk een groter aantal dan de gestelde 50 katten op te vangen. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad om te voorkomen dat de opvang van dieren als hoofdactiviteit op de gronden zal plaatsvinden en daarmee ter voorkoming van een toename van overlast voor de omgeving, naast het limiteren van het aantal op te vangen katten, in redelijkheid artikel 19.5, onder a, derde lid, van de planregels heeft kunnen opnemen.

2.4.5. De raad heeft in artikel 19.5, onder a, tweede lid, geen onderscheid willen maken tussen katten die worden behandeld en katten in de opvang, omdat met het stellen van een maximum voor het totale aantal katten een simpel en objectief criterium is gegeven dat de benodigde flexibiliteit biedt voor de bedrijfsvoering van de dierenkliniek en de gewenste opvang van katten om andere redenen. De voorzitter acht dit standpunt niet onredelijk. Makatsi heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in zoverre door het plan onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad.

Het betoog faalt.

2.5. Makatsi voert aan dat zij op grond van het in artikel 49.2, onder a, van de planregels opgenomen overgangsrecht reeds meer dan 50 katten kan houden, zodat artikel 19.5 van de planregels voor het in werking zijn van de dierenkliniek niet van belang is.

2.5.1. Ingevolge artikel 49.2, onder a, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

2.5.2. In het vorige bestemmingsplan was ter plekke opvang van katten toegestaan, mits rekening werd gehouden met de omgeving, zodat ook toen reeds van een zekere beperking sprake was.

Makatsi heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaande aan het vaststellen van het bestemmingsplan op de gronden onafgebroken meer dan 50 katten werden gehouden, zodat hetgeen Makatsi heeft aangevoerd reeds hierom geen aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 19.5 van de planregels geen zinvolle regeling bevat.

Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen Makatsi heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2012

375.