Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
201011335/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beleid wordt niet op de juiste wijze uitgelegd indien wordt aangenomen dat bij vertrek uit een derde land, later dan zes maanden na de inreis in dat land, geen causaal verband hoeft te bestaan tussen het vertrek en de in het land van herkomst voorgevallen traumatiserende gebeurtenis. In de paragraaf C2/4.2.4 van de Vc 2000 wordt immers aangegeven dat indien een asielzoeker het derde land pas later dan zes maanden na zijn inreis heeft verlaten, op dezelfde wijze als bij een vertrek uit het land van herkomst wordt verondersteld dat de asielzoeker zich in het derde land heeft weten te handhaven en er geen reden was om dat land te verlaten. Er moet van worden uitgegaan dat hiermee wordt verwezen naar paragraaf C2/4.2.2 van de Vc 2000 over de toepassing van het traumatabeleid in gevallen waarin de betreffende vreemdeling direct is vertrokken uit zijn land van herkomst en dat derhalve ook indien de betreffende vreemdeling afkomstig is uit een derde land, aannemelijk moeten worden gemaakt dat eerder vertrek niet mogelijk was, zoals in de laatstgenoemde paragraaf wordt beschreven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/380
RV20120015 met annotatie van Wijnkoop M. Myrthe
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011335/1/V4.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 november 2010 in zaak nr. 09/25203 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 november 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor Immigratie en Asiel, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister), een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 november 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De vreemdeling is geboren in Armenië. Zijn moeder is van Azerische en zijn vader is van Armeense afkomst. In 1989 is in Armenië de moeder van de vreemdeling mishandeld en is zijn vader neergestoken. De vreemdeling heeft beide gebeurtenissen waargenomen. Hij is vervolgens met zijn moeder en zus gevlucht naar Georgië, alwaar zij van 1989 tot 1994 hebben verbleven. Tussen 1994 en 2000 verbleven zij in Rusland en vanaf begin 2001 tot september 2008 opnieuw in Georgië. Na het uitbreken van de oorlog tussen Rusland en Georgië is de vreemdeling naar Nederland vertrokken.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in geschil, overwogen dat de minister zijn standpunt dat de vreemdeling geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde traumatabeleid niet kan onderbouwen met de enkele vaststelling dat, nu gebleken is dat de vreemdeling zich jarenlang heeft kunnen handhaven in Georgië, sprake is van een derdelandenexceptie.

De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat de vreemdeling heeft aangevoerd zich niet te hebben kunnen handhaven in Georgië omdat hij en zijn moeder daar niet geregistreerd waren en geen rechtmatig verblijf hadden. Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling betrokken dat de vreemdeling minderjarig was en daarom zijn moeder moest volgen en dat de vreemdeling en zijn moeder beide keren Georgië hebben verlaten in verband met bedreigingen. Ten onrechte is de minister, volgens de rechtbank, niet inhoudelijk ingegaan op de problemen die de vreemdeling in Georgië stelt te hebben gehad.

2.4. In zijn enige grief klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de beoordeling van de gestelde aanspraken van de vreemdeling is gehandeld volgens het geldende beleid. De minister wijst erop dat gesteld noch is gebleken dat de vreemdeling eerder de intentie had om te vluchten, maar dat dit niet mogelijk was. Het enkele feit dat de vreemdeling minderjarig was maakt dit, nog afgezien van de omstandigheid dat hij ten tijde van zijn uiteindelijke vertrek naar Nederland inmiddels 28 jaar oud was, volgens de minister niet anders. Aan de omstandigheden dat de vreemdeling in Georgië niet geregistreerd stond en aldaar geen rechtmatig verblijf had komt, gelet op het geldende beleid dat de vraag of wedertoelating tot het derde land mogelijk is geen rol speelt bij de beoordeling, volgens de minister geen betekenis toe.

2.5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.5.1. Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) en voor zover hier van belang, is hierbij in de eerste plaats gedacht aan de situatie dat de vreemdeling getraumatiseerd is.

Volgens paragraaf C2/4.2.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dient voor een geslaagd beroep op het traumatabeleid aannemelijk te zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken asielzoeker binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten.

Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten.

Volgens C2/4.2.4 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, wordt aan het beoordelen van een asielaanvraag in het kader van het traumatabeleid in elk geval niet toegekomen als er sprake is van een derdelandenexceptie. Als de asielzoeker het derde land pas later dan zes maanden na zijn inreis aldaar heeft verlaten, wordt op dezelfde wijze als bij een vertrek uit het land van herkomst verondersteld dat de asielzoeker zich in het derde land heeft weten te handhaven en er geen reden was om dat land te verlaten. Bij een vertrek later dan zes maanden na de inreis in het derde land dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat hij zich aldaar niet kon handhaven. Wedertoelating tot het derde land speelt geen rol bij de beoordeling: als terugkeer naar dat derde land niet mogelijk is dan zal terugkeer naar het land van herkomst moeten plaatsvinden. Dit is immers ook het geval indien de vreemdeling later dan zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. In geen van beide gevallen is er sprake van refoulement, aangezien de vreemdeling niet valt onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag.

2.6. In het besluit van 16 juni 2009, en het daarin ingelaste voornemen van 24 maart 2009, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling, nu zijn moeder is aangerand en zijn vader voor zijn ogen is doodgestoken door strijders waartegen de autoriteiten destijds geen bescherming konden bieden en hij direct is gevlucht, voldoet aan de limitatieve opsomming van het traumatabeleid. De vreemdeling kan, zo wordt in het besluit gesteld, echter geen geslaagd beroep op dit beleid doen, aangezien hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet heeft weten te handhaven in Georgië waar hij van 1989 tot 1994 heeft verbleven en de reden dat hij is vertrokken uit Georgië niet langer in het verlengde ligt van de gebeurtenissen in Armenië.

2.6.1. Het beleid wordt niet op de juiste wijze uitgelegd indien wordt aangenomen dat bij vertrek uit een derde land, later dan zes maanden na de inreis in dat land, geen causaal verband hoeft te bestaan tussen het vertrek en de in het land van herkomst voorgevallen traumatiserende gebeurtenis. In de paragraaf C2/4.2.4 van de Vc 2000 wordt immers aangegeven dat indien een asielzoeker het derde land pas later dan zes maanden na zijn inreis heeft verlaten, op dezelfde wijze als bij een vertrek uit het land van herkomst wordt verondersteld dat de asielzoeker zich in het derde land heeft weten te handhaven en er geen reden was om dat land te verlaten. Er moet van worden uitgegaan dat hiermee wordt verwezen naar paragraaf C2/4.2.2 van de Vc 2000 over de toepassing van het traumatabeleid in gevallen waarin de betreffende vreemdeling direct is vertrokken uit zijn land van herkomst en dat derhalve ook indien de betreffende vreemdeling afkomstig is uit een derde land, aannemelijk moeten worden gemaakt dat eerder vertrek niet mogelijk was, zoals in de laatstgenoemde paragraaf wordt beschreven.

2.6.2. De vreemdeling heeft pas vijf jaar na de inreis in Georgië dat land voor de eerste maal verlaten en dit eerste vertrek hield, zo volgt uit hetgeen hij heeft verklaard, geen verband met de gebeurtenissen in Armenië. Nog daargelaten dat de vreemdeling vervolgens ongeveer zes jaar in Rusland en ruim zeven jaar opnieuw in Georgië heeft verbleven, heeft de minister zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat nog steeds sprake was van een situatie waarin van de vreemdeling op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband hielden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, niet kan worden verlangd terug te keren naar dat land.

Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen aanspraak kan maken op verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.8. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 juni 2009 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 november 2010

in zaak nr. 09/25203;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

348.

Verzonden: 18 juli 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser