Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX2076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
200903471/1/V3-A
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op hetgeen het Hof [in het arrest Kahveci en Inan] voor recht heeft verklaard, heeft de Rb. terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat de vreemdeling niet ingevolge artikel 7 van besluit nr. 1/80 in aanmerking kan komen voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer, die ook de Nederlandse nationaliteit heeft, geen stand kan houden. Hieruit volgt ook dat de minister in het nieuw te nemen besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar, zoals hij terecht in zijn reactie op het arrest heeft gesteld, bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling de aan voormeld artikel 7 verbonden rechten op de voet van artikel 14 van besluit nr. 1/80 kunnen worden ontnomen, het persoonlijke gedrag van de vreemdeling en het actuele, reële en voldoende ernstige karakter van het gevaar dat hij voor de openbare orde oplevert, zal moeten beoordelen (punt 40 van het arrest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903471/1/V3-A.

Datum uitspraak: 12 juli 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 16 april 2009 in zaken nrs. 08/28966 en 08/28967 in de gedingen tussen:

(de vreemdeling)

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 31 december 2009 in deze zaak heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de door haar gestelde vragen, de behandeling van het hoger beroep geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het eerdere procesverloop wordt naar die uitspraak verwezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij arrest van 29 maart 2012 in gevoegde zaken C-7/10 en C-9/10 (hierna: het arrest) heeft het Hof de gestelde vragen beantwoord. Dit arrest is aangehecht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vreemdeling bij brief van 11 mei 2012 en de minister bij brief van 4 mei 2012 een reactie op het arrest ingediend.

Partijen hebben de Afdeling toestemming gegeven om een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Voor het wettelijk kader dat in deze zaak van toepassing is, de voor het geschil relevante feiten, de standpunten van partijen en de gestelde vragen wordt verwezen naar de uitspraak van 31 december 2009, die hier in zoverre wordt geacht te zijn herhaald en ingelast. In aanvulling daarop wordt thans als volgt overwogen.

2.3. Het Hof heeft in het arrest het volgende voor recht verklaard:

Artikel 7 van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad, die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet in die zin worden uitgelegd dat de gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer zich nog steeds op deze bepaling kunnen beroepen wanneer die werknemer, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen.

2.3.1. Gelet op hetgeen het Hof voor recht heeft verklaard, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat de vreemdeling niet ingevolge artikel 7 van besluit nr. 1/80 in aanmerking kan komen voor verblijf als gezinslid van een Turkse werknemer, die ook de Nederlandse nationaliteit heeft, geen stand kan houden.

Hieruit volgt ook dat de minister in het nieuw te nemen besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar, zoals hij terecht in zijn reactie op het arrest heeft gesteld, bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling de aan voormeld artikel 7 verbonden rechten op de voet van artikel 14 van besluit nr. 1/80 kunnen worden ontnomen, het persoonlijke gedrag van de vreemdeling en het actuele, reële en voldoende ernstige karakter van het gevaar dat hij voor de openbare orde oplevert, zal moeten beoordelen (punt 40 van het arrest).

De grief faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2829,00 (zegge: tweeduizend achthonderdnegenentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Laar

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012

347-551.

Verzonden: 12 juli 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser