Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201108174/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college het uitwerkingsplan "Buytenland van Rhoon" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108174/1/R4.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

3. [appellant sub 3], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

4. [appellant sub 4], wonend te Barendrecht, en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college het uitwerkingsplan "Buytenland van Rhoon" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2011, en [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, tezamen met de zaken nrs. 201006363/1/R4 en 201006529/1/R4, ter zitting behandeld op 7 maart 2012, waar [appellant sub 1], in persoon, bijgestaan door mr. J.J. Nicolaas, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 3], in persoon, [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M. van Harten, advocaat te Den Haag en [appellant sub 3], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.M.F.F. Verbeet, mr. H.J. Zwalve-Erades, beiden werkzaam bij Royal Haskoning, en ir. P. Kuiper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink en mr. J.A. Spee, beiden advocaat te Den Haag, drs. M. ten Brinke, ir. C. Harmsen, drs. T. van den Broek, ir. F.T. van der Loop en drs. K.P. Spannenburg, allen werkzaam bij de provincie.

2. Overwegingen

Het uitwerkingsplan

2.1. Het uitwerkingsplan vormt een uitwerking van het bestemmingsplan "Buytenland van Rhoon" (hierna: het bestemmingsplan) dat de raad van de gemeente Albrandswaard bij besluit van 26 april 2010 heeft vastgesteld. Het uitwerkingsplan heeft betrekking op de gronden waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "Natuur - Uit te werken" is toegekend. In het uitwerkingsplan is aan het deel van het plangebied ten westen van de Veerweg de bestemming "Natuur - Krekenlanden" toegekend. Aan het deel van het plangebied ten oosten van de Veerweg is de bestemming "Natuur - Natuurakkers" toegekend. De natuurontwikkeling die het uitwerkingsplan mogelijk maakt, maakt deel uit van de realisatie van een nieuw natuur- en recreatiegebied met een omvang van ongeveer 600 ha.

Ontvankelijkheid

2.2. Het college betoogt dat de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. In dat verband voert het college aan dat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] geen gronden in het plangebied in eigendom hebben.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent uitwerking van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. De woning van [appellant sub 1] aan de [locatie 1] bevindt zich buiten het plangebied van het uitwerkingsplan. Het plangebied begint direct achter de woningen aan de overzijde van de Essendijk. Daarnaast heeft [appellant sub 1] ter zitting onweersproken gesteld dat hij gronden in het plangebied voor wisselteelt in gebruik heeft. Gelet op hetgeen [appellant sub 1] hierover naar voren heeft gebracht, acht de Afdeling het aannemelijk dat het gaat om een langdurig en regelmatig gebruik van percelen in het plangebied, zij het dat het niet steeds dezelfde percelen betreft. Gelet op deze omstandigheden kan [appellant sub 1] worden aangemerkt als belanghebbende bij de vaststelling van het uitwerkingsplan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2.3. De woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 2] bevindt zich op een afstand van ongeveer 250 m tot de grens van het plangebied. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant sub 3] pachter en gebruiker is van landbouwgronden binnen het plangebied. Gelet hierop kan [appellant sub 3] worden aangemerkt als belanghebbende bij de vaststelling van het uitwerkingsplan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 4] en anderen overweegt de Afdeling het volgende. Ten aanzien van [10 appellanten sub 4] stelt de Afdeling op grond van de stukken, waaronder de ter zitting overgelegde lijst van kadastrale nummers, vast dat zij niet wonen binnen het plangebied van het uitwerkingsplan of op een zodanige afstand daarvan dat moet worden geoordeeld dat zij een objectief en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt, en evenmin gronden in eigendom of pacht hebben binnen het plangebied van het uitwerkingsplan. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat deze personen een objectief en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat bovengenoemde personen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is niet-ontvankelijk, voor zover het door [10 appellanten sub 4] is ingesteld.

Toetsingskader uitwerkingsplan

2.4. Het uitwerkingsplan vormt een uitwerking van de bestemming "Natuur - Uit te werken" uit het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 19, lid 19.2, van de planregels van het bestemmingsplan is het college verplicht de bestemming "Natuur - Uit te werken" uit te werken. In artikel 19, lid 19.1, van de planregels van het bestemmingsplan is bepaald voor welke doeleinden de gronden met de bestemming "Natuur - Uit te werken" zijn bestemd. In lid 19.2 zijn uitwerkingsregels opgenomen die het college bij de uitwerking van de bestemming in acht dient te nemen. De doeleindenomschrijving en de uitwerkingsregels in artikel 19 van de planregels van het bestemmingsplan vormen derhalve een kader dat het college bij de vaststelling van een uitwerkingsplan in acht moet nemen.

Ingevolge lid 19.2, aanhef en onder a, is de uitwerking van de bestemming "Natuur - Uit te werken" primair gericht op de ontwikkeling van een natuurgebied dat voldoet aan de natuurdoeltypen 2.8 (zoet klei-oermoeras) en 3.50 (akker van basenrijke gronden) van het Handboek Natuurdoeltypen (zie bijlage 3) en waarbij geldt dat:

1. elk natuurdoeltype een oppervlakte heeft van minstens 55 hectare;

2. de gronden voor natuurdoeltype 2.8 (zoet klei-oermoeras) aaneengesloten zijn en aansluiten op de bestemming Natuur-1;

3. een goede waterhuishouding wordt gewaarborgd.

Hieruit volgt dat het college bij de uitwerking van de bestemming "Natuur - Uit te werken" slechts kon kiezen tussen de natuurdoeltypen 2.8 (zoet klei-oermoeras) en 3.50 (akker van basenrijke gronden) van het Handboek Natuurdoeltypen. De vragen of de gronden in het plangebied van het uitwerkingsplan als natuurgebied moeten worden bestemd ten koste van een agrarische bestemming voor het gebied, en of andere soorten natuurgebied dan de natuurdoeltypen 2.8 en 3.50 ter plaatse meer wenselijk zijn, zijn daarmee bij de vaststelling en toetsing van het uitwerkingsplan niet meer aan de orde. De keuzes die daaromtrent in het bestemmingsplan zijn gemaakt, staan in deze procedure niet meer ter beoordeling.

Boerenvariant

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het college bij de vaststelling van het uitwerkingsplan de voorkeur had moeten geven aan de zogeheten "boerenvariant". Volgens [appellant sub 1] bestaat voor de boerenvariant, anders dan voor de thans gekozen invulling, voldoende maatschappelijk draagvlak.

2.5.1. De boerenvariant houdt, kort weergegeven, in dat het bestaande cultuur- en natuurlandschap en de daarin aanwezige agrarische bedrijvigheid worden behouden en de mogelijkheden voor recreatie verder worden ontwikkeld.

2.5.2. Uit artikel 19, lid 19.2, van de planregels van het bestemmingsplan volgt dat de gronden met de bestemming "Natuur - Uit te werken" in het uitwerkingsplan een bestemming moeten krijgen die primair is gericht op de ontwikkeling van een natuurgebied dat voldoet aan de natuurdoeltypen 2.8 en 3.50 van het Handboek Natuurdoeltypen. Uit artikel 19, lid 19.1, van de planregels van het bestemmingsplan volgt bovendien dat agrarisch gebruik anders dan voor extensief agrarisch natuurbeheer op deze gronden niet is toegestaan. Daarbij wordt ingevolge artikel 1, onder 35, van de planregels van het bestemmingsplan onder extensief agrarisch natuurbeheer verstaan: gebruik van gronden ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van (natuur)akkers door middel van akkerbouw welke niet is gericht op gewasopbrengstmaximalisatie en waar het toepassen van chemische bestrijdingsmiddelen en/of gewasgroeibevorderingsmiddelen (kunstmest) niet zijn toegelaten.

De planregels laten derhalve niet toe dat het uitwerkingsplan agrarische activiteiten, met uitzondering van extensief agrarisch natuurbeheer, mogelijk maakt. Nu de boerenvariant is gericht op het behoud van de huidige agrarische functie van het gebied, heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels in de weg staan aan een keuze voor deze variant.

Deze beroepsgrond faalt.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

2.6. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat maatschappelijk draagvlak voor het uitwerkingsplan ontbreekt. [appellant sub 1] betoogt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor maatschappelijke uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan, omdat het daarvoor vereiste draagvlak bij bewoners, agrariërs en maatschappelijke partijen vooralsnog ontbreekt. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 1] brengen in dit verband onder meer naar voren dat bemiddelaar F. Heijkoop ten tijde van de vaststelling van het uitwerkingsplan nog geen rapport had uitgebracht over de inrichting en het beheer van het gebied. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat het uitwerkingsplan ten onrechte is vastgesteld voordat het rapport van bemiddelaar Heijkoop is verschenen. De haalbaarheid van extensief agrarisch natuurbeheer is daarom volgens hen onvoldoende gemotiveerd.

2.6.1. Het college betoogt dat geen belemmering bestond voor de vaststelling van een uitwerkingsplan, aangezien het bestemmingsplan ten tijde van de vaststelling van het uitwerkingsplan reeds in werking was getreden.

Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan voldoende is aangetoond. Het college verwijst op dit punt naar de toelichting bij het bestemmingsplan. Hetgeen daar is overwogen, geldt volgens het college ook voor de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan. Er hebben zich volgens het college sindsdien geen ontwikkelingen voorgedaan die tot de conclusie moeten leiden dat het uitwerkingsplan ten tijde van de vaststelling daarvan niet meer maatschappelijk uitvoerbaar kon worden geacht.

Het college betoogt verder dat het maatschappelijk draagvlak waarop [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen doelen, uitsluitend betrekking heeft op de feitelijke uitvoering van het uitwerkingsplan. Het rapport van Heijkoop ziet volgens het college op de wijze waarop binnen de kaders van het uitwerkingsplan kan worden gekomen tot een breed gedragen uitvoering van het plan.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan vóór de vaststelling van het uitwerkingsplan op 28 juni 2011 is vastgesteld en in werking getreden. Het college was derhalve bevoegd het uitwerkingsplan vast te stellen.

Voorop staat dat het college, zoals hiervoor onder 2.4 is overwogen, op grond van het bestemmingsplan verplicht was de bestemming "Natuur - Uit te werken" uit te werken en daarbij voor de invulling van het natuurgebied slechts kon kiezen tussen de natuurdoeltypen 2.8 (zoet klei-oermoeras) en 3.50 (akker van basenrijke gronden) van het Handboek Natuurdoeltypen. Voor zover de beroepsgronden betrekking hebben op het maatschappelijk draagvlak voor de keuze voor een natuurgebied ten koste van een agrarische bestemming voor het gebied, betreffen deze gronden het bestemmingsplan en niet het thans ter beoordeling staande uitwerkingsplan. In deze procedure kan de maatschappelijke uitvoerbaarheid van extensief agrarisch natuurbeheer uitsluitend ter beoordeling staan voor zover het aspecten betreft die verband houden met de nadere invulling die ten opzichte van het bestemmingsplan in het uitwerkingsplan aan het natuurgebied is gegeven door de aanwijzing van locaties voor natuurakkers en zoet klei-oermoeras. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de beroepsgronden hierop geen betrekking hebben.

Met betrekking tot de bemiddeling door Heijkoop overweegt de Afdeling dat dit de feitelijke uitvoering van het uitwerkingsplan betreft en dat deze beroepsgrond reeds daarom niet kan slagen.

Deze beroepsgronden falen.

Financiële uitvoerbaarheid

2.7. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan onvoldoende is aangetoond. Volgens hen ontbreken harde gegevens over de financiën. Zij stellen bovendien dat het rijksbeleid er inmiddels op is gericht dat het beheer van het landschap weer door de agrariërs zal moeten worden uitgevoerd.

[appellant sub 1] betoogt dat de financiële haalbaarheid van stadslandbouw onvoldoende is aangetoond. Volgens hem is stadslandbouw voor agrarische bedrijven onvoldoende rendabel.

2.7.1. Volgens het college is er geen reden om aan te nemen dat het uitwerkingsplan niet financieel uitvoerbaar zal zijn. Het college stelt dat in de toelichting bij het bestemmingsplan concrete bedragen zijn genoemd en dat deze gelden zijn geïndexeerd. Door verschillende overheden zijn volgens het college gelden beschikbaar gesteld voor de aanleg van het natuur- en recreatiegebied. Het college betoogt verder dat niet de financiële uitvoerbaarheid van stadslandbouw, maar die van het uitwerkingsplan als geheel van belang is. Volgens het college is bij het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid rekening gehouden met langdurige beheersconstructies waarbij de gebruikers van de voor extensief agrarisch natuurbeheer aangewezen gronden een vergoeding ontvangen die hen in staat stelt hun activiteiten rendabel te ontplooien.

2.7.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat de financiële uitvoerbaarheid van stadslandbouw onvoldoende is aangetoond, overweegt de Afdeling dat stadslandbouw slechts een van de mogelijke invullingen is van de bestemming "Natuur - Natuurakkers" en dat uit de PKB "Project Mainportontwikkeling Rotterdam" (hierna: de PKB PMR) en de planregels voor de bestemmingen "Natuur - Uit te werken" en "Natuur - Natuurakkers" niet voortvloeit dat de agrarische nevenfunctie economisch rendabel moet zijn.

2.7.3. In de plantoelichting is het college ingegaan op de financiële haalbaarheid van het uitwerkingsplan. Daarbij verwijst het college naar de toelichting bij het bestemmingsplan, waarin onder meer is vermeld dat bestuurlijke afspraken zijn gemaakt tussen het Rijk, de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en de stadsregio Rotterdam over de financiering van onder meer het project Landschapspark Buytenland, waarvan het plangebied van het uitwerkingsplan deel uitmaakt. Volgens de toelichting bij het bestemmingsplan is door deze overheden gezamenlijk een geïndexeerd budget van € 117,5 miljoen ter beschikking gesteld voor dit project. Dit budget is vastgelegd in de Uitwerkingsovereenkomst die tussen de Staat der Nederlanden, de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en de stadsregio Rotterdam is gesloten. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt op basis van de kostenraming en een onafhankelijke contra-expertise geconcludeerd dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

2.7.4. In haar uitspraak van 27 juni 2012 in zaak nr. 201006363/1/R4 heeft de Afdeling met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan overwogen dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor de verwezenlijking van de toegekende bestemmingen; ook verder ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.

Niet is gebleken dat zich na de vaststelling van het bestemmingsplan zodanige veranderingen hebben voorgedaan, dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan op dit punt niet meer kon worden uitgegaan van de toelichting bij het bestemmingsplan. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan onvoldoende vaststaat.

2.7.5. Deze beroepsgronden falen.

De overige beroepsgronden van [appellant sub 1]

2.8. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur - Natuurakkers".

2.9. [appellant sub 1] stelt dat het college bij de realisatie van de natuurakkers op de gronden met de bestemming "Natuur - Natuurakkers" onder de noemer "stadslandbouw" zoekt naar een invulling waarbij de agrarische activiteiten worden gecombineerd met natuurbeheer en educatieve functies. Volgens [appellant sub 1] is in het uitwerkingsplan echter niet gedefinieerd wat wordt bedoeld met "stadslandbouw".

Daarnaast stelt [appellant sub 1] dat al met de inrichting van deelgebieden is begonnen, terwijl het college vooraf heeft gesteld dat geen werkzaamheden zouden worden gestart voordat alle gronden zouden zijn aangekocht.

2.9.1. Het college stelt dat de term "stadslandbouw" uitsluitend wordt genoemd in de plantoelichting. Stadslandbouw is in dat verband genoemd als voorbeeld van extensief agrarisch natuurbeheer, dat op gronden met de bestemming "Natuur - Natuurakkers" is toegestaan.

2.9.2. Met betrekking tot het ontbreken van een definitie van de term "stadslandbouw" overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat deze term niet in de planregels voorkomt, maar alleen in de plantoelichting wordt genoemd. Blijkens de plantoelichting beschouwt het college stadslandbouw als een van de mogelijke invullingen van extensief agrarisch natuurbeheer. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich in zoverre dan ook uitsluitend tegen de plantoelichting. De plantoelichting maakt geen onderdeel uit van het plan, zodat daaraan geen bindende betekenis kan worden toegekend. Nu stadslandbouw in de toelichting slechts is genoemd als een van de mogelijke vormen van extensief agrarisch natuurbeheer, bestaat bovendien geen grond voor het oordeel dat ten onrechte geen definitie van deze term in de planregels is opgenomen.

Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat reeds met de inrichting van deelgebieden is begonnen, overweegt de Afdeling dat dit betoog zich niet richt tegen de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het uitwerkingsplan, maar slechts ziet op de feitelijke uitvoering daarvan.

Deze beroepsgronden falen.

2.10. Voor het overige heeft [appellant sub 1] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is het college ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

De overige beroepsgronden van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen

2.11. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat met het uitwerkingsplan ten onrechte zonder nadere motivering wordt afgeweken van het gewijzigde kabinetsbeleid, dat inmiddels is gericht op landschapsbeheer door agrariërs.

2.11.1. Het college stelt dat in de toelichting bij het bestemmingsplan en de nota van beantwoording van de zienswijzen bij het bestemmingsplan is uiteengezet hoe de PKB PMR zich verhoudt tot het bestemmingsplan. Hetgeen daar is vermeld, geldt volgens het college ook voor het uitwerkingsplan. Volgens het college is de besluitvorming derhalve voldoende gemotiveerd. Overigens is volgens het college het kabinetsbeleid, zoals neergelegd in de PKB PMR, niet gewijzigd, nu de inhoudelijke uitgangspunten zijn overgenomen in het (ontwerp) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

2.11.2. De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat de keuze voor een natuurgebied in plaats van een agrarische bestemming voor het gebied zich niet verdraagt met het gewijzigde kabinetsbeleid. De beroepsgrond heeft in zoverre - gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen - betrekking op het bestemmingsplan en niet op het thans ter beoordeling staande uitwerkingsplan en kan reeds daarom niet slagen.

2.12. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen voeren daarnaast aan dat de gemeente Albrandswaard en de provincie Zuid-Holland ten onrechte gedurende de beroepsprocedure over het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan doorgaan met de uitvoering van deze plannen.

2.12.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het uitwerkingsplan. De uitvoering van het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan staan in deze procedure niet ter beoordeling.

Deze beroepsgrond faalt.

2.13. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte stelt dat de verpachting en gunning van de voormalige gronden van het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) in het gebied los staat van het planologische proces. Volgens hen is dat niet het geval, omdat de gronden worden toegedeeld aan degenen die het eens zijn met de gemeente.

2.13.1. De verpachting en gunning van de door [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen bedoelde gronden is niet in het uitwerkingsplan geregeld, is geen taak van het college of de gemeente, en kan in deze procedure, die betrekking heeft op het besluit tot vaststelling van het uitwerkingsplan, niet ter beoordeling staan. Dit geldt te meer voor de gronden die niet binnen het plangebied van het uitwerkingsplan liggen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen betogen verder dat onvoldoende is overlegd met agrarische ondernemers in het gebied. Degenen met wie is overlegd, zijn volgens hen niet representatief.

2.14.1. Voor zover het overleg waarop [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen doelen, de inrichting en het beheer van het gebied betreft, en derhalve de feitelijke uitvoering van het plan, kan deze beroepsgrond reeds hierom niet slagen. Voor zover [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen doelen op overleg in het kader van de vaststelling van het uitwerkingsplan, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4 is overwogen dat de keuze voor een natuurgebied in plaats van een agrarische bestemming voor het gebied reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan is gemaakt. De vraag of bij deze keuze voldoende overleg is gevoerd met de agrariërs in het gebied, kan bij de beoordeling van het uitwerkingsplan niet meer ter beoordeling staan.

Deze beroepsgrond faalt.

De overige beroepsgronden van [appellant sub 2]

2.15. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur - Natuurakkers" wat betreft zijn percelen die zijn gelegen tussen de Essendijk en de Molenpoldersezeedijk.

2.16. [appellant sub 2] vreest dat door de toekenning van de bestemming "Natuur - Natuurakkers" aan zijn percelen de voortzetting van zijn agrarische bedrijf, waar tevens alpaca's en Kerry Hill-schapen worden gehouden en gefokt, ernstig wordt belemmerd dan wel onmogelijk wordt gemaakt. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn agrarische activiteiten hadden kunnen worden toegelaten, omdat ze passen in de plannen voor het gebied. In dat verband wijst [appellant sub 2] er onder meer op dat zijn bedrijf ook educatieve activiteiten verricht. Voortzetting van het agrarische bedrijf is volgens hem verder wenselijk vanwege de cultuurhistorische en landschappelijke waarde. Daarnaast is voortzetting van het agrarische bedrijf volgens [appellant sub 2] van belang in verband met de economische uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan.

2.16.1. Het college stelt dat het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan tot gevolg hebben dat de bestaande agrarische activiteiten op de percelen van [appellant sub 2] niet kunnen worden voortgezet. Het college stelt dat de gronden van [appellant sub 2], met uitzondering van het buiten het plangebied van het uitwerkingsplan gelegen perceel waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "Wonen" is toegekend, binnen de planperiode door de overheid zullen worden aangekocht en heringericht. Het houden van dieren kan volgens het college op hobbymatige schaal worden voortgezet op het woonperceel. Voorts kunnen de dieren volgens het college in de toekomst wellicht, in overleg met de beheerder, op gronden met de bestemming "Natuur - 1" of "Natuur - Krekenlanden" worden uitgezet voor begrazing.

2.16.2. Uit artikel 3, lid 3.1, van de planregels van het uitwerkingsplan volgt dat op gronden met de bestemming "Natuur - Natuurakkers" agrarische activiteiten niet zijn toegestaan, behalve wanneer het extensief agrarisch natuurbeheer betreft als bedoeld in artikel 1, onder 35, van de planregels van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de akkerbouw in zijn huidige vorm en het houden van dieren niet kunnen worden voortgezet op de gronden waaraan in het uitwerkingsplan de bestemming "Natuur - Natuurakkers" is toegekend. Deze beperkingen voor de agrarische bedrijfsvoering van [appellant sub 2] volgen echter reeds uit het bestemmingsplan, nu artikel 19 van de planregels van het bestemmingsplan op de gronden met de bestemming "Natuur - Uit te werken" geen ruimte laat voor andere agrarische activiteiten dan extensief agrarisch natuurbeheer.

Het beroep van [appellant sub 2] richt zich niet specifiek tegen de nadere invulling die in het uitwerkingsplan is gegeven aan de bestemming "Natuur - Uit te werken", maar richt zich tegen de keuze voor een natuurgebied ten koste van een agrarische bestemming op zijn percelen. Deze keuze is reeds in het bestemmingsplan gemaakt en kan in de onderhavige procedure als zodanig niet meer ter beoordeling staan.

Deze beroepsgronden falen.

Conclusie

2.17. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.18. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is niet-ontvankelijk, voor zover het door [10 appellanten sub 4] is ingesteld. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

2.19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het door [10 appellanten sub 4] is ingesteld;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

483.