Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201102992/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het college aan AKG een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 4.1.1 van de voor de inrichting aan de Kalkwijk 5 te Vroomshoop verleende revisievergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/389
JOM 2012/743
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102992/1/A4.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AKG Aufderhaar Kunststof Groep B.V., gevestigd te Vroomshoop, gemeente Twenterand,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het college aan AKG een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 4.1.1 van de voor de inrichting aan de Kalkwijk 5 te Vroomshoop verleende revisievergunning.

Bij besluit van 31 januari 2011, verzonden op 1 februari 2011, heeft het college, voor zover hier van belang, het door AKG hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft AKG bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 april 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 18 juli 2011 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsom tot een bedrag van € 5.000,00.

Tegen dit besluit heeft AKG, bij brief van 27 juli 2011, een beroepschrift ingediend. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 september 2011.

Het college heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2012, waar AKG, vertegenwoordigd door ing. L.M.F. Lemmers, ing. F.P.J. Hendrix en ir. J. Zandbergen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Keizer, G.J. Kleinjan en R. Koster, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [personen], allen vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Last onder dwangsom

2.1. Bij het besluit van 2 augustus 2010 heeft het college AKG gelast binnen vier maanden na verzending van dit besluit te voldoen aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen aan de Kalkwijk 10 en 8 in voorschrift 4.1.1, zoals dat bij besluit van 19 juli 2009 is verbonden aan de revisievergunning voor de inrichting van 6 maart 2007. Volgens het college is bij geluidmetingen op 9 en 21 april 2010 geconstateerd dat deze grenswaarden werden overschreden. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 5.000,00 per keer dat geconstateerd wordt dat niet aan de last wordt voldaan (maximaal een keer per week), met een maximum van € 25.000,00.

2.2. AKG betoogt dat de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd, omdat niet vast is komen te staan dat vergunningvoorschrift 4.1.1 is overtreden. In dit verband voert zij aan dat de op 9 en 21 april 2010 door het college verrichte geluidmetingen niet voldoen aan de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding). Volgens AKG is de geluidmeting van 9 april 2010 niet onder de juiste meteorologische omstandigheden (hierna: meteoraamcondities) uitgevoerd, zodat deze geluidmeting niet aan de last ten grondslag mocht worden gelegd. De op 21 april 2010 uitgevoerde metingen dienen volgens AKG, nu daarbij niet minimaal vier uur tussenruimte is aangehouden, als één geluidmeting te worden beschouwd, hetgeen in dit geval op grond van de Handleiding niet voldoende is. Bovendien is het college ten onrechte uitgegaan van een meteocorrectie van 0 dB, omdat de bronhoogte van de geluidbron niet vaststaat, aldus AKG. Volgens haar had het college de meteocorrectie van het rekenmodel dat in het kader van de vergunningverlening is gehanteerd moeten toepassen. AKG voert verder, onder verwijzing naar de uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. 200704413/1, aan dat het college een correctie vanwege meetonnauwkeurigheden van 2 dB(A) had moeten toepassen.

2.2.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 4.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de woningen aan de Kalkwijk 10 en 8 in de nachtperiode niet meer bedragen dan onderscheidenlijk 37 en 38 dB(A).

Ingevolge vergunningvoorschrift 4.3.3 dienen bepaling, beoordeling en controle van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en rapportages van metingen en/of berekeningen te geschieden volgens de Handleiding.

2.2.2. In paragraaf 5.4.1 van module A van de Handleiding is vermeld dat als algemeen uitgangspunt geldt dat door onnauwkeurigheden in afstand, geometrieën, tijdsperioden en aflezingen van geluidmeters en apparatuur die geluidgegevens verwerkt, in het eindresultaat geen grotere fout veroorzaakt mag worden dan 1 dB.

In paragraaf 5.4.4 van module A en paragraaf 2.5.3 van module C van de Handleiding is vermeld dat de onnauwkeurigheid van meten en rekenen volgens methode II (module C) over het algemeen bij deskundige toepassing kleiner is dan 2 dB en in veel situaties kan worden teruggebracht tot ongeveer 1 dB door een verhoging van het aantal metingen.

In paragraaf 3.4.3 van module C van de Handleiding is vermeld onder welke meteoraamcondities geluidmetingen moeten worden verricht.

In paragraaf 3.5.2 van module C van de Handleiding is vermeld dat bij een afstand tussen de 50 en 150 meter minimaal twee geluidmetingen moeten worden uitgevoerd. Voorts is vermeld dat er tussen twee metingen minimaal vier uur tussenruimte moet zijn, zodat van een andere meteorologische situatie kan worden gesproken. Indien echter aannemelijk kan worden gemaakt dat meer metingen geen andere conclusies zullen geven, kan met minder metingen worden volstaan.

2.2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de geluidmeting van 9 april 2010 wat de woning aan de Kalkwijk 10 betreft wel onder juiste meteoraamcondities is verricht, omdat vanuit dit meetpunt gezien bij een westelijke windrichting alle relevante geluidbronnen binnen de op grond van de Handleiding toegestane maximale windhoek van 60 graden liggen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. Hetgeen AKG aanvoert over de meteoraamcondities waaronder de geluidmeting van 9 april 2010 is verricht, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze meting in zoverre niet aan de last onder dwangsom ten grondslag heeft mogen leggen.

2.2.4. De geluidmetingen op 9 en 21 april 2010 hebben op een afstand van 120 meter van de bron plaatsgevonden. Op 9 april 2010 zijn bij de woning aan de Kalkwijk 10 vijf metingen verricht binnen een tijdsbestek van ongeveer één uur. Op 21 april 2010 heeft het college bij elk van de woningen aan de Kalkwijk 10 en 8 twee metingen verricht binnen een tijdsbestek van ongeveer een uur. Het college heeft uiteengezet dat voor een kortere tussenruimte dan vier uur is gekozen, om de in de nacht toenemende invloed van stoorgeluid van verkeer te minimaliseren. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een langere tijd tussen de metingen of meer metingen geen ander resultaat zou hebben opgeleverd, omdat de meteocorrectie 0 dB bedraagt. Ter zitting heeft het college uiteengezet dat bij de berekening van deze meteocorrectie een gemiddelde bronhoogte van acht meter als uitgangspunt is genomen, omdat het geluid afkomstig is van verschillende bronnen in de inrichting. AKG heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is. De enkele stelling dat het geluid ook afkomstig kan zijn van een lager gelegen bron is daarvoor onvoldoende. Voor zover AKG aanvoert dat het college de meteocorrectie van het rekenmodel dat in het kader van de vergunningverlening is gehanteerd had moeten toepassen, overweegt de Afdeling dat het college ingevolge vergunningvoorschrift 4.3.3 bij het bepalen van de meteocorrectie de Handleiding diende toe te passen. AKG heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college dit niet op juiste wijze heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat een langere tijd tussen de metingen of meer metingen geen ander resultaat zou hebben opgeleverd.

2.2.5. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. 200704413/1 en de uitspraak van 21 april 2010 in zaak nr. 200903402/1/M1 heeft overwogen, kan een meettolerantie van 1 dB(A) in aanmerking worden genomen, teneinde met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen of zich een overtreding heeft voorgedaan. Het betoog van AKG dat in dit geval, gelet op het aantal metingen, een correctie van 2 dB(A) in plaats van 1 dB(A) moet worden toegepast, faalt, nu het college aannemelijk heeft gemaakt dat een langere tijd tussen de metingen of meer metingen geen ander resultaat zou hebben opgeleverd. Vaststaat dat, ook als op de resultaten van de metingen van 9 en 21 april 2010 een correctie van 1 dB(A) wordt toegepast, een overschrijding van de geluidgrenswaarden van vergunningvoorschrift 4.1.1 resteert.

2.2.6. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op grond van de metingen van 9 en 21 april 2010 terecht op het standpunt gesteld dat vergunningvoorschrift 4.1.1 door AKG is overtreden. De beroepsgrond faalt.

2.3. Het beroep tegen het besluit van 31 januari 2011 is ongegrond.

Invorderingsbeschikking

2.4. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, heeft het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

AKG betwist de invorderingsbeschikking van 18 juli 2011, zodat het beroep mede betrekking heeft op dat besluit.

2.5. AKG betoogt dat de geluidmeting van 8 april 2011, die het college ten grondslag heeft gelegd aan de invorderingsbeschikking, niet voldoet aan de Handleiding, zodat met die meting niet is komen vast te staan dat de last niet is nageleefd en een dwangsom is verbeurd. De op 8 april 2011 uitgevoerde metingen dienen volgens AKG, nu daarbij niet minimaal vier uur tussenruimte is aangehouden, als één geluidmeting te worden beschouwd, hetgeen in dit geval op grond van de Handleiding niet voldoende is. Volgens AKG was de duur van de metingen voorts te kort, nu tijdens deze metingen het granulaattransport duidelijk hoorbaar was. Onder verwijzing naar een geluidmeting van het college van 26 en 27 november 2008 stelt AKG dat het geluid van dit transport sterk afhankelijk is van de mate van vulling van de granulaatsilo's, zodat de geluidemissie niet constant is. AKG voert verder aan dat de door het college gehanteerde correctie voor het stoorgeluid te laag is, omdat het geluid van de nabij gelegen N750 hierbij niet is betrokken. Ten slotte voert zij aan dat het college ten onrechte geen correctie vanwege meetonnauwkeurigheden van 2 dB(A) heeft toegepast.

2.5.1. In paragraaf 3.5.1 van module C van de Handleiding is vermeld dat bij een afstand tussen de 50 en 150 meter een minimale meetduur van één minuut dient te worden aangehouden. Voorts is als voorwaarde vermeld dat de meetduur zodanig lang moet zijn dat het equivalente geluidniveau naar een vaste waarde gaat.

2.5.2. Op 8 april 2011 zijn bij de woning aan de Kalkwijk 10 in totaal vier metingen met een meetduur van twee minuten verricht. Bij de woning aan de Kalkwijk 8 zijn twee metingen uitgevoerd met een meetduur van twee minuten. Alle metingen zijn binnen een tijdsbestek van twee uur uitgevoerd. De metingen zijn uitgevoerd op een afstand van 120 meter van de bron.

2.5.3. Wat het betoog van AKG betreft dat bij de metingen op 8 april 2011 geen minimale tussenruimte van vier uur is aangehouden, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 2.2.4 dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat een langere tijd tussen de metingen of meer metingen geen ander resultaat zou hebben opgeleverd.

De metingen op 8 april 2011 voldoen aan de in paragraaf 3.5.1 van module C van de Handleiding vermelde minimale meetduur van één minuut. Volgens het college is voorts tijdens de metingen geconstateerd dat het gemeten equivalente geluidniveau naar een vaste waarde ging. Dat het granulaattransport tijdens de metingen op 8 april 2011 hoorbaar was, betekent volgens het college nog niet dat dit bepalend was voor het gemeten geluidniveau. Ook op grond van de metingen van 26 en 27 november 2008 kan die conclusie volgens het college niet worden getrokken, waarbij het college er onder meer op wijst dat AKG na die metingen geluidreducerende maatregelen aan de granulaatsilo's heeft getroffen. Hetgeen AKG aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de metingen op 8 april 2011 wat de meetduur betreft voldeden aan de Handleiding.

Het college heeft het stoorgeluid gemeten op 1.100 meter ten oosten van de inrichting. Volgens het college is dit in praktische zin de enige manier om het stoorgeluid te bepalen zonder de inrichting stil te leggen. AKG heeft met haar enkele stelling over de N750 niet aannemelijk gemaakt dat de door het college gehanteerde correctie voor stoorgeluid te laag is.

Wat het betoog van AKG betreft dat het college ten onrechte geen correctie vanwege meetonnauwkeurigheden van 2 dB(A) heeft toegepast, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 2.2.5 dat voor een correctie van 2 dB(A) geen plaats is. Vaststaat dat, ook als op de resultaten van de meting van 8 april 2011 een correctie van 1 dB(A) wordt toegepast, een overschrijding resteert van de geluidgrenswaarden van vergunningvoorschrift 4.1.1.

2.5.4. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op grond van de meting van 8 april 2011 terecht op het standpunt gesteld dat de last niet is nageleefd en een dwangsom is verbeurd. De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep tegen het besluit van 18 juli 2011 is ongegrond.

Proceskosten

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 31 januari 2011 ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 18 juli 2011 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

462-720.