Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201112950/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie] te Loosdrecht (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2012-0149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112950/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend en gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2011 in zaak nr. 10/4463 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en anderen

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie] te Loosdrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 augustus 2010 vernietigd en het besluit van 6 oktober 2009 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] en anderen hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 19 januari 2012.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W. Kattouw, [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door mr. J. de Vet, en het college, vertegenwoordigd door Y.A.M. Ekelschot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op het oprichten van een vrijstaande woning op het perceel. De voorziene woning heeft een oppervlakte van circa 160 m2. In de huidige situatie is op het perceel reeds een woning aanwezig met enkele bijgebouwen.

Aan het besluit van 6 oktober 2009 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning is onder meer de voorwaarde verbonden dat pas met de bouw mag worden begonnen nadat alle opstallen op het perceel zijn gesloopt.

2.2. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Tussen de Dijken" de bestemming "Natuurgebied B".

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Natuurgebied B" aangewezen gronden bestemd voor het behoud of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarden, alsmede voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met uitsluiting van het niet-bodemgebonden, agrarische bedrijf, met dien verstande dat:

a. op deze gronden geen gebouwen en "bouwwerken, geen gebouwen zijnde" mogen worden gebouwd;

b. (…).

2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Om het bouwplan niettemin te kunnen realiseren heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat er geen rechtsregel is die dwingt op basis van het overgangsrecht op exact dezelfde plaats te bouwen van het gebouw dat vervangen wordt. Dat betekent volgens de rechtbank dat het college ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen een onjuist standpunt heeft ingenomen dat kennelijk voor beiden nadelige gevolgen heeft. Daarbij komt dat de vergunning zich niet verdraagt met de nieuwbouw die op grond van een nadien verleende vergunning is gerealiseerd. Onder die omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit, hoewel aan de wettelijke eisen wordt voldaan, geen stand kan houden.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning heeft vernietigd. Volgens [appellant sub 1] geeft de bij besluit van 10 juni 2011 door het college verleende vergunning voor het bouwen van een aanbouw bij het bestaande pand daarvoor geen reden. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat hij bewust geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aan het besluit van 6 oktober 2009 verbonden voorwaarde dat pas met de bouw mag worden begonnen nadat alle opstallen op het perceel zijn gesloopt. Hij wenst het bouwplan te realiseren en zal in dat geval de bestaande bebouwing, waaronder de inmiddels door hem gerealiseerde aanbouw bij het bestaande pand, verwijderen. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank een onjuist oordeel geeft over de locatie van het bouwplan, hetgeen volgens hem voortkomt uit de omstandigheid dat in een voortraject met [appellant sub 2] en anderen en het college is gesproken over een andere locatie. Verder verwijst de rechtbank volgens [appellant sub 1] ten onrechte naar het overgangsrecht, nu dit volgens [appellant sub 1] in deze zaak niet van toepassing is.

2.5.1. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is niet van belang of er een rechtsregel is die dwingt op basis van het overgangsrecht op exact dezelfde plaats te bouwen als de plaats van het gebouw dat vervangen wordt. Niet is immers in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat, om bouwvergunning te kunnen verlenen, vrijstelling nodig is. De vraag die in deze zaak ter beoordeling staat is of het college in redelijkheid het besluit van 6 oktober 2009 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwen van de woning kon nemen en daaraan de voorwaarde kon verbinden dat pas met de bouw mag worden begonnen nadat alle opstallen op het perceel zijn gesloopt.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 6 oktober 2009 zich niet verdraagt met het besluit van 10 juni 2011 tot verlening van een bouwvergunning voor een aanbouw bij de woning. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1] in zijn hoger beroepschrift en ter zitting heeft aangegeven zich er bewust van te zijn dat de reeds gerealiseerde aanbouw dient te worden afgebroken, indien het besluit van 6 oktober 2009 in stand blijft en hij van die bouwvergunning gebruik wil maken. De rechtbank heeft aldus ten onrechte om die reden het besluit op bezwaar van 10 augustus 2010 vernietigd en het besluit van 6 oktober 2009 herroepen.

Het betoog slaagt.

2.6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten voor juridische rechtsbijstand in de bezwaarprocedure.

2.6.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moet maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen.

2.6.2. Bij het besluit op bezwaar van 10 augustus 2010 heeft het college het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning gehandhaafd en derhalve is er geen sprake van herroeping van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht de tijdens de bezwaarfase gemaakte kosten niet in de proceskostenveroordeling betrokken.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de overige door [appellant sub 2] en anderen bij de rechtbank aangevoerde gronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.8. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten tijde van het vrijstellingsbesluit geen voorbereidingsbesluit van kracht was. Volgens hen kan het voorbereidingsbesluit van 1 juli 2010, dat is genomen op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), niet gelijk worden gesteld met het eerdere voorbereidingsbesluit van 29 januari 2009, dat is genomen op grond van de toen geldende WRO.

2.8.1. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Tussen de Dijken" niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien en geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, zodat de vrijstelling slechts kon worden verleend, indien voor het desbetreffende gebied een voorbereidingsbesluit gold of een ontwerp voor een herziening ter inzage was gelegd.

2.8.2. Bij besluit van 29 januari 2009 heeft de raad voor het gebied een voorbereidingsbesluit genomen, dat in werking is getreden op 19 februari 2009. Binnen een jaar na die datum is geen ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage gelegd, zodat het voorbereidingsbesluit is komen te vervallen. Bij besluit van 1 juli 2010 is door de raad opnieuw een voorbereidingsbesluit genomen, dat in werking is getreden op 5 augustus 2010 en daarmee vóór het besluit op bezwaar van 10 augustus 2010. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2001, in zaak nr. 200000290/1 (AB 2002/117), en uitspraak van 28 juli 2004, in zaak nr. 200400130/1) is vereist dat op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar een voorbereidingsbesluit gold. Dat was hier het geval. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat voor het nemen van het vrijstellingsbesluit door het college geen wettelijke basis bestond.

Dat het voorbereidingsbesluit van 1 juli 2010 is genomen op grond van de Wro leidt niet tot een ander oordeel. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2010, in zaak nr. 201000404/1/H1 volgt dat aan een besluit tot verlening van vrijstelling op grond van de WRO een voorbereidingsbesluit ten grondslag kan worden gelegd dat is genomen op grond van de Wro. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de doelstelling van het voorbereidingsbesluit, zoals geregeld in de Wro, niet verschilt van de doelstelling van het voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO. Zoals de Afdeling in de genoemde uitspraak heeft overwogen blijkt dit uit artikel 9.1.12 van de Invoeringswet Wro, waarin een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO gelijk wordt gesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro, alsmede uit de wetsgeschiedenis van de Wro.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat het college ten onrechte heeft gesteld dat het verplicht is om de bestaande woning in een volgend bestemmingsplan positief te bestemmen. Zij voeren daarnaast aan dat het college het concept voorontwerp bestemmingsplan "Tussen de Dijken" niet aan het verlenen van de vrijstelling ten grondslag mocht leggen. Voorts betogen zij dat het bouwplan in strijd is met de bouwregels van het inmiddels ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, nu de goot- en bouwhoogte hoger zijn dan de goot- en bouwhoogte van de bestaande woning.

2.9.1. [appellant sub 2] en anderen betogen terecht dat er geen verplichting voor het college bestaat om de bestaande woning in een volgend bestemmingsplan positief te bestemmen. Dat neemt niet weg dat het het college vrij staat om vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen. In de "Ruimtelijke onderbouwing voor de bouw van een woning aan de Nieuw Loosdrechtsedijk te Loosdrecht" van september 2008, dat ten grondslag ligt aan het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning, is in dit verband vermeld dat voor het desbetreffende perceel een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is. In het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning heeft het college aangegeven dat het bouwplan in overeenstemming is met het concept voorontwerp bestemmingsplan "Tussen de Dijken", op grond waarvan op het perceel de bestemming "Woondoeleinden" rust. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college het concept voorontwerp bestemmingsplan niet ten grondslag mocht leggen aan het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning.

Dat het bouwplan in strijd zou zijn met het inmiddels op 30 november 2011 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, zoals [appellant sub 2] en anderen betogen, geeft, wat daar ook van zij, geen grond voor het oordeel dat het college geen vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan mocht verlenen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het vrijstelling heeft verleend voor het gehele bouwplan, met inbegrip van de daarbij behorende goot- en bouwhoogte. Het college is voornemens om dit bouwplan in het nieuwe bestemmingsplan als zodanig te bestemmen, zodat het bouwplan in het nieuwe bestemmingsplan zal gelden als de bestaande situatie. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat het college het karakter van hun horecagelegenheid miskent. Zij vrezen belemmerd te worden in hun bedrijfsvoering, vanwege mogelijke geluidsoverlast door de korte afstand tussen de voorziene woning en het restaurant. In dit verband betogen zij dat zij een vergunning hebben voor 300 personen en dat het terras van hun restaurant dicht bij de voorziene woning van [appellant sub 1] is gelegen. Voorts betogen zij dat de voorziene woning dichtbij de achter het restaurant gelegen parkeerplaats komt te liggen.

2.10.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand tussen de voorziene woning en het restaurant van [appellant sub 2] en anderen groter is dan de afstand van 10 m die op grond van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt aanbevolen. Gelet hierop is niet aannemelijk dat [appellant sub 2] en anderen, mits hun bedrijf aan de toepasselijke milieueisen voldoet, als gevolg van het bouwplan in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. De vraag of onderdelen van het bedrijf van [appellant sub 2] en anderen, zoals de compressor die op het terrein aanwezig is, voldoen aan de toepasselijke milieunormen en of hiertegen handhavend kan worden opgetreden, staat in deze procedure niet ter beoordeling. Voorts is in de omstandigheid dat het grindpad naast het restaurant wordt gebruikt in strijd met het geldende bestemmingsplan en het college, zoals het ter zitting heeft aangegeven, niet voornemens is om hieraan een positieve bestemming te geven, geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van het bouwplan mocht verlenen.

Het betoog faalt.

2.11. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat het college ten onrechte stelt dat de voorgestelde ruilverkaveling tot gevolg heeft dat er een extra bouwkavel tot stand moet komen, faalt. Aan de mogelijkheid tot ruilverkaveling en de gevolgen daarvan komt in deze procedure geen betekenis toe.

2.12. [appellant sub 2] en anderen vrezen tot slot een verslechtering van hun uitzicht en schade aan hun bedrijfsvoering. Voorts voeren zij aan dat hun woongenot en de waarde van hun eigendommen zal verminderen.

2.12.1. Anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van het bouwplan geen zodanige verslechtering van hun uitzicht tot gevolg zal hebben, dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat op het perceel in de huidige situatie reeds een woning aanwezig is. Voorts hebben [appellant sub 2] en anderen hun betoog dat het bouwplan zal leiden tot een vermindering van hun woongenot en een waardedaling van hun eigendommen niet onderbouwd. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het bouwplan zijn gemoeid.

De betogen falen.

2.13. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

2.14. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2011 in zaak nr. 10/4463;

IV. verklaart het door [appellant sub 2] en anderen bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

357-651.