Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1880

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201112445/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2011:BT8833, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine op het perceel [locatie] te Zeewolde (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112445/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 oktober 2011 in zaak nr. 11/717 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine op het perceel [locatie] te Zeewolde (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 december 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2012, waar [appellant] en [mede-appellant], en het college, vertegenwoordigd door S. Bouwman en J. de Vries, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een windturbine met een ashoogte van 67 m en is in strijd met de op het perceel ingevolge het ten tijde van belang geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rustende bestemming "Agrarisch gebied". Om niettemin medewerking aan het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college vrijstelling verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. Ter uitvoering van het door provinciale staten van Flevoland vastgestelde "Omgevingsplan Flevoland 2000" (hierna: het omgevingsplan) heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland bij besluit van 21 februari 2001 de "Beleidsregel plaatsing windmolens" (hierna: de beleidsregels) vastgesteld. Volgens het omgevingsplan en de beleidsregels is het oprichten van solitaire windturbines bij agrarische bedrijven niet toegestaan, behalve voor het voor kleinschalige opstellingen uitgesloten gebied van Zuidelijk Flevoland, alwaar medewerking zal worden verleend aan initiatieven die voldoen aan regelmaat en eenheid van opstelling, uitgaande van afstanden van 250 m uit het hart van een bebouwingscluster en 125 m uit de as van de weg. Een en ander conform het - na inspraak - door de gemeenteraad van Zeewolde vastgestelde plaatsingsplan. De maximale ashoogte bedraagt hierbij 70 m.

Verder zijn volgens de beleidsregels onder bepaalde voorwaarden ook cluster- of kleinschalige opstellingen in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, alsmede één kleinschalige lijnopstelling in de Noordoostpolder tussen de Ketelbrug en Urk toegestaan. De kleinschalige opstellingen moeten bestaan uit ten minste zes en ten hoogste tien windturbines met een maximale ashoogte van 70 m. Er moet worden gestreefd naar eenheid van vorm (aantal wieken, onderlinge afstanden, hoogte) en het opstellingspatroon moet regelmatig zijn en zich richten naar het landschapspatroon. Met betrekking tot de plaatsingsmogelijkheden van kleinschalige lijnopstellingen of ten opzichte van grootschalige opstellingen wordt, voor zover hier van belang, het volgende aangehouden:

- lijnen die parallel aan elkaar komen te staan (met een maximale hoekverdraaiing van niet meer dan circa 15 graden) binnen een onderlinge afstand van minder dan 2 keer de technische afstand (onderlinge afstand gemeten tussen de twee het dichtst bij elkaar staande turbines) mogen elkaar niet overlappen; is de afstand groter, maar minder dan 4 keer de technische afstand mag de overlap niet meer dan 2 molens bedragen. Tevens geldt in dat geval dat het gezamenlijk aantal molens niet meer dan 12 mag bedragen.

Ingevolge het Windmolenassenplan, een overzichtskaart (gewijzigde tekening van 29 augustus 2006) waarop alle bestaande dan wel mogelijk te ontwikkelen windmolens binnen de gemeente Zeewolde zijn aangegeven, dat onderdeel uitmaakt van het gemeentelijk beleid, behoort een zevende windmolen aan de Futenweg tot de mogelijkheden mits wordt voldaan aan de op de kaart voorgeschreven maximale ashoogte van windmolens.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan valt aan te merken als het oprichten van een solitaire windturbine in het middengebied van Zuidelijk Flevoland. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat het bouwplan in strijd is met de beleidsregels van het college van gedeputeerde staten ten aanzien van kleinschalige opstellingen. Hij voert hiertoe aan dat de lijnopstellingen aan de Futenweg en de Pijlstaartweg, beide bestaande uit zes windturbines, parallel aan elkaar liggen op een afstand van minder dan vier keer de technische afstand met een overlap van meer dan drie windmolens. Verder wordt het aantal toegestane windmolens van twaalf bij twee parallelle opstellingen overschreden volgens [appellant].

2.4.1. Het bouwplan is blijkens de bij het omgevingsplan behorende kaart nr. 4.7 niet voorzien in het middengebied van Zuidelijk Flevoland, maar naar tussen partijen niet in geschil is in Oostelijk Flevoland, zodat reeds daarom de rechtbank ten onrechte heeft getoetst aan de in de beleidsregels opgenomen voorwaarden voor het oprichten van een solitaire windturbine in het middengebied van Zuidelijk Flevoland. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak zoals uit het hiernavolgende blijkt.

Weliswaar is een solitaire windmolen aangevraagd maar - naar ook niet in geschil is tussen partijen - maakt de windmolen vanuit een ruimtelijk oogpunt bezien onderdeel uit van de bestaande lijnopstelling langs de Futenweg. Voor dit gebied geldt niet dat cluster- en kleinschalige opstellingen aldaar zijn uitgesloten. Nu de windmolen onderdeel uitmaakt van een kleinschalige lijnopstelling zijn de beleidsregels met betrekking tot de plaatsingsmogelijkheden van kleinschalige lijnopstellingen van toepassing. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de technische afstand, als bedoeld in de beleidsregels ten behoeve van kleinschalige lijnopstellingen, 315 m bedraagt en dat de werkelijke afstand tussen de twee lijnopstellingen aan de Futenweg en de Pijlstaartweg ongeveer 1257 m bedraagt. Weliswaar voldoet de werkelijke afstand tussen de lijnopstellingen niet aan de in de beleidsregels voorgeschreven afstand van 1260 m (4 maal 315 m), maar het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen verlenen. Hierbij is van belang dat in het Windmolenassenplan een zevende windmolen in de lijnopstelling is voorzien en dat het bouwplan qua hoogte voldoet aan de in dat plan voorgeschreven ashoogte van 67 m. Van de door [appellant] overgelegde stukken welke hij van de aanduiding Windmolenassenplan Zeewolde heeft voorzien heeft de Afdeling niet kunnen vaststellen dat deze door de raad van Zeewolde zijn vastgesteld. Daarnaast vormt de windmolen een visuele verlenging van de bestaande lijnopstelling langs de Futenweg, waardoor het bouwplan daarmee voldoet aan het, in de beleidsregels opgenomen uitgangspunt van eenheid en regelmaat evenals aan het uitgangspunt dat de lijnen de contouren van het landschap dienen te volgen. Voorts wordt hierbij in aanmerking dat het college van gedeputeerde staten van Flevoland, zoals door het college is toegelicht ter zitting, hetgeen door [appellant] niet is weersproken, te kennen heeft gegeven dat het college gelet op de marginale afwijking van de in de beleidsregels voorgeschreven afstand vrijstelling heeft kunnen verlenen. De rechtbank is gelet op het voorgaande terecht tot het oordeel gekomen dat het college vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn belangen ten gevolge van de vergunningverlening niet onevenredig zullen worden geschaad. Hij voert hiertoe aan dat het door Energieonderzoek Centrum Nederland (hierna: ECN) verrichte onderzoek niet objectief is, nu de resultaten niet zijn gemeten maar uitgerekend aan de hand van modellen, het rapport is opgesteld in opdracht van het college en het ECN voor promotie van groene energie is. Daarnaast verwijst [appellant] naar een door hem overgelegd productieoverzicht met werkelijk gemeten opbrengsten over 9 jaar productie en betoogt hij dat onvoldoende rekening is gehouden met de opschalingplannen van de reeds bestaande windmolens in de omgeving van het perceel.

2.5.1. ECN heeft in opdracht van het college een onderzoek gedaan naar de opbrengstverliezen van bestaande windmolens ten gevolge van de eventuele realisering van een aantal windturbines in de omgeving van het perceel, waaronder de windturbine op het perceel [locatie]. ECN heeft de resultaten daarvan neergelegd in een rapport van 10 januari 2006. Blijkens de berekeningen van het rapport zal het opbrengstverlies in verband met het realiseren van de windmolen op het perceel tussen de 0,5 procent en 1 procent bedragen met een verwachtingswaarde van 0,7 procent.

2.5.2. Weliswaar zal ten gevolge van het realiseren van de windturbine opbrengstverlies ontstaan, maar in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dit verlies, zoals weergegeven in het rapport van ECN, van dien aard is dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen hechten aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van de vrijstelling voor het realiseren van een windturbine dan aan de belangen die gebaat zijn bij weigering daarvan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het door [appellant] overgelegde productieoverzicht niet valt op te maken wat de gevolgen zijn voor de productie van het realiseren van een zevende windturbine in lijn van de lijnopstelling, en dat [appellant], zoals het college te kennen heeft gegeven, zich tot de gemeenteraad kan wenden voor een zelfstandig verzoek om vergoeding van planschade.

Daarnaast leiden de omstandigheden dat het rapport van ECN in opdracht van het college is opgesteld, dat geen feitelijke metingen zijn verricht en dat het ECN groene energie promoot, wat daar van zij, niet tot het oordeel dat het college het rapport niet aan zijn besluit tot vrijstelling ten grondslag heeft kunnen leggen, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat de inhoud van het rapport onjuist dan wel ondeugdelijk zou zijn. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat bij de beoordeling van de gevolgen van het realiseren van een windturbine gebruik wordt gemaakt van berekeningen in plaats van feitelijke metingen.

Gelet op het feit dat ten tijde van het besluit van 24 februari 2011 nog geen definitieve beslissingen over eventuele opschalingplannen waren genomen door de Werkgroep Opschaling Windturbines Flevoland en dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de realisatie van de windturbine niet aan sanering en opschaling van de reeds gerealiseerde windturbines in de weg behoeft te staan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in hetgeen [appellant] over de opschalingplannen heeft aangevoerd geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat het college ten tijde van het besluit van 24 februari 2011 niet in redelijkheid vrijstelling kon verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

374-700.