Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201112854/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Twinport" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3930
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112854/1/R1.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Heerlen,

2. [appellant sub 2], wonend te Heerlen,

3. [appellant sub 3], wonend te Heerlen,

en

de raad van de gemeente Heerlen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Twinport" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2011, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. W. Mesters, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. M. van Hoorne, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Huppertz en mr. H.H.M.F. Notermans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Twinport Geleendal Beheer BV, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op een deel van de gronden van het bedrijventerrein Coriopolis in Heerlen. Het biedt een planologische regeling voor de bestaande gebouwen Twinport I en Twinport II alsmede voor het bestaande kantoorgebouw Twinport III. Voorts biedt het een planologische regeling voor de bestaande ondergrondse parkeergarage Twinpark met 530 parkeerplaatsen. Het plan voorziet verder in uitbreiding van het Twinport-complex op het bedrijventerrein Coriopolis met een brutovloeroppervlak van 3.800 m² ten behoeve van drie op het dak van de parkeergarage op te richten kantoorunits, genaamd Twinport fase IV, V en VI.

2.2. [appellant sub 3] betoogt dat aan het plan geen langetermijnvisie ten grondslag ligt, omdat de oorspronkelijke doelgroep hoogwaardige ICT-bedrijven wordt losgelaten. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat de behoefte aan kantoorruimte niet is aangetoond. Zij stellen in dit verband, kort weergegeven, dat veel kantoorgebouwen in de regio Parkstad leeg staan en dat de leegstand verder zal toenemen.

2.2.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plan - anders dan het voorheen geldende bestemmingsplan "Geleendal-Eyckholt" dat voorzag in de vestiging van technisch onderscheidenlijk wetenschappelijk hoogwaardige bedrijven op het gebied van productie en dienstverlening - erop is gericht de vestiging van voornoemde bedrijven alsmede kantoren mogelijk te maken. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiermee voldoende inzichtelijk is welke ruimtelijke ontwikkeling hij binnen de planperiode voorstaat. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 3] dat een langetermijnvisie ontbreekt.

Voorts wordt overwogen dat in de plantoelichting staat dat de belangstelling voor bedrijventerrein Coriopolis onder potentiële gebruikers groot en stijgende is en dat de kantoorruimte die het gebouw Twinport III biedt volledig is verhuurd. Verder is ter zitting van de zijde van Twinport Geleendal Beheer onweersproken verklaard dat er concrete gegadigden zijn voor de kantoorruimte die Twinport fase IV, V en VI zal bieden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarmee in een behoefte wordt voorzien. Weliswaar staat vast dat in Heerlen kantoorgebouwen leeg staan, maar de raad stelt met verwijzing naar de inventarisatie "Nederland Compleet, Factsheets kantoren- en bedrijfsruimtemarkt" van DTZ Zadelhoff van januari 2012 dat het leegstandspercentage in Heerlen slechts zes procent bedraagt, welk percentage onder het landelijk gemiddelde ligt en noodzakelijk is om snel te kunnen voldoen aan de vraag van bedrijven naar kantoorruimte. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. De enkele verwijzing van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] naar een bericht van 2 maart 2010 op de website van de lokale politieke partij Hart-Leers dat in 2009 110.000 m² kantoorruimte in Heerlen leeg stond, is hiervoor onvoldoende. De verwijzing van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] naar een krantenbericht van oktober 2009 waarin is vermeld dat het Topteam Krimp in het advies "Krimp als structureel probleem" van september 2009 aan de toenmalige minister van Wonen, Wijken en Integratie heeft geadviseerd de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Parkstad per direct te stoppen vanwege de bevolkingsafname, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat in het advies niet staat dat uitbreiding van kantoorruimte op een bestaand bedrijventerrein, zoals bij Coriopolis het geval is, moet worden tegengegaan. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat niet valt in te zien waarom de bestaande leegstaande kantoorgebouwen in Heerlen niet kunnen worden benut om te voldoen aan de vraag naar kantoorruimte van bedrijven die zich in de Twinport-gebouwen willen vestigen, wordt overwogen dat de raad heeft toegelicht dat die kantoorgebouwen niet voldoen aan de huidige eisen die bedrijven daaraan stellen, renovatie van die gebouwen ten behoeve van de kantoorfunctie te kostbaar is en het beleid er derhalve op is gericht die gebouwen geschikt te maken voor andere functies dan de kantoorfunctie. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk.

2.3. [appellant sub 3] betoogt dat niet duidelijk is welke bouwhoogtes het plan mogelijk maakt.

[appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het plan ten onrechte hogere bebouwing mogelijk maakt dan het voorheen geldende bestemmingsplan "Geleendal-Eyckholt". Zij betogen dat dit ertoe leidt dat het gebruik van de Twinport-gebouwen kan worden geïntensiveerd. Zij vrezen hierdoor onder meer voor een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen.

[appellant sub 3] betoogt dat de voorziene bebouwing, gelet op de bouwmassa en de toegekende bouwhoogte, leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 1] in de vorm van een aantasting van zijn privacy en een vermindering van zicht. [appellant sub 2] voert aan dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 2] wordt aangetast als gevolg van een vermindering van zicht. [appellant sub 3] acht de maximale bouwhoogte van 16 m voorts onnodig hoog. Hiertoe stelt hij dat deze bouwhoogte slechts is vereist, omdat wordt gebouwd op pilaren. Echter, hij stelt dat hiervan de noodzaak niet valt in te zien.

2.3.1. Blijkens de verbeelding maakt het plan maximale bouwhoogtes van 16 m en 19 m mogelijk.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels mogen binnen de bestemming "Bedrijf" gebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de bepaling dat de bouwhoogte maximaal de bouwhoogte bedraagt zoals deze is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte".

Ingevolge artikel 2, voor zover van belang, wordt bij de toepassing van deze regels de bouwhoogte van een bouwwerk als volgt gemeten: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.22 wordt in de planregels verstaan onder het peil: ten aanzien van (de oprichting van) gebouwen en/of bouwwerken geldt dat het peil 95,83 m +NAP bedraagt.

2.3.2. Blijkens de plankaart van het voorheen geldende bestemmingsplan "Geleendal-Eyckholt" was aan de gronden waarop het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan "Twinport" betrekking heeft, de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend. Ter plaatse van het gebouw Twinport I waren maximale bouwhoogtes van 13,5 m en 18 m toegestaan. Ter plaatse van de overige gronden was een maximale bouwhoogte van 13,5 m toegestaan.

Ingevolge artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan, voor zover van belang, was met betrekking tot de bouwhoogte bepaald: maximaal de hoogte zoals op de plankaart aangegeven.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, voor zover van belang, werd bij de toepassing van de voorschriften als volgt gemeten: vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk.

Ingevolge artikel 1, voor zover van belang, werd in de voorschriften onder peil verstaan:

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

2.3.3. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het peil 95,83 m +NAP de hoogte van het maaiveld is ter plaatse van de voetgangersuitgang van de parkeergarage. Gelet op het bepaalde in artikel 1, lid 1.22 en artikel 2, van de planregels ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de planregels onvoldoende duidelijkheid bieden over de bouwhoogte die is toegelaten of over de wijze waarop deze moet worden gemeten. Voor zover [appellant sub 3] in dit verband betoogt dat in de plantoelichting foutief is vermeld dat het dak van de parkeergarage zich op 1,5 m boven het maaiveld bevindt en dat daarin onjuistheden zijn vermeld met betrekking tot de bouwhoogte van de loungeruimte die is voorzien op de bovenste bouwlaag van het gebouw Twinport III - wat daarvan ook zij - wordt overwogen dat de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Reeds hierom kunnen deze betogen van [appellant sub 3] niet leiden tot vernietiging van het plan in zoverre.

De Afdeling overweegt met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het plan hogere bebouwing mogelijk maakt dan het voorheen geldende bestemmingsplan als volgt. Vaststaat dat de definitie van het begrip peil in artikel 1, lid 1.22, van de planregels van het thans aan de orde zijnde plan is gewijzigd ten opzichte van de definitie van het begrip peil in artikel 1, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan. De raad stelt dat deze wijziging ertoe leidt dat de bouwhoogte op grond van het nu aan de orde zijnde plan op een andere wijze wordt gemeten dan op grond van het vorige bestemmingsplan, in die zin dat thans wordt gemeten vanaf het peil 95,83 m +NAP dat 3 m lager ligt dan het peil dat in het voorheen geldende bestemmingsplan werd gehanteerd. Hij stelt echter dat de bouwhoogte, met uitzondering van de gronden met de bestemming "Bedrijf", de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - setback" en de aanduiding "maximale bouwhoogte 19 m", feitelijk niet of nauwelijks is verhoogd. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop mist het betoog dat het plan in zoverre ruimere bouwmogelijkheden biedt dan het vorige plan, feitelijke grondslag. Derhalve faalt ook het betoog dat het plan in zoverre leidt tot een verdergaande aantasting van het woon- en leefklimaat ten opzichte van het vorige bestemmingsplan.

Voorts wordt overwogen dat [appellant sub 1] en anderen terecht stellen dat de maximaal toegestane bouwhoogte van 19 m ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf", de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - setback", is verhoogd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Voor zover [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daardoor vrezen voor een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woning, overweegt de Afdeling als volgt. In het verweerschrift staat dat met het plan in zoverre is beoogd hetgeen met vrijstelling van het vorige plan ter plaatse mogelijk is gemaakt planologisch vast te leggen. De afweging die de raad onder deze omstandigheden bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken sluit nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling. De verandering van de bouwhoogte die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling is in rechte onaantastbaar geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] naar voren hebben gebracht, geeft geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken. Daarbij is van belang dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet hebben aangevoerd dat zich sinds de verlening van vrijstelling nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die ten tijde van de vaststelling van het plan hadden moeten leiden tot een andere afweging.

De Afdeling overweegt verder dat niet valt uit te sluiten dat het zicht van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] ter plaatse van hun woningen in enige mate kan worden aangetast door de aanwezigheid van het gebouw Twinport III en de voorziene bebouwing in fase IV, V en VI met een maximale hoogte tot 16 m, een maximale lengte van ongeveer 85 m en een maximale breedte van ongeveer 75 m, aangezien deze is voorzien op voorheen grotendeels onbebouwde gronden op een afstand van ongeveer 55 m van de woning van [appellant sub 3] dan wel [appellant sub 2]. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vermindering van het zicht niet dusdanig zal zijn dat hieraan een doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat geen blijvend recht bestaat op vrij uitzicht. Voorts wordt in aanmerking genomen de verklaring van de raad ter zitting dat langs de weg bomen staan die het zicht op de bebouwing in belangrijke mate zullen afschermen.

Met betrekking tot de invloed van het plan op de privacy ter plaatse van de woning van [appellant sub 3], wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een ernstige aantasting. Hierbij heeft de raad van belang kunnen achten de ligging van de woning van [appellant sub 3] op een afstand van ongeveer 55 m tot het plangebied.

Wat betreft het betoog dat ten onrechte op pilaren wordt gebouwd, wordt overwogen dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Deze ziet immers op het bouwplan en niet op het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan, nog daargelaten de toelichting van Twinport Geleendal Beheer ter zitting dat de keuze voor de bouw op pilaren is ingegeven door stedenbouwkundige overwegingen alsmede de omstandigheid dat daardoor onder de bebouwing ruimte beschikbaar is voor parkeerdoeleinden.

2.4. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen voor ernstige parkeerdruk in de woonwijk nabij het plangebied. [appellant sub 3] betoogt dat, gelet op de voorziene kantoorfunctie met eventueel een baliefunctie, ten onrechte is uitgegaan van een parkeernorm van één parkeerplaats per 67 m² bedrijfsvloeroppervlak en niet een parkeernorm van één parkeerplaats per 59 m². Hij acht de gehanteerde parkeernorm van 67 m² voorts in strijd met het bepaalde in de "Parkeernota Heerlen 2007 - 2015" van 25 september 2007 dat voor bedrijventerrein Coriopolis geen ruimere parkeernorm mag worden gehanteerd dan één parkeerplaats per 60 m². [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wijzen er in dit verband op dat in de bestaande situatie in de omgeving van het plangebied reeds sprake is van parkeerdruk, welke zal toenemen als gevolg van de voorziene uitbreiding van het Arcus College aan de Valkenburgerweg en de Nieuw Eyckholt. Zij betogen dat derhalve in het kader van het voorliggende plan een integrale visie met betrekking tot het aspect parkeren had moeten worden opgesteld, hetgeen volgens hen ten onrechte niet is gebeurd.

2.4.1. In de plantoelichting staat dat het plan door de aanwezigheid van de parkeergarage Twinpark met 530 parkeerplaatsen ruim voorziet in de eigen parkeerbehoefte en dat daarnaast ongeveer 361 parkeerplaatsen - uitgaande van een parkeernorm van één parkeerplaats per 67 m² bedrijfsvloeroppervlak - ten behoeve van de buiten het plangebied gelegen Hogeschool Zuyd in de parkeergarage beschikbaar zullen zijn. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet bestreden dat de parkeergarage ruim voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het plan geen parkeerproblemen hoeven te worden verwacht, temeer nu uit de plantoelichting volgt dat het plan juist bijdraagt aan een oplossing van het parkeertekort in de omgeving van het plangebied. Het betoog dat ten onrechte niet een parkeernorm van één parkeerplaats per 59 m² bedrijfsvloeroppervlak is gehanteerd, kan niet leiden tot een ander oordeel. Dit zou immers slechts betekenen dat ten behoeve van de Hogeschool Zuyd ongeveer achttien parkeerplaatsen minder beschikbaar zijn dan op grond van de parkeernorm van één parkeerplaats per 67 m² bedrijfsvloeroppervlak is berekend, maar laat onverlet dat het plan ruim voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Twinport Geleendal Beheer heeft in dit verband ter zitting verklaard dat in de toekomst ook voldoende parkeerplaatsen aanwezig zullen blijven ten behoeve van de planontwikkeling, reeds omdat huurders zich niet zullen vestigen indien geen parkeermogelijkheid aanwezig is. Voor zover [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het onderhavige plan een integrale oplossing moet bieden voor de parkeerdruk vanwege ontwikkelingen buiten het plangebied, wordt overwogen dat niet valt in te zien waarom dit het geval zou moeten zijn. Nu vaststaat dat het plan ruimschoots voorziet in de eigen parkeerbehoefte valt voorts niet in te zien dat in het kader van dit plan een integrale visie met betrekking tot het aspect parkeren had moeten worden opgesteld.

2.5. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen voor een onaanvaardbare verkeerstoename. Zij betogen dat ten onrechte geen integraal verkeers- en vervoersplan is opgesteld waarin rekening is gehouden met de verkeersgeneratie van Twinport en de voorziene uitbreiding van het Arcus College aan de Valkenburgerweg en de Nieuw Eyckholt tezamen. [appellant sub 3] betoogt voorts dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de verknoping van de A76 met de A79.

2.5.1. De raad stelt dat duidelijk is dat de planontwikkeling niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerstoename op de omliggende wegen. Hiertoe stelt hij dat de capaciteit van die wegen 10.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt en dat verkeerstellingen uit 2009 uitwijzen dat de bestaande verkeersintensiteiten op die wegen dusdanig zijn dat voldoende capaciteit resteert voor een toename van naar verwachting maximaal 2.383 verkeersbewegingen die het plan genereert. Hierbij is uitgegaan van een worstcase-scenario, gebaseerd op een berekening waarbij de capaciteit van de parkeergarage Twinpark als uitgangspunt voor de verwachte verkeersbewegingen is genomen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De verwijzing naar een bericht op de website van onderzoeksbureau Mobycon van 4 september 2007 dat Mobycon door de gemeente Heerlen is benaderd om onderzoek te verrichten naar de bereikbaarheid van bedrijventerrein Coriopolis is hiervoor onvoldoende.

Met betrekking tot het betoog dat geen rekening is gehouden met de voorziene uitbreiding van het Arcus College, Twinport en de verknoping van de A76 met de A79 tezamen, wordt overwogen dat de raad zijn standpunt dat die ontwikkelingen bij elkaar niet leiden tot doorstromingsproblemen op de omliggende wegen in het verweerschrift heeft onderbouwd met verkeersmodelberekeningen. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de raad onjuist is.

2.6. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het plan leidt tot een toename van geluidhinder ter plaatse van hun woningen, veroorzaakt door een toename van het wegverkeer. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen in dit verband dat het geluid via de gevel van de Twinport-bebouwing zal reflecteren naar hun woning. Het voorgaande klemt temeer, nu in de bestaande situatie reeds sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), aldus [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. Zij betogen voorts dat de gemeente ten onrechte niet wil meewerken aan maatregelen om de geluidsbelasting te verminderen. [appellant sub 2] voert aan dat bij het voorgaande ten onrechte niet in aanmerking is genomen dat de woningen aan de Gelein eerder aanwezig waren dan de bebouwing waarin het plan voorziet. Voor zover de raad stelt dat uit de "Memo geluid en lucht BP Twinport" van 12 november 2010 volgt dat geen sprake is van ernstige geluidsoverlast, betoogt [appellant sub 3] dat niet van de resultaten in die memo kan worden uitgegaan. Hiertoe stelt hij dat deze afwijken van de resultaten in het onderzoek "Geluid naar de omgeving vanwege Arcus College Heerlen, locatie Valkenburgerweg" van Peutz van 17 juni 2008. Daarnaast stelt hij dat uit een memo van de gemeente Heerlen van 6 april 2009 volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van zijn woning 58,2 dB bedraagt en niet 57,1 dB, zoals in de "Memo geluid en lucht BP Twinport" van 12 november 2010 is vermeld. Verder betoogt hij dat de resultaten in de memo verschillen met de geluidsbelastingenkaart. Volgens [appellant sub 3] valt ten slotte niet in te zien waarom het voor de geluidsbelasting in 2021 geen verschil maakt of de nieuwbouw van het Arcus College al dan niet wordt gerealiseerd.

2.6.1. De raad stelt met verwijzing naar de "Memo geluid en lucht BP Twinport" van 12 november 2010 dat geen sprake zal zijn van ernstige geluidsoverlast.

2.6.2. In de "Memo geluid en lucht BP Twinport" van 12 november 2010 is de toename van de geluidsbelastingen op de gevel van woningen berekend. Met betrekking tot de toename is het volgende vermeld:

- deze bedraagt ten hoogste 0,9 dB in de dagperiode en 0,7 dB in de avondperiode in 2011;

- deze bedraagt ten hoogste 1,0 dB in de dagperiode en 0,7 dB in de avondperiode in 2021 indien geen rekening wordt gehouden met de nieuwbouw ten behoeve van het Arcus College;

- deze bedraagt ten hoogste 1,0 in de dagperiode en 0,7 dB in de avondperiode in 2021 indien geen rekening wordt gehouden met de nieuwbouw ten behoeve van het Arcus College;

- de toenames in de nachtperiode zijn enkel het gevolg van de reflectie in de nieuwe gebouwen die in fase III en de fases IV, V en VI worden opgericht. De toename in de nachtperiode bedraagt ten hoogste 0,5 dB.

2.6.3. Nu is berekend dat de huidige waarde met maximaal 1 dB zal toenemen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeerstoename als gevolg van het plan ter plaatse van de woningen niet leidt tot ernstige geluidhinder ten opzichte van de huidige geluidsbelasting. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling voorts van oordeel dat de raad in redelijkheid in het kader van dit plan heeft kunnen afzien van het nemen van geluidsreducerende maatregelen. Voorts faalt het betoog dat de Twinport-bebouwing leidt tot een verdere verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weerkaatsing van geluid ten opzichte van de resultaten die zijn berekend in de "Memo geluid en lucht BP Twinport". Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van de raad dat in het geluidmodel reeds rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de weerkaatsing van geluid. De door [appellant sub 2] naar voren gebrachte omstandigheid dat de woningen aan de Gelein eerder aanwezig waren dan de ontwikkelingen waarin het plan voorziet, leidt niet tot een ander oordeel.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] dat niet van de resultaten in de "Memo geluid en lucht BP Twinport" kan worden uitgegaan, omdat de resultaten afwijken van het onderzoek "Geluid naar de omgeving vanwege Arcus College Heerlen, locatie Valkenburgerweg" van Peutz van 17 juni 2008, wordt overwogen dat de raad heeft toegelicht dat de gecumuleerde geluidsbelastingen in dat onderzoek zijn berekend inclusief de wettelijke aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh, welke in de "Memo geluid en lucht BP Twinport" van 12 november 2010 niet is toegepast. Indien die aftrek zou zijn toegepast, zouden de door [appellant sub 3] bedoelde resultaten hetzelfde zijn, aldus de raad. [appellant sub 3] heeft dit niet bestreden. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] dat uit een memo van de gemeente Heerlen van 6 april 2009 volgt dat de geluidsbelasting op de gevel van zijn woning 58,2 dB bedraagt en niet 57,1 dB, zoals in de "Memo geluid en lucht BP Twinport" is vermeld, wordt overwogen dat in het verweerschrift staat dat de berekening van de geluidsbelasting in de memo van 6 april 2009 berust op verkeersgegevens uit 2009, terwijl thans is uitgegaan van verkeersgegevens uit 2011. Voorts faalt het betoog dat de uitkomsten van de "Memo geluid en lucht BP Twinport" ten onrechte verschillen van de geluidsbelastingenkaart. Hiertoe wordt overwogen dat de raad heeft toegelicht dat de verschillen kunnen worden verklaard, doordat ten behoeve van de geluidsbelastingenkaart, anders dan ten behoeve van de "Memo geluid en lucht BP Twinport", gebruik is gemaakt van een andere rekenmethodiek en van verkeersgegevens uit 2006 die thans niet meer actueel zijn. Wat betreft het betoog dat niet valt in te zien waarom het voor de geluidsbelasting in 2021 geen verschil maakt of de nieuwbouw van het Arcus College al dan niet wordt gerealiseerd, wordt overwogen dat in het verweerschrift staat dat dit kan worden verklaard door de aanleg van een nieuwe verbindingsboog ter hoogte van Kunderberg, waardoor het verkeer van de A79 richting de woonboulevard en het zwaar verkeer richting Brunssum zullen ontsluiten via de A76. Hierdoor zal de verkeersintensiteit in 2021 zijn afgenomen, aldus de raad. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

2.7. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. [appellant sub 3] voert aan dat ten onrechte geen nulmeting is verricht om de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de bestaande situatie inzichtelijk te maken. Verder betoogt hij dat niet valt in te zien waarom de jaargemiddelde concentraties in 2011, rekening houdend met slechts de realisering van Twinport, hoger zijn dan de jaargemiddelde concentraties in 2021, rekening houdend met zowel Twinport als het Arcus College.

2.7.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

[…];

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

[…].

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), draagt met ingang van het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van de uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.

2.7.2. In de plantoelichting staat met verwijzing naar de "Memo geluid en lucht BP Twinport" van 12 november 2010 dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof zijn berekend met het programma CAR versie 9.0. Op grond van deze berekeningen is geconcludeerd dat de concentraties niet in betekenende mate toenemen als gevolg van het plan. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Reeds hierom faalt hun betoog dat het plan leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de luchtkwaliteit. De overige beroepsgronden, waarmee is betoogd dat niet aan de wettelijke normen in het peiljaar kan worden voldaan, kunnen in een situatie zoals de onderhavige waarin sprake is van een toename die wordt gekwalificeerd als niet in betekenende mate, niet leiden tot een ander oordeel. In een dergelijke situatie hoeft op grond van de Wet milieubeheer immers niet tevens te worden getoetst of aan de wettelijke normen in het peiljaar kan worden voldaan.

2.8. [appellant sub 3] betoogt dat het plan leidt tot een waardevermindering van zijn woning. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld.

2.9.1. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro.

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zou [appellant sub 2] niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daarbij is van belang dat [appellant sub 2] geen eigenaar is van gronden in het exploitatiegebied en dat hij evenmin een grondexploitatieovereenkomst met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied heeft gesloten als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant sub 2] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kan hij evenmin worden aangemerkt als belanghebbende bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellant sub 2] is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.10. [appellant sub 2] betoogt voorts dat niet is aangetoond dat het plan economisch uitvoerbaar is.

2.10.1. In de plantoelichting staat dat met de initiatiefnemer kostendekkende afspraken zijn gemaakt en dat ook rekening is gehouden met planschade die uit de voorgenomen ontwikkeling kan voortvloeien. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan economisch uitvoerbaar is.

2.11. Voor zover [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] in het beroepschrift voor het overige hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijze en voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] in hun beroepschrift het betoog in hun zienswijze hebben herhaald dat aan het plan verouderde onderzoeksrapporten dan wel beleidstukken ten grondslag liggen, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist is.

2.12. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Priem

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

646.