Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201111420/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7169, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening van aan wederpartij toegekende voorschot kindgebonden budget voor 2010, vaststelling op nihil en terugvordering van het uitbetaalde voorschot. Wederpartij betwist niet dat hij voor het jaar 2010 geen aanspraak op een kindgebonden budget had. Zijn betoog komt erop neer dat het voorschot niet van hem mocht worden teruggevorderd, omdat dat niet op zijn bankrekening, maar op die van zijn vroegere partner is uitbetaald.

De Belastingdienst heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat wederpartij de aanvrager is en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het doorgeven van een wijziging van het rekeningnummer en het terugbetalen van te veel ontvangen voorschot.

De rb. heeft dat besluit vernietigd, omdat, nu de stelling dat de kinderbijslag aan de vroegere partner is uitbetaald niet is weersproken, de vroegere partner ingevolge art. 2 van de Wkb aanspraak op een kindgebonden budget heeft en zij ingevolge art. 5, tweede lid, van de Wkb als aanvrager daarvan moet worden aangemerkt. De Belastingdienst had de besluiten over het kindgebonden budget daarom aan haar moeten richten en haar moeten aanmerken als degene die ingevolge art. 26 van de Awir het bedrag van de terugvordering geheel verschuldigd is, aldus de rb.

De Belastingdienst heeft in beroep een op 5 oktober 2007 van de SVB ontvangen 'startbericht' overgelegd. Hierin staat als burgerservicenummer van de aanvrager van de kinderbijslag dat van wederpartij vermeld en als rekeningnummer van de aanvrager het rekeningnummer [...]. Gelet hierop, heeft de Belastingdienst terecht wederpartij aangemerkt als de ouder, aan wie in 2008 kinderbijslag werd betaald en die ingevolge art. 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wkb, in 2008 geacht wordt een aanvraag voor een kindgebonden budget te hebben gedaan. Die aanvraag wordt ingevolge art. 15, vierde lid, van de Awir geacht mede te zijn gedaan voor de jaren 2009 en 2010. De Belastingdienst heeft de besluiten over het kindgebonden budget voor de jaren 2008, 2009 en 2010 daarom terecht aan wederpartij gericht. In die besluiten is als rekeningnummer [....] vermeld. Indien wederpartij meende dat het kindgebonden budget ten onrechte aan hem was toegekend, dan wel ten onrechte op een niet aan hem toebehorende bankrekening werd uitbetaald, zou het op zijn weg hebben gelegen daarvan tijdig mededeling aan de Belastingdienst te doen.

Gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111420/1/A2.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 september 2011 in zaak nr. 11/3936 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2010 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] toegekende voorschot kindgebonden budget voor 2010 herzien, vastgesteld op nihil en het uitbetaalde voorschot van € 1.165,00 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 20 september 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 28 september 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, dat van 31 december 2010 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door haar vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 november 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 5 en 9 januari 2012 daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: Wkb) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kindgebonden budget verstaan: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen.

Ingevolge het tweede lid is de hoogte ervan afhankelijk van de draagkracht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget voor een kind, voor wie aan die ouder krachtens artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, wordt de ouder die over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden budget geacht een aanvraag, als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), voor het kindgebonden budget te hebben gedaan.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Awir geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

Ingevolge het derde lid worden onder inkomensafhankelijke regelingen verstaan: bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, wordt, indien partners een gezamenlijke aanspraak op een tegemoetkoming hebben, de tegemoetkoming uitsluitend aan de aanvrager toegekend.

Ingevolge het vijfde lid kan bij wet worden bepaald dat een belangstellende geacht wordt een aanvraag te hebben gedaan.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26, voor zover thans van belang, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag.

2.2. [wederpartij] betwist niet dat hij voor het jaar 2010 geen aanspraak op een kindgebonden budget had. Zijn betoog komt erop neer dat het voorschot niet van hem mocht worden teruggevorderd, omdat dat niet op zijn bankrekening, maar op die van zijn vroegere partner is uitbetaald.

De Belastingdienst heeft aan het besluit van 22 maart 2011 ten grondslag gelegd dat [wederpartij] de aanvrager is en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het doorgeven van een wijziging van het rekeningnummer en het terugbetalen van te veel ontvangen voorschot.

De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, omdat, nu de stelling dat de kinderbijslag aan de vroegere partner is uitbetaald niet is weersproken, de vroegere partner ingevolge artikel 2 van de Wkb aanspraak op een kindgebonden budget heeft en zij ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wkb als aanvrager daarvan moet worden aangemerkt. De Belastingdienst had de besluiten over het kindgebonden budget daarom aan haar moeten richten en haar moeten aanmerken als degene die ingevolge artikel 26 van de Awir het bedrag van de terugvordering geheel verschuldigd is, aldus de rechtbank.

2.3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat [wederpartij] bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) in 2008 als aanvrager en ontvanger van kinderbijslag bekendstond. Nu hij niet heeft gereageerd op de aan hem verzonden besluiten over de jaren 2008 en 2009, mocht de Belastingdienst hem in 2010 als de aanvrager aanmerken die het verleende voorschot voor dat jaar dient terug te betalen.

2.3.1. De Belastingdienst heeft in beroep een op 5 oktober 2007 van de SVB ontvangen 'startbericht' overgelegd. Hierin staat als burgerservicenummer van de aanvrager van de kinderbijslag dat van [wederpartij] vermeld en als rekeningnummer van de aanvrager het rekeningnummer [nummer]. Gelet hierop, heeft de Belastingdienst terecht [wederpartij] aangemerkt als de ouder, aan wie in 2008 kinderbijslag werd betaald en die ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wkb, in 2008 geacht wordt een aanvraag voor een kindgebonden budget te hebben gedaan. Die aanvraag wordt ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Awir geacht mede te zijn gedaan voor de jaren 2009 en 2010. De Belastingdienst heeft de besluiten over het kindgebonden budget voor de jaren 2008, 2009 en 2010 daarom terecht aan [wederpartij] gericht. In die besluiten is als rekeningnummer [nummer] vermeld. Indien [wederpartij] meende dat het kindgebonden budget ten onrechte aan hem was toegekend, dan wel ten onrechte op een niet aan hem toebehorende bankrekening werd uitbetaald, zou het op zijn weg hebben gelegen daarvan tijdig mededeling aan de Belastingdienst te doen.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 22 maart 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 september 2011 in zaak nr. 11/3936;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Biharie

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

611.