Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201110299/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2010 heeft het college geweigerd aan [appellante] ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen voor het gebruik van het perceel aan de Transportweg 19 te Maasdijk door Harting-Bank B.V. ten behoeve van een logistiek centrum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110299/1/A1.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 augustus 2011 in zaak nr. 11/1999 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2010 heeft het college geweigerd aan [appellante] ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen voor het gebruik van het perceel aan de Transportweg 19 te Maasdijk door Harting-Bank B.V. ten behoeve van een logistiek centrum.

Bij besluit van 24 januari 2011 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij besluit van 21 april 2011 heeft het de ondertekening van het besluit van 24 januari 2011 gewijzigd en dat besluit bekrachtigd.

Bij uitspraak van 17 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 24 januari 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 oktober 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.A. Huigen, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door H. Kartal, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank de "Vervangingsregeling", nadat zij die na de zitting van het college had ontvangen, ten onrechte bij de uitspraak heeft betrokken, zonder dit aan haar toe te sturen en haar de gelegenheid te bieden er op te reageren.

2.1.1. Dat betoog slaagt. De rechtbank heeft het college de gelegenheid geboden om een afschrift van een nadere mandaatregeling na de zitting te overleggen, maar heeft het vervolgens overgelegde stuk niet aan [appellante] toegestuurd. Hierdoor heeft zij daar niet op kunnen reageren. Door de regeling onder die omstandigheden niettemin bij haar uitspraak te betrekken, heeft zij in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor gehandeld.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij haar ingestelde beroep behandelen.

2.3. De besluiten van 16 augustus 2010 en 24 januari 2011 zijn ondertekend door mr. C.J. Menheer, teamleider Stedenbouw en Bestemmingsplannen en plaatsvervangend afdelingshoofd Ruimte, Omgeving en Veiligheid.

2.4. [appellante] betoogt dat het besluit van 24 januari 2011 onbevoegd is genomen. Daartoe voert zij aan dat Menheer dat besluit in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft genomen. Volgens haar was Menheer niet bevoegd op het bezwaar te beslissen, omdat aan haar geen mandaat daartoe is verleend.

2.4.1. Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet verleend aan degene die het besluit, waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

2.4.2. Het betoog slaagt. Het besluit van 24 januari 2011 is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb, nu Menheer het besluit van 16 augustus 2010 had genomen. Reeds hierom dient het te worden vernietigd.

2.5. Het besluit van 21 april 2011 tot bekrachtiging van het besluit van 24 januari 2011 is ondertekend door C.J. Haaring, teamleider Omgevingsvergunningen en Erfgoed en plaatsvervangend afdelingshoofd Ruimte, Omgeving en Veiligheid.

2.6. [appellante] betoogt dat Haaring onbevoegd was om dat besluit te nemen.

2.6.1. Op 7 december 2010 heeft het college de "Mandaatregeling college en burgemeester 2011" (Gemeenteblad Westland 2010, nr. 51) vastgesteld. Deze regeling is op 1 januari 2011 in werking getreden. Ingevolge artikel 1, tweede lid, staan de besluiten, voor het nemen waarvan daarbij mandaat wordt verleend, vermeld op de bij de regeling behorende besluitenlijst. Ingevolge artikel 3, tweede lid, vermeldt de mandatenlijst tevens, tot op welk niveau ondermandaat kan worden verleend. Ingevolge het derde lid kan het afdelingshoofd een aan hem verleend ondermandaat door mandateren aan een onder hem ressorterende medewerker, voor zover de bevoegdheid daartoe uit de in het tweede lid vermeldde mandatenlijst blijkt. Bij artikel Aa8 van deze mandatenlijst is ondermandaat aan het afdelingshoofd verleend tot het nemen van besluiten op bezwaar overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften Westland (hierna: de bezwaarschriftencommissie). Verder is ondermandaat aan een teamleider toegestaan. Ingevolge artikel 3, negende lid, wordt de gemandateerde bevoegdheid bij afwezigheid van de ondergemandateerde uitgeoefend door de organisatorisch plaatsvervanger.

Het afdelingshoofd Ruimte, Omgeving en Veiligheid heeft, lettend op de "Organisatieregeling gemeente Westland 2011" en de mandaatregeling, op 14 januari 2011 de "Vervangingsregeling" vastgesteld. Zij houdt in dat het afdelingshoofd bij zijn afwezigheid door de teamleider Stedenbouw en Bestemmingsplannen of door de teamleider Openbare Orde en Veiligheid wordt vervangen. Indien deze teamleiders afwezig zijn, wordt het afdelingshoofd vervangen door ieder ander teamleider van de afdeling, aldus de regeling.

[appellante] heeft de "Vervangingsregeling" ter zitting ingezien en daarop gereageerd.

2.6.2. Het betoog faalt. Het besluit van 21 april 2011 is door Haaring in overeenstemming met de mandaatregeling genomen, zodat het gebrek in het besluit van 24 januari 2011 in zoverre is hersteld. Ingevolge artikel 3, negende lid, van de "Mandaatregeling" wordt de aan het afdelingshoofd gemandateerde bevoegdheid bij diens afwezigheid door de organisatorisch plaatsvervanger uitgeoefend. Uit de "Vervangingsregeling" volgt dat onder meer Haaring het afdelingshoofd kan vervangen. Voor het oordeel dat anderen dan Haaring het besluit van 21 april 2011 konden ondertekenen, bestaan geen aanknopingspunten. Evenmin is er strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 24 januari 2011 in stand te laten.

2.7. [appellante] betoogt verder dat aan het besluit van 21 april 2011 ten onrechte geen heroverweging vooraf is gegaan, nu daarbij ten opzichte van het besluit van 24 januari 2011 slechts de naam en handtekening zijn vervangen.

2.7.1. Op 22 november 2010 heeft de bezwaarschriftencommissie het door [appellante] gemaakte bezwaar behandeld. Zij heeft het college op 10 januari 2010 geadviseerd het ongegrond te verklaren en het besluit van 16 augustus 2010 te handhaven. Het college heeft dit advies bij het besluit van 24 januari 2011 overgenomen en dat bij het besluit van 21 april 2011 bekrachtigd. Dat het het advies van de bezwaarschriftencommissie bij de besluiten van 24 januari en 21 april 2010 heeft overgenomen, levert geen aanknopingspunten op voor het oordeel dat het college zonder heroverweging op het door [appellante] gemaakte bezwaar heeft besloten.

Het betoog faalt.

2.8. De aanvraag van [appellante] ziet op gebruik van het gebouw op het perceel als logistiek centrum voor transport en distributie van rolstoelen en aanverwante medische apparatuur.

2.9. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Transportcentrum Maasland" rust op het perceel de bestemming "Transportcentrum".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met die bestemming bestemd voor de vestiging van Westlandse transportbedrijven en daaraan verwante veem- en pakhuisbedrijven, als bedoeld in categorie 4 van de Staat van Inrichtingen, en waarvan de activiteiten in hoofdzaak gericht zijn op het vervoer, de opslag en de overslag van groenten, fruit, bloemen en planten.

Ingevolge het onder b bepaalde, zijn de gronden tevens bestemd voor de vestiging van ondersteunende en dienstverlenende activiteiten ten behoeve van de onder a bedoelde transportbedrijven te weten:

- een servicebedrijf voor vrachtwagens annex plaatswerkerij en spuitinrichting als bedoeld in categorie 4 van de Staat van inrichtingen;

- een bankfiliaal;

- een douanekantoor;

- voorzieningen ten behoeve van het beheer en de beveiliging van het transportcentrum.

2.10. Niet in geschil is dat het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.

2.11. [appellante] betoogt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om voor dat gebruik ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen. Daartoe voert zij aan dat het aan de vorige huurder van het perceel met het bestemmingsplan strijdig gebruik heeft toegestaan. Voorts is er in de omgeving van het perceel substantiële leegstand en is het pand op het perceel ongeschikt voor een agro-logistiek bedrijf, omdat het dockshelters ontbeert. Verder heeft geen goede belangenafweging plaatsgevonden. Ook heeft het college onvoldoende gemotiveerd, waarom het niet bereid is tijdelijke ontheffing te verlenen, aldus [appellante].

2.11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1), is in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid geregeld, waarvan de rechter de uitoefening terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het bestuursorgaan, wat betreft de afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek om ontheffing heeft kunnen komen.

2.11.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen ontheffing voor ander gebruik dan ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan wil verlenen. Weliswaar is er in de omgeving van het perceel enige leegstand als gevolg van de economische crisis, maar dat geeft geen aanleiding om ontheffing te verlenen, omdat de leegstand niet structureel van aard is. Voorts wil het ongewenste precedentwerking voorkomen en zijn in Westland naar zijn oordeel voldoende bedrijventerreinen beschikbaar die niet aan de agro-logistieke sector zijn voorbehouden.

2.11.3. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het in het bestemmingsplan toegestane gebruik. Anders dan [appellante] betoogt, kan zij geen aanspraak op ontheffing aan het gestelde strijdige gebruik van het perceel door de voormalige huurders ontlenen, omdat het college voor dat gebruik geen ontheffing heeft verleend. Voorts is de stelling dat gebruik van het perceel overeenkomstig de geldende bestemming niet mogelijk is niet aannemelijk gemaakt. In dat verband heeft het college gesteld dat het perceel in een nieuw te ontwikkelen bestemmingsplan dezelfde bestemming houdt en het pand in elk geval geschikt is voor met transport verbonden gebruik binnen de bestemming.

2.11.4. [appellante] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het beoogde gebruik slechts tijdelijk van aard is. Gelet daarop, geeft het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd.

Het betoog faalt.

2.12. De Afdeling zal het door [appellante] tegen de besluiten van 24 januari en 21 april 2011 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit van 24 januari 2011 vernietigen, doch bepalen dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

2.13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 augustus 2011 in zaak nr. 11/1999;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 24 januari 2011, kenmerk 11-0004513;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Vastgoed B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Vastgoed B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 756,00 (zegge: zevenhonderdzesenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

270-672.