Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201113230/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Korteraarseweg - Kerkweg (weilanden tussen Kerkweg en Korteraarseweg nr. 83)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113230/1/R4.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwkoop,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college het wijzigingsplan "Korteraarseweg - Kerkweg (weilanden tussen Kerkweg en Korteraarseweg nr. 83)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2012, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. J.J. van Nuland, werkzaam bij Bureau SRO, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.D.N. Prevoo, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn [belanghebbende] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan wijzigt het bestemmingsplan "Korteraar 2008", zoals dat door de raad van de gemeente Nieuwkoop is vastgesteld op 8 mei 2008 (hierna: het moederplan). Het plan maakt de bouw van negen vrijstaande woningen en van een twee-onder-één kap-woning mogelijk tussen Kerkweg en Korteraarseweg nr. 83.

Terinzagelegging

2.2. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte de onderzoeken die ten grondslag liggen aan het plan niet ter inzage zijn gelegd.

2.2.1. Volgens het college hadden belanghebbenden de mogelijkheid de betreffende stukken op te vragen en te verkrijgen. Het college wijst erop dat deze mogelijkheid expliciet is benoemd op pagina 3 van de toelichting van het ontwerpplan en van de toelichting van het vastgestelde plan.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten, indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 3 december 2003, nr. 200206819/1, is artikel 3:11 van de Awb te zien als een uitwerking van de openbaarmakingsplicht, die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan.

Naar het oordeel van de Afdeling zijn de betreffende onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerpplan redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerpplan. Zoals eerder is overwogen in de uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3, acht de Afdeling het in beginsel aanvaardbaar dat de op het plan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan op een andere plaats binnen het gemeentehuis ter inzage liggen dan het plan zelf. Om te verzekeren dat ten aanzien van deze stukken daadwerkelijk wordt voldaan aan de actieve openbaarmakingsplicht, dient bij een dergelijke handelwijze het plan vergezeld te gaan van een duidelijke omschrijving van die stukken, bijvoorbeeld door een inventarislijst waarop staat vermeld welke stukken het betreft, en dient kenbaar te worden gemaakt en verzekerd te zijn dat deze op afroep onverwijld beschikbaar zijn voor inzage. Op pagina 3 van het ontwerpplan is vermeld welke onderzoeken aan het ontwerpplan ten grondslag liggen en waar deze onderzoeken op te vragen zijn. Belanghebbenden hadden gedurende de terinzageligging van het plan de onderzoeken kunnen opvragen en kunnen verkrijgen, zodat zij deze konden betrekken bij hun zienswijze. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet aan zijn actieve openbaarmakingsplicht heeft voldaan.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de betreffende onderzoeken niet met het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd dient te worden geoordeeld dat dit een onregelmatigheid betreft die dateert van na het nemen van het bestreden besluit en reeds om deze reden de rechtmatigheid van dit besluit niet kan aantasten. In zoverre is er geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.

Wijzigingsbevoegdheid

2.3. [appellant] en anderen betogen dat met de vaststelling van het plan de grenzen van de in het moederplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid zijn overschreden. In dit verband voeren zij aan dat een parkeereis in de planregels is opgenomen terwijl het moederplan niet in deze mogelijkheid voorziet. Bovendien staat de planregeling in het moederplan in de weg aan het gebruik van gronden met de bestemming "Tuin" voor parkeren. Nu hieruit volgt dat de opgenomen parkeerregeling onverbindend is, voorziet het plan ten onrechte niet in voldoende parkeergelegenheid.

2.3.1. Het college stelt dat de parkeereis in het plan is opgenomen naar aanleiding van het verzoek van [appellant] en anderen in de zienswijzenfase. Volgens het college worden de grenzen van de in het moederplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid met de parkeereis niet overschreden. Het college stelt dat de wijzigingsvoorwaarden uit het moederplan ruimte laten om in het wijzigingsplan ten opzichte van het moederplan aanvullende voorschriften te stellen. De opgenomen parkeereis heeft volgens het college niet tot gevolg dat het wijzigingsplan afwijkt van de in het moederplan gestelde kaders. De bestemming "Wonen" omvat onder meer erven, waarop parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

2.3.2. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, onder A, aanhef en sub 8, van de voorschriften van het moederplan kan het college, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het bestemmingsplan wijzigen voor nader op de plankaart aangeduide wijzigingsgebieden of delen daarvan, met inachtneming van de per wijzigingsgebied geformuleerde randvoorwaarden onder B.

Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, onder B, onder 1, van de voorschriften van het moederplan, gelden voor Wijzigingsgebied 1 (weilanden tussen Kerkweg en Korteraarseweg 83) de randvoorwaarden:

a) wijziging is mogelijk naar de bestemmingen "Wonen", "Tuin", "Water" en "Groen".

b) na wijziging zijn de desbetreffende bestemmingsbepalingen uit het moederplan van toepassing.

c) maximaal 11 grondgebonden woningen worden toegestaan, in de vorm van vrijstaande en/of twee-onder-een-kap woningen.

d) de maximale goot- en bouwhoogten voor woningen bedraagt niet meer dan 4 respectievelijk 10 meter.

e) de voorgevel van de woningen wordt ten minste 5 meter en niet meer dan 10 meter uit de Korteraarseweg gesitueerd.

f) het bouwperceel van elke woning wordt aan de niet geschakelde zijde(n) begrensd door een kavelsloot nagenoeg haaks op de ringsloot.

g) de breedte van een kavelsloot bedraagt ten minste 3 meter.

h) binnen een strook van 4 meter langs de Ringsloot wordt geen bebouwing opgericht.

i) de woningen worden georiënteerd op de Korteraarseweg.

2.3.3. Ingevolge artikel 2.9, tweede lid, onder 1, sub d, van de planregels van het wijzigingsplan mag ter plaatse van het wijzigingsgebied Korteraarseweg-Kerkweg alleen worden gebouwd als voldoende ruimte is gereserveerd om per woning 2 parkeerplaatsen te realiseren op eigen erf/tuin.

2.3.4. In artikel 3.5, onder B, van de planvoorschriften van het moederplan zijn voor het plangebied geen voorwaarden opgenomen ten aanzien van parkeren. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het moederplan zich niet verzet tegen het stellen van aanvullende voorschriften ten aanzien van parkeren in het voorliggende plan. Derhalve is er geen aanleiding om artikel 2.9, tweede lid, onder 1, sub d, van de planregels van het voorliggende plan te vernietigen. Het college kon deze voorschriften in redelijkheid nodig achten uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorgeschreven parkeerplaatsen niet binnen de woonbestemming kunnen worden gerealiseerd.

Bouwmogelijkheden

2.4. [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in te ruime bouwmogelijkheden waardoor de beoogde ruimtelijke kwaliteit in het gedrang komt. Zij wijzen erop dat in de plantoelichting van het moederplan is opgenomen dat de kwaliteit van het bebouwingslint van Korteraar is gelegen in de vele doorzichten. In de plantoelichting van het moederplan is specifiek voor onderhavig plangebied als ruimtelijke randvoorwaarde geformuleerd dat in de uitwerking zoveel als mogelijk getracht dient te worden de zichtlijnen in het stedenbouwkundige ontwerp tot uiting te laten komen. Volgens [appellant] en anderen zijn de bouwvlakken te ruim ingetekend en is ten onrechte de in het ontwerpplan gestelde maximum inhoud voor de woningen van 750 m³ losgelaten. Daarnaast voeren zij aan dat een woningbreedte van 15 meter niet aansluit bij de bestaande bebouwing. Tenslotte voeren zij aan dat de bouwmogelijkheden in strijd zijn met het moederplan nu de daarin opgenomen verplichte oriëntatie van de woningen op de Korteraarseweg niet in het plan is gewaarborgd.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de in het moederplan beoogde ruimtelijke kwaliteit niet in het gedrang komt. Het plan biedt volgens het college voor onderhavig plangebied een betere waarborging van de doorzichten op het achterliggende gebied dan het moederplan biedt voor andere locaties. Het college wijst er in dit verband op dat het plan voorziet in drie meter brede waterbestemmingen, in breedte beperkte bouwvlakken en in tuinbestemmingen aan de zijkanten daarvan. Het enkele feit dat een maximale inhoudsmaat voor de woningen ontbreekt, doet volgens het college geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit. Door de beperkte omvang van de bouwvlakken en de maximale goot- en bouwhoogten is volgens het college voldoende verzekerd dat de bebouwing vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar blijft. Het college stelt voorts dat binnen het moederplan voor het bebouwingslint aan de Korteraarseweg ook bebouwing mogelijk wordt gemaakt van ongeveer 15 meter breed. Ten slotte merkt het college op dat de toekomstige bebouwing wel degelijk op de Korteraarseweg wordt georiënteerd. De oriëntatie van de woningen wordt volgens het college bepaald door de ligging van het bij de woning behorende (achter)erfgebied waar bijgebouwen mogen worden opgericht. Nu dit erfgebied aan de achterzijde van de woningen is geprojecteerd, ligt de voorgevelrooilijn van de woningen aan de andere kant.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat overeenkomstig de voorwaarden uit het moederplan in het plan is vastgelegd dat de voorgevels van de woningen op ten minste 5 meter zijn gesitueerd van de Korteraarseweg en op niet meer dan 10 meter van de Korteraarseweg, dat tussen alle woningen waterbestemmingen liggen van ten minste 3 meter breed, en dat een strook van 4 meter langs de Ringsloot en een strook van minimaal 2 meter aan weerszijden van de kavelsloten als "Tuin" zijn bestemd.

Nu aldus aan deze voorwaarden uit het moederplan wordt voldaan en in het moederplan geen voorwaarden zijn opgenomen met betrekking tot een maximale inhoudsmaat van de woningen, zodat de in het ontwerpplan vermelde maximale inhoudsmaat van 750 m³ derhalve niet voortvloeit uit een dergelijke voorwaarde, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college de in het moederplan beoogde ruimtelijke kwaliteit niet in acht heeft genomen.

2.4.3. Ten aanzien van het betoog dat een bouwvlakbreedte van 15 meter niet aansluit bij de bestaande bebouwing overweegt de Afdeling dat blijkens de plankaart behorend bij het moederplan ook aan het bebouwingslint van de Korteraarseweg dat geen onderdeel uitmaakt van wijzigingsgebied 1, enkele bouwvlakken zijn toegekend die meer dan 10 meter breed zijn. Daarnaast is er één bouwvlak van meer dan 15 meter breed toegekend. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte bouwvlakken van 15 meter breed binnen het onderhavig plangebied zijn opgenomen.

2.4.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat het plan niet voldoet aan de voorwaarde dat de woningen op de Korteraarseweg worden georiënteerd overweegt de Afdeling als volgt. Aan de niet aan de Korteraarseweg grenzende zijde grenzen de percelen aan de ringsloot, welke sloot weer aansluit op een smalle hoger gelegen dijk. Aan die zijde van de percelen is het bij de woning behorende erfgebied waar bijgebouwen mogen worden opgericht gesitueerd. Gelet op deze situering volgt naar het oordeel van de Afdeling uit de verbeelding dat de woningen op de Korteraarseweg worden georiënteerd, zodat aan de voorwaarde daaromtrent uit het moederplan is voldaan.

Kavelsloten

2.5. [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte de aanleg van kavelsloten niet waarborgt waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het plan in het gedrang komt. Voorts betogen zij dat de kavelsloten ten onrechte niet doorlopen tot aan de weg, waardoor, nu de gronden wel uitgegeven worden tot aan de wegkant, zichtlijnen geblokkeerd kunnen worden door beplanting en/of hekwerken.

2.5.1. Het college stelt dat door middel van een overeenkomst is verzekerd dat de kavelsloten gegraven zullen worden. Uit deze overeenkomst volgt volgens het college dat de daadwerkelijke realisatie van het plangebied plaats dient te vinden overeenkomstig de in het plan opgenomen wijzigingsvoorwaarden, waarin staat dat de sloten gegraven moeten worden en hoe breed die sloten moeten zijn.

2.5.2. Zoals is weergegeven in 2.3.2. is in artikel 3.5, onder B, sub f en sub g, van de planvoorschriften van het moederplan voor onderhavig plangebied als voorwaarde opgenomen dat het bouwperceel van elke woning aan de niet geschakelde zijde(n) begrensd dient te worden door een kavelsloot van ten minste drie meter breed, nagenoeg haaks op de ringsloot.

2.5.3. Uit de verbeelding van het voorliggende plan volgt dat de bouwpercelen aan één zijde over de gehele lengte zijn begrensd met een drie meter brede strook, lopend van de oostelijke grens van het plangebied tot 0,5 meter van westelijke grens van het plangebied, waaraan de bestemming "Water" is toegekend. Deze bestemming laat geen andere invulling toe dan water, in dit geval een kavelsloot. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de exploitatieovereenkomst verplicht ertoe bij de realisatie van het nieuwbouwproject de in artikel artikel 3.5, onder B, sub f en sub g, van de planvoorschriften van het moederplan gestelde eisen ten aanzien van de aanleg van de kavelsloten in acht te nemen. Aldus ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de aanleg van de kavelsloten onvoldoende is gewaarborgd,

Dit betoog faalt.

Waterparagraaf

2.6. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet voorziet in voldoende watercompensatie. In dit verband voert hij aan dat bij de berekening van de watercompensatie is uitgegaan van een maximale inhoud van de woningen van 750 m³, en dat deze berekening onjuist is, nu deze maximale inhoudsmaat bij de vaststelling van het plan is losgelaten.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in voldoende watercompensatie. Het college wijst erop dat de kavelsloten een oppervlakte hebben van ruim 850 m². Uitgaande van de beleidsregel dat 15% van de toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd kan volgens het college ten gevolge van het plan de verharding met maximaal 5666 m² toenemen. Volgens het college vindt er binnen de woonbestemming bij volledige bebouwing van de bouwvlakken en de te bebouwen erven een toename aan verharding plaats van ongeveer 3600 m². Dit betekent volgens het college dat nog ruim 2000 m² over is voor overige verhardingen op de tuinbestemming. Gelet hierop wordt volgens het college in het plangebied voldoende watercompensatie gerealiseerd.

2.6.2. Ingevolge artikel 3.5., eerste lid, onder A, aanhef en sub 5, van de voorschriften van het moederplan kan, voor zover hier van belang, het college, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het bestemmingsplan wijzigen voor nader op de plankaart aangeduide wijzigingsgebieden of delen daarvan, mits onder meer tenminste 15% van de toename aan verhardingen wordt gecompenseerd.

2.6.3. In de toelichting bij het wijzigingsplan is bij de berekening van de watercompensatie uitgegaan van een verhardingsgraad van 50% per kavel. Bij het bepalen van dit percentage is uitgegaan van de maximale inhoud van de woningen (750 m³) en de bijgebouwenregeling uit het moederplan (maximaal 100 m²). Bij de vaststelling van het plan is de eis ten aanzien van het maximum volume (m³) van het hoofdgebouw komen te vervallen. Het college heeft zich echter met de in rechtsoverweging 2.6.1. weergegeven onderbouwing in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende watercompensatie. Uit de verbeelding volgt immers dat de 9 kavelsloten 3 meter breed en allemaal meer dan 30 meter lang zijn, zodat de hoeveelheid oppervlaktewater toeneemt met ruim 850 m². Gelet op de wijzigingsvoorwaarde uit het moederplan dat ten minste 15% van de toename van de verharding moet worden gecompenseerd, heeft het college terecht gesteld dat de verharding met 5666 m² (850 x 100 /15) mag toenemen.

Gelet op de afmetingen van de bouwvlakken op de verbeelding is bij volledige bebouwing van de bouwvlakken en de te bebouwen erven aannemelijk dat op deze vlakken een toename aan verharding plaatsvindt van ongeveer 3600 m². Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ongeveer 2000 m² die overblijft voor verhardingen, gelet op de afmetingen van de gronden waaraan een tuinbestemming is toegekend, voldoende is. Het betoog faalt.

Bodemonderzoek

2.7. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met het moederplan is vastgesteld nu het bodemonderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan is verouderd. Daarnaast is niet onderbouwd waarom het uitvoeren van een nieuw bodemonderzoek niet doelmatig is.

2.7.1. Het college stelt zich op basis van bodemonderzoek op het standpunt dat de bodemgesteldheid niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7.2. Ingevolge artikel 3.5., eerste lid, onder A, aanhef en sub 1, van de voorschriften van het moederplan kan, voor zover hier van belang, het college, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het bestemmingsplan wijzigen voor nader op de plankaart aangeduide wijzigingsgebieden of delen daarvan, mits onder meer bodemonderzoek heeft uitgewezen dat de desbetreffende gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

2.7.3. Blijkens de plantoelichting heeft het college zich gebaseerd op een verkennend bodemonderzoek door SGS Environmental Service, gedateerd 21 juli 2004. Tijdens de voorbereidingsperiode is nog een actualiserend bodemonderzoek van 7 juni 2011 uitgevoerd door ABO- Milieuconsult BV. Het actualiserend onderzoek onderschrijft de conclusie van het onderzoek van 2004, namelijk dat er milieuhygiënisch geen beperkingen zijn voor de voorgenomen ontwikkelingen. [appellant] en anderen hebben de juistheid van de bodemonderzoeken en de conclusies van de rapporten niet bestreden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat de onderzoeksresultaten niet langer actueel waren ten tijde van de vaststelling van het plan. Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het college er op basis van de hiervoor genoemde bodemonderzoeken niet in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat de bodemgesteldheid niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Alternatieve inrichting

2.8. [appellant] en anderen betogen dat de door hen voorgestelde alternatieve inrichting van het plan ten onrechte niet door het college bij de besluitvorming is betrokken.

2.8.1. Het college acht het door [appellant] en anderen voorgestelde alternatief niet wenselijk. Volgens het college levert de voorgestelde verkaveling, gelet op de vergaande versmalling van de bouwvlakken, een onredelijke beperking van de flexibiliteit voor de aanvragers op. Het college stelt dat ten gunste van [appellant] en anderen bij de vaststelling van het plan ten opzichte van het ontwerpplan al in een aanmerkelijke versmalling van de bouwvlakken is voorzien. Daarnaast stelt het college dat met de huidige verkaveling een ruime meerderheid van [appellant] en anderen een doorzicht naar het achtergelegen open landschap behoudt.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat het college bij de keuze voor de inrichting van het plangebied een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft het college beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Het college heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen het plan aangepast, en toegelicht waarom hij het door hen voorgestelde alternatief op grond van een belangenafweging niet wenselijk acht. De Afdeling ziet gelet daarop in hetgeen door [appellant] en anderen naar voren is gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het door [appellant] en anderen naar voren gebrachte alternatief voor het plan onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Flora en fauna

2.9. [appellant] en anderen betogen dat door het college onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied aanwezige flora en fauna. In dit verband voeren zij aan dat, gelet op de bouwmogelijkheden dichtbij de sloot, aannemelijk is dat de lichthinder vanwege het plan zal toenemen waardoor de vliegroutes van vleermuizen zullen worden aangetast. [appellant] en anderen wijzen erop dat een verleende ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is verlopen en dat geen nieuwe ontheffing is aangevraagd. Voorts betogen zij dat de habitat van de bittervoorn en de kleine modderkruiper kan worden aangetast doordat een deel van de oevers van de wetering ten noorden van het plangebied zal worden afgegraven ten behoeve van de aansluiting van de kavelsloten. Ter zitting hebben zij nog betoogd dat in het gebied een steenuil is aangetroffen. Ter onderbouwing van hun betoog hebben zij een second opinion van Laneco Landschaps & Ecologisch advies (4 mei 2012) (hierna: de second opinion) overgelegd.

2.9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het college baseert dit standpunt op onderzoek door adviesbureau De Groene Ruimte naar de mogelijke gevolgen van de voorziene woningbouw op de aanwezige flora en fauna, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Nieuwbouw 11 woningen Korteraarseweg- Korteraar- uitvoerbaarheid bestemmingsplan" (hierna: het eindrapport) van 5 augustus 2010, en een aanvullend memo van De Groene Ruimte, gedateerd 10 mei 2012, (hierna: het aanvullend memo), naar aanleiding van hetgeen in de second opinion naar voren is gebracht.

2.9.2. Ingevolge artikel 3.5., eerste lid, onder A, aanhef en sub 4, van de voorschriften van het moederplan kan, voor zover hier van belang, het college, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het bestemmingsplan wijzigen voor nader op de plankaart aangeduide wijzigingsgebieden of delen daarvan, mits onder meer natuuronderzoek is gedaan in verband met een ontheffing krachtens de Ffw.

2.9.3. De bezwaren van [appellant] en anderen over de aanwezigheid van vleermuizen betreffen de toepasselijkheid van de Ffw. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.9.4. In het eindrapport wordt geconcludeerd dat de bebouwing van de planlocatie geen cruciaal verlies aan foerageergebieden voor vleermuizen tot gevolg heeft. Daarnaast wordt geconcludeerd dat mogelijke negatieve effecten op een mogelijke aanvliegroute van vleermuizen kunnen worden voorkomen door maatregelen in de uitvoering.

In het aanvullend memo is uiteengezet dat de oever van de ringsloot waaraan de kavelsloten aansluiten is beschoeid met wilgentenen, en dat daarom niet waarschijnlijk is dat deze oever wordt gebruikt als leefgebied voor de kleine modderkruiper en de bittervoorn. Ook als dat wel het geval is, kan echter met eenvoudige voorzorgsmaatregelen worden bereikt dat het leefgebied behouden blijft.

Volgens het eindrapport en het aanvullend memo zijn in het plangebied geen nesten van de steenuil aanwezig.

2.9.5. De Afdeling overweegt dat in de second opinion vragen worden gesteld bij het eindrapport, maar dat de conclusies uit het eindrapport niet door eigen onderzoek of nieuwe feiten zijn weerlegd. In het aanvullende memo zijn de in de second opinion gestelde vragen beantwoord. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beantwoording ontoereikend of onjuist is. Uit de ter zitting getoonde foto's van een steenuil kan niet worden afgeleid dat deze in het plangebied aanwezig is. Hetgeen is aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de flora en fauna dusdanige leemten of gebreken bevat dat het college zich daar niet op had mogen baseren.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Economische uitvoerbaarheid

2.10. [appellant] en anderen betwisten de economische uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband voeren zij aan dat er ten onrechte geen enkel inzicht wordt geboden in de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Zij wijzen erop dat uit de plantoelichting van het moederplan volgt dat de financiële haalbaarheid van de in het moederplan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden dient te worden aangetoond in de vervolgprocedures die voortkomen uit de wijzigingsbepalingen van het moederplan.

2.10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan economisch uitvoerbaar is. Het college wijst erop dat de ontwikkeling van de in het plan voorziene nieuwbouwwoningen een volledige private ontwikkeling betreft waarbij de gemeente Nieuwkoop niet is betrokken. De gemeente Nieuwkoop loopt geen planschaderisico, aangezien per overeenkomst is vastgelegd dat het planschaderisico volledig voor rekening van de aanvragers van het wijzigingsplan komt. Nu de aanvragers van het plan de nieuwbouwwoningen niet zelf ontwikkelen, maar slechts de door hen aan te leggen bouwkavels zullen verkopen, is volgens het college voldoende aannemelijk dat het plan ook door de aanvragers binnen de planperiode wordt gerealiseerd. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat met betrekking tot de in het plan voorziene woningen inmiddels twee verkoopovereenkomsten zijn gesloten en twee opties zijn genomen.

2.10.2. Uit de exploitatieovereenkomst volgt dat [bedrijf A], Next Invest Private Equity B.V. en [bedrijf B] (hierna: de exploitanten) zich verplichten tot het zelfstandig voor eigen rekening en risico ontwikkelen en realiseren van daarin aangegeven bouwproject als voorzien in het plan. Daarnaast volgt uit de exploitatieovereenkomst dat de te betalen tegemoetkomingen in planschade die voortkomt uit het plan geheel voor rekening van de exploitanten komt. Uit de planschaderisoanalyse, die door Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV is uitgevoerd en op 20 april 2012 als nader stuk door het college bij de Afdeling is ingediend, komt naar voren dat de totaal te verwachten planschade € 106.100,00 bedraagt. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de exploitanten niet in staat zullen zijn een dergelijk bedrag aan de gemeente te vergoeden. Het nader ingediende stuk van [appellant] en anderen met betrekking tot de gewijzigde WOZ-waarde van het pand op het adres Korteraarseweg 94 (van 27 april 2012) leidt niet tot een ander oordeel. Voorts acht de Afdeling het niet concreet gemaakt dat binnen de planperiode de in het plan voorziene ontwikkelingen niet zullen worden gerealiseerd.

Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding om te oordelen dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan economisch niet uitvoerbaar is.

Conclusie

2.11. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

539-678.