Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201110046/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110046/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 augustus 2011 in zaak nr. 10/2116 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunnik.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 26 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 augustus 2011, verzonden op 8 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2012 waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.H.T.M. van Straaten, werkzaam bij de gemeente Bunnik, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.5.1, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht (hierna: Hvv), voor zover thans van belang, kan het college een in het register ingeschreven woningzoekende urgent verklaren, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

(…);

b. de woningzoekende beschikt(e) over zelfstandige woonruimte in de regio;

(…).

In het derde lid is onder B als urgentiegrond de Medische indicatie genoemd. Voor zover thans van belang is hierin vermeld dat ingezetenen van de regio, die in een om medische redenen (fysiek/psychisch) onhoudbare woonsituatie verkeren en om die reden een indicatie voor andere woonruimte hebben ontvangen, in aanmerking kunnen komen voor urgentie. Datzelfde geldt voor ingezetenen van de regio die te maken hebben met een als gevolg van de woonsituatie zeer progressief ziektebeeld.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van de Hvv naar hun oordeel leidt tot een bijzondere hardheid ten gunste van de aanvrager af te wijken van de verordening (hierna: de hardheidsclausule).

2.2. Aan de in bezwaar gehandhaafde weigering [appellant] de gevraagde urgentieverklaring te verlenen heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 2.5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv, nu hij niet beschikt over zelfstandige woonruimte in de regio. Omdat volgens het college voorts niet is gebleken dat [appellant] zich in een onhoudbare situatie bevindt, heeft het geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet voldoet aan de limitatieve voorwaarden gesteld in artikel 2.5.1, eerste lid, van de Hvv. Ten tijde van de aanvraag beschikte hij immers over een huurwoning te Austerlitz. Voorts bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de hardheidsclausule niet toe te passen. Hiertoe voert hij aan dat hij in een ernstige situatie verkeert. Hij heeft geen omgang meer met zijn kinderen omdat hij is genoodzaakt om op straat te leven. Ook heeft hij een persoonlijkheidsstoornis en is hij gebaat bij regelmatig medicijngebruik, hetgeen niet mogelijk is nu hij op straat leeft.

2.4. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet voldoet aan de in artikel 2.5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv gestelde voorwaarde. Uit de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 28 augustus 2009 (zaak nrs. 200905353/1/H3 en 200905353/2/H3), volgt dat artikel 2.5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv ertoe strekt dat iemand slechts in aanmerking kan komen voor een verklaring wegens een medische indicatie, indien hij op het moment van het besluit op de aanvraag en op het daartegen gemaakte bezwaar over zelfstandige woonruimte beschikte en de medische urgentie door de ongeschiktheid van die woonruimte is veroorzaakt. Onder verwijzing naar gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aan de voorwaarde als gesteld in artikel 2.5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv voldoet, nu hij tot 22 januari 2009 op het adres in Austerlitz stond ingeschreven, waarna hij tot 12 januari 2010 op het adres van de woning van zijn ouders ingeschreven heeft gestaan.

Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Deze bevoegdheid pleegt het college slechts toe te passen in zeer incidentele noodgevallen, waaronder een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat van medische klachten die tot een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie leiden, niet is gebleken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

317-591.