Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201204470/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Groot Zonnehoeve" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204470/1/R2.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Apeldoorn,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Groot Zonnehoeve" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door N. Jansen en drs. M.J. van Dooren, beiden werkzaam bij de gemeente, als partij is gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in nieuwe woningen in het gebied tussen de Zutphensestraat, de Laan van Erica, de spoorlijn Apeldoorn-Zutphen en de Barnewinkel.

2.2.    [appellant A] en [appellante B] wonen aan de [locatie] en betogen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren hiertoe aan dat de plandelen voor de aangrenzende gronden te hoge bebouwing op een te korte afstand van hun woning mogelijk maken en dat hun privacy, rust en bezonning zal worden beperkt. Voorts betogen zij dat een twee-onder-één kapwoning niet in de lintbebouwing aan de Barnewinkel past. Daarnaast is met de voorziene verkeersbestemming onvoldoende gegarandeerd dat de strook grond ten zuiden van hun woning niet als speel- of parkeerplaats zal worden ingericht. De tevens aan die zijde voorziene weg zal mogelijk leiden tot overlast omdat de beoogde verkeersmaatregelen niet in het plan zijn vastgelegd. Met het slechtste scenario wat betreft verkeer is bij de voorbereiding van het plan volgens hen dan ook onvoldoende rekening gehouden.

2.3.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefomgeving van [appellant A] en [appellante B]. Volgens de raad zal de woning ten noorden van [locatie] op een afstand van minimaal 10 meter van die woning worden gerealiseerd en moet ten westen een afstand van 4 meter tot aan de zijdelingse perceelsgrens worden aangehouden. Omdat de bebouwing ten zuiden van hun woning op een afstand van ongeveer 24 meter zal worden gerealiseerd, zal de bezonning op het perceel van [appellant A] en [appellante B] slechts in beperkte mate verminderen. De twee-onder-één kapwoning zal zo worden uitgevoerd dat in overeenstemming met de lintbebouwing één woning op de Barnewinkel en één op de Boommarter is georiënteerd. De raad stelt voorts dat de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)" is voorzien voor de strook ten zuiden van hun woning omdat die bestemming gebruik als groenvoorziening en eventueel als tuin mogelijk maakt. De verkeerssituatie zal voor [appellant A] en [appellante B] bijna niet veranderen omdat de bestaande afsluiting van de Barnewinkel zal worden gehandhaafd, De Groene Voorwaarts ook zal worden afgesloten en het verkeer uit de wijk zal worden afgewikkeld via de Laan van Zonnehoeve, aldus de raad.

2.4.    Het plandeel dat ziet op de gronden ten noorden van [locatie] heeft de bestemming "Wonen (W)" met een bouwvlak met de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - zijdelingse perceelsgrens (sba-zp)", "twee-aaneen (tae)" en "maximale goot- en bouwhoogte (10-10)".

Het plandeel dat ziet op de gronden ten westen van [locatie] heeft de bestemming "Wonen (W)" met een bouwvlak met de aanduidingen "vrijstaand (vrij)" en "maximale goot- en bouwhoogte (10-10)".

    Ingevolge artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.1, aanhef en onder c en d, van de regels, voor zover hier van belang, zijn als woningtypen toegestaan ter plaatse van de aanduiding "twee-aaneen": twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen, en ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand": vrijstaande woningen.

    Op basis van het bebouwingsschema in artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.3 van de regels, zijn bij woningen ter plaatse van de aanduidingen "vrijstaand" en "twee-aaneen" bijgebouwen en aan- of uitbouwen toegestaan met een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 5 meter. De afstand tussen dergelijke bouwwerken en de zijdelingse perceelsgrens moet ten minste 1 meter bedragen.

2.4.1.    In de huidige situatie wordt het perceel van [appellant A] en [appellante B] omsloten door agrarische gronden. Gezien de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden kan dan ook niet worden ontkend dat het plan zal leiden tot een gewijzigde situatie ten aanzien van hun privacy, rust en bezonning. De Afdeling is echter van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van het woongenot van [appellant A] en [appellante B] niet onaanvaardbaar is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat is komen vast te staan dat de voorziene bebouwingsregeling voor hoofd- en bijgebouwen de vaste wijze van bestemmen is in de gemeente en dat speciaal voor de specifieke situatie van [appellant A] en [appellante B] extra regels zijn opgenomen voor het aanhouden van bebouwingsvrije stroken langs de perceelsgrenzen. Voorts zal de bebouwing ten zuiden van hun woning op een afstand van minimaal 24 meter worden gerealiseerd en zijn ten westen van hun woning tuinen voorzien zodat er in de zomer ook 's avonds nog zonlichtinval zal kunnen zijn.

Het betoog faalt derhalve.

2.4.2.    Voorts ziet de Afdeling niet in waarom de voorziene bebouwing langs de Barnewinkel een breuk van de bestaande lintbebouwing zou betekenen. Het tot het tegendeel strekkende betoog van [appellant A] en [appellante B] faalt.

2.5.    Het plandeel dat ziet op de gronden ten zuiden van [locatie] heeft de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)".

    Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a en f van de regels, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsgebied en tuin.

2.5.1.    In het ontwerpplan was voor deze gronden een woonbestemming voorzien. De raad heeft hierover toegelicht dat er nog geen overeenstemming was over de verkoop van de gronden aan [appellant A] en [appellante B]. Hierdoor was de uitvoerbaarheid van de woonbestemming onzeker en heeft de raad voor de desbetreffende gronden de bovenvermelde verkeersbestemming opgenomen. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld niet voornemens te zijn ter plaatse parkeerplaatsen te realiseren ter vervanging van de groenstrook. Mede gezien het feit dat de raad ter zitting heeft aangegeven nog steeds te streven naar overeenstemming over de verkoop van de gronden en het feit dat de gegeven bestemming ook gebruik als tuin toelaat, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant A] en [appellante B] door de voorziene verkeersbestemming niet onevenredig in hun belangen worden geraakt.

2.6.    Wat betreft de afwikkeling van het verkeer heeft de raad ter zitting nader toegelicht wat de verwachte verkeersstromen zullen zijn. Hierbij heeft de raad bevestigd dat de bestaande afsluiting van de Barnewinkel in stand wordt gehouden en dat De Groene Voorwaarts ook zal worden afgesloten. Het verkeer uit de wijk zelf en uit de aangrenzende wijken zal dus enkel via de Laan van Zonnehoeve kunnen worden afgewikkeld. Dit brengt met zich dat er slechts in zeer beperkte mate verkeer langs de woning van [appellant A] en [appellante B] zal komen. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellant A] en [appellante B] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze uitgangspunten had mogen baseren en bij de voorbereiding van het besluit de gevolgen van alle mogelijke inrichtingen had moeten bezien.

2.7.    In hetgeen [appellant A] en [appellante B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

    In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

545.