Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201111884/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111884/1/A2.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Veenendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2011 in zaak nr. 11/2480 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam, thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2011 heeft hij het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 december 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 24 en 25 januari 2012 daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van deze wet vallen.

    Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren, indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar zijn oordeel eenvoudig afgehandeld kan worden.

    Ingevolge artikel 36, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het gerecht in feitelijke aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, wordt een vervolging niet voortgezet, op het verzoek van de verdachte, verklaren dat de zaak geëindigd is.

    Ingevolge het tweede lid is het gerecht bevoegd de beslissing op het verzoek telkens gedurende een bepaalde tijd aan te houden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt dat alsnog verdere vervolging zal plaatsvinden.

    Ingevolge het derde lid roept het gerecht, alvorens het zijn beslissing neemt, de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is op om over het verzoek van de verdachte te worden gehoord.

    Ingevolge artikel 36d, voor zover thans van belang, kan een verzoek, bedoeld in artikel 36, eerste lid, ook door de raadsman van de verdachte worden gedaan.

    Ingevolge artikel 255, eerste lid, kan de verdachte na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.

2.2.    [appellant] heeft een toevoeging aangevraagd om krachtens artikel 36, eerste lid, Sv een verzoek tot beëindiging van een vervolging van hem te doen.

    De raad heeft aan het besluit van 2 mei 2011 ten grondslag gelegd dat die zaak een rechtsbelang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijs aan [appellant] zelf kan worden overgelaten. Een verzoek krachtens artikel 36, eerste lid, Sv kan door de verdachte zelf worden ingediend, zonder tussenkomst van een advocaat, desgewenst na informatie en advies van een instantie als het Juridisch Loket. Een toevoeging voor zo’n verzoek kan soms worden verleend, als dat verzoek juridisch of feitelijk complex is, maar dat is het verzoek van [appellant] niet, aldus dat besluit.

2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn verzoek juridisch en feitelijk complex is. De zaak is juridisch complex, omdat, zowel de rechtbank die, als het hof dat, de strafzaak behandelen, hebben geoordeeld dat onvoldoende ernstige bezwaren tegen hem bestaan en de voorlopige hechtenis daarom hebben opgeheven, het openbaar ministerie in reactie op zijn verzoek een review van de strafzaak heeft aangevraagd, uitsluitend een advocaat verschoningsrecht heeft en daardoor geheimhouding van de inhoud van de strafzaak en zijn standpunten uitsluitend in het geval van bijstand van een advocaat is gegarandeerd, het verzoek nader juridisch is onderbouwd, het reeds tweemaal ter zitting is behandeld en hij niet ter zitting kon verschijnen, omdat belanghebbenden daar aanwezig waren die hem ten onrechte als dader zouden kunnen beschouwen. De zaak is feitelijk complex, omdat hij verdacht wordt van het plegen van onderscheiden strafbare feiten, er een aantal verdachten is, hij ontkent schuldig te zijn en het dossier ongeveer 18 ordners omvat. De rechtbank heeft dit alles ongemotiveerd gepasseerd. Verder kan het openbaar ministerie na een verklaring dat de strafzaak is geëindigd alsnog tot vervolging overgaan, als nieuwe bezwaren bekend worden, wat de zaak zodanig complex maakt, dat ook om die reden bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

2.3.1.    Het oordeel of de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat eenvoudig afgehandeld kan worden is aan de raad. De rechter dient te onderzoeken of de raad in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

    Het betoog dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten betoge dat zijn verzoek een juridisch en feitelijk complexe zaak is, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat niet is in te zien dat [appellant] zijn verzoek dat de strafzaak tegen hem geëindigd is niet in redelijkheid zelf kan doen, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van de Wrb vallen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verzoek in dit geval niet zo juridisch en feitelijk complex is, dat daarvoor bijstand van een advocaat nodig is. Dat het dossier van de strafzaak, naar gesteld, omvangrijk is en de strafzaak feitelijk complex, betekent op zichzelf niet dat het verzoek krachtens artikel 36, eerste lid, Sv dat ook is. Dit volgt evenmin uit de gestelde omstandigheid dat [appellant] van verschillende strafbare feiten wordt verdacht, er een aantal verdachten is en hij ontkent schuldig te zijn. Evenmin geven de punten die [appellant] verder heeft aangedragen grond voor de conclusie dat de rechtbank heeft miskend dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn verzoek om beëindiging van de zaak zo complex is, dat daarvoor bijstand van een advocaat nodig is. Dat, naar gesteld, zowel de rechtbank die, als het hof dat de strafzaak behandelen, hebben geoordeeld dat onvoldoende ernstige bezwaren tegen hem bestaan, het openbaar ministerie een review heeft aangevraagd en een advocaat zich op zijn beroepsgeheim kan en mag beroepen, betreft de zaak zelve en niet het verzoek tot beëindiging ervan. Uit artikel 36, derde lid, Sv volgt verder dat een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, ter zitting kan worden behandeld. Dat voorts het openbaar ministerie, als gesteld, na een verklaring dat de zaak is geëindigd, alsnog tot vervolging kan besluiten, als nieuwe bezwaren bekend worden, volgt uit artikel 255, eerste lid, Sv en maakt het verzoek niet anders dan andere zodanige verzoeken.

    Het betoog faalt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

622.