Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201108989/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BESLUIT. Schriftelijke beslissing op melding is besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2012/108 met annotatie van C.W.M. van Alphen
JOM 2012/772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108989/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 juni 2011 in zaak nr. 10/3344 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij brief van 22 maart 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschappen Rengocar Trading B.V., [bouwbedrijf] en Zwembadenbouw B.V. toestemming verleend voor de aanleg van uitwegen naar de Kerkdijk-zuid.

Bij besluit van 17 augustus 2010, verzonden op 26 augustus 2010, heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2011, verzonden op 11 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Zwembadenbouw B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.F.M. van Gurp-Steenbakkers, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting Zwembadenbouw B.V., vertegenwoordigd door J. van der Heijden, bijgestaan door mr. Y.J.K. Meulemans, advocaat te Eindhoven, als belanghebbende gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

    Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2009 (hierna: de APV 2009) is het verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

    Ingevolge het vierde lid laat het college binnen vier weken na ontvangst van de melding weten of zij aan de gewenste uitweg voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in zijn geheel niet kan worden gerealiseerd.

    Ingevolge het zevende lid stelt het college de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of weigering van de aanleg als bedoeld in het zesde lid.

    Op 13 mei 2010 is de Algemene Plaatselijke Verordening 2010 (hierna: de APV 2010) in werking getreden.

    Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, is het verboden een uitweg te maken naar de weg, van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg, verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, zonder vergunning van het college.

    Ingevolge het tweede lid is een vergunning als bedoeld in het eerste lid niet nodig indien de aanvrager:

a. dit tijdig, doch uiterlijk tien werkdagen van te voren schriftelijk meldt aan het college, en

b. voldoet aan door het college vast te stellen regels.

    Ingevolge artikel 6.4, tweede lid, voor zover thans van belang, wordt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening de APV 2009 van de gemeente Sint-Oedenrode ingetrokken.

    Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, blijven vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, van kracht tot de termijn waarvoor ze werden verleend, is verstreken of totdat ze worden ingetrokken, indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

    Ingevolge het vijfde lid wordt op een aanhangig beroep of bezwaarschrift betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.

2.2.    Rengocar Trading B.V., [bouwbedrijf] en Zwembadenbouw B.V. hebben op 8 januari 2010 vergunning aangevraagd voor het aanleggen van uitwegen van hun op het industrieterrein Nijnsel te Sint-Oedenrode gevestigde bedrijfspanden naar de Kerkdijk-zuid. Bij de brief van 22 maart 2010 heeft het college die aanvragen aangemerkt als meldingen als bedoeld in artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de APV 2009 en toestemming verleend voor het aanleggen van die uitwegen.

    Het college heeft het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar bij het besluit van 17 augustus 2010, onder overneming van het advies van de commissie bezwaarschriften van 11 augustus 2010, niet-ontvankelijk verklaard, omdat de in de brief van 22 maart 2010 gegeven toestemming niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens het college behelst de in artikel 2.1.5.3 van de APV 2009 vervatte regeling voor het aanleggen van een uitweg geen systeem waarbij het college positief op een melding moet beslissen, maar is het mogen aanleggen van een uitweg alleen verbonden aan het doen van een melding. Het rechtsgevolg van de melding vloeit derhalve uit de APV 2009 zelf voort, aldus het college.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat in artikel 2.1.5.3 van de APV 2009 aan het college de bevoegdheid wordt toegekend om al dan niet de aanleg van een gemelde uitweg te weigeren, alsmede aan de aanleg al dan niet voorschriften te verbinden. Deze bevoegdheid om te beslissen vindt haar grondslag in een publiekrechtelijk voorschrift. Dat het college in dit geval heeft besloten de aanleg van de uitwegen niet te weigeren of daaraan voorschriften te verbinden, maakt niet dat de brief van 22 maart 2010 rechtsgevolg ontbeert. Het gevolg van de in die brief neergelegde beslissing is dat de uitwegen mogen worden aangelegd. Het college heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat die brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aldus de rechtbank. Zij heeft het besluit van 17 augustus 2010 daarom vernietigd.

    De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit evenwel in stand gelaten, omdat in de APV 2010 niet is voorzien in overgangsrecht met betrekking tot de figuur van de geaccepteerde melding als bedoeld in artikel 2.1.5.3 van de APV 2009, en de APV 2010 zelf evenmin de figuur van een melding kent. Nu deze figuur onder de APV 2010 derhalve geen betekenis meer heeft, kan [appellant] met zijn bezwaar niet meer bereiken wat hij beoogt, te weten het alsnog weigeren van die melding. Hij heeft derhalve geen belang meer bij de beoordeling van het bezwaar, zodat het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk is, aldus de rechtbank.

2.4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 17 augustus 2010 in stand heeft gelaten. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat de APV 2010, waarbij het meldingensysteem is vervangen door een vergunningensysteem, reeds vóór het nemen van het besluit van 17 augustus 2010 in werking is getreden. Nu het in artikel 6.5 van de APV 2010 neergelegde overgangsrecht niet van toepassing is, had het college bij dat besluit de bij de brief van 22 maart 2010 gegeven toestemming dienen aan te merken als een vergunning en het bezwaar van [appellant] daartegen inhoudelijk dienen te behandelen. Hij heeft bij die behandeling nog steeds belang, omdat dit kan leiden tot het alsnog weigeren van de aangevraagde vergunningen, aldus [appellant].

2.4.1.    De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank de brief van 22 maart 2010 terecht en op goede gronden heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

2.4.2.    Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt.

    Artikel 2.1.5.3 van de APV 2010 is op 13 mei 2010 in werking getreden, derhalve vóór het besluit op het bezwaar van [appellant] was genomen. Anders dan [appellant] betoogt, is de Afdeling evenwel van oordeel dat ten tijde van het nemen van dat besluit niet de APV 2010 van toepassing was, gelet op het daarin neergelegde overgangsrecht.

    Zoals hiervoor overwogen, is het gevolg van de in het besluit van 22 maart 2010 gegeven toestemming dat de uitwegen mogen worden aangelegd. Deze toestemming heeft hiermee hetzelfde karakter als een vergunning of ontheffing. Gelet op de zinsnede "hoe ook genaamd" in artikel 6.5, eerste lid, van de APV 2010, dient deze toestemming dan ook te worden aangemerkt als een vergunning of ontheffing als bedoeld in die bepaling. Ingevolge artikel 6.5, vijfde lid, gelezen in verbinding met artikel 6.4, tweede lid, van de APV 2010 diende op het daartegen gemaakte bezwaar te worden beslist met toepassing van de APV 2009. Reeds hierom kon het door [appellant] met zijn bezwaar beoogde doel nog steeds worden bereikt. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat [appellant] ten tijde van haar uitspraak geen belang meer had bij een behandeling van zijn bezwaar. In zoverre slaagt het betoog.

2.4.3.    Gelet op het voorgaande dient het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 maart 2010 alsnog inhoudelijk te behandelen. In dat verband is van belang dat op 1 december 2011 de Algemene Plaatselijke Verordening 2011 (hierna: de APV 2011) in werking is getreden. In de APV 2011 is in artikel 6.5, eerste lid, gelezen in verbinding met het vijfde lid, in overgangsrecht voorzien wat betreft vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - die zijn verleend krachtens de APV 2010. Een bezwaarschrift tegen een dergelijk besluit dient volgens die bepaling te worden behandeld met toepassing van de APV 2010. Het overgangsrecht voorziet niet in een situatie als hier aan de orde, te weten een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een besluit verleend krachtens de APV 2009. Naar het oordeel van de Afdeling brengt redelijke toepassing van dat overgangsrecht evenwel met zich dat op een dergelijk bezwaar wordt beslist met toepassing van de APV 2009.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 augustus 2010 in stand zijn gelaten.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 juni 2011 in zaak nr. 10/3344, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode van 17 augustus 2010, kenmerk 10/2548 en 10/5124, in stand zijn gelaten;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Biharie

voorzitter            ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

611.