Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1819

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201108643/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen van het verbod om ligplaats in te nemen in een insteekhaven aan de rivier de Linge.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108643/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kedichem, gemeente Leerdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2011 in zaak nr. 11/387 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen van het verbod om ligplaats in te nemen in een insteekhaven aan de rivier de Linge.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het college nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M.Y.M. Roetman, J.E. Ezendam en R.H.J. van Eimeren, allen werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, gelezen in verbinding met artikel 5, eerste lid, eerste volzin, voor zover thans van belang, worden beslissingen met betrekking tot het aanbrengen of verwijderen van een verkeersteken ten aanzien van een scheepvaartweg in beheer bij een waterschap genomen door het dagelijks bestuur van het waterschap.

    Ingevolge artikel 7, eerste lid, eerste volzin, kan van een gebod of verbod, aangegeven met een verkeersteken, door het bevoegd gezag, zo nodig onder beperkingen, vrijstelling of ontheffing worden verleend.

    Ingevolge artikel 8 zijn de artikelen 5 tot en met 7 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken.

    Bij besluit van 28 september 2000 heeft de Lingestoel van het Waterschap van de Linge, rechtsvoorganger van het college, een verkeersbesluit genomen, betreffende een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken. Bij dat besluit is het, voor zover thans van belang, verboden op de vaarwegen binnen het beheersgebied van het Waterschap van de Linge ligplaats te nemen, te ankeren en/of te meren met een schip, een drijvend voorwerp en/of een drijvende inrichting.

    Bij besluit van 28 september 2000 heeft de Lingestoel beleidsregels vastgesteld met betrekking tot het verlenen van ontheffing voor het nemen of hebben van ligplaats in de Linge (hierna: het ligplaatsenbeleid 2000).

    Volgens artikel I, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt geen ontheffing verleend van het verbod ligplaats te nemen indien het betreft ligplaatsen voor niet-handmatig voortbewogen vaartuigen in het bevaarbare gedeelte van de Lingeboezem, tenzij sprake is van het nemen en/of hebben van eenzelfde ligplaats waarvoor de Lingestoel geen ontheffing heeft verleend, maar welke ligplaats in gebruik is sinds 1985 en als zodanig voorkomt in de inventarisatie van ligplaatsen van het Waterschap van de Linge, dan wel anderszins aantoonbaar is dat degene die ligplaats neemt sinds 1985 dezelfde ligplaats als zodanig heeft gebruikt gedurende minimaal veertien dagen per kalenderjaar.

    Bij besluit van 21 september 2006, in werking getreden op 17 november 2006, heeft het college het Ontheffingenbeleid ligplaatsverbod Linge 2006 (algemene regels innemen ligplaats Lingeboezem) vastgesteld (hierna: het ligplaatsenbeleid 2006).

    Volgens hoofdstuk 2, onder 1, wordt van het ligplaatsverbod geen ontheffing verleend als de ligplaats wordt ingenomen buiten de bij dit beleid vastgestelde ligplaatszones.

    Volgens hoofdstuk 2, onder 2, blijft voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt binnen één van de genoemde ligplaatszones het ligplaatsverbod buiten toepassing, indien wordt voldaan aan zowel de algemene bepalingen als aan de bij de betreffende ligplaatszone genoemde algemene regels. Indien aan deze algemene bepalingen en algemene regels wordt voldaan, kan een ligplaats worden ingenomen zonder ontheffing.

    Volgens hoofdstuk 6, voor zover thans van belang, wordt een ligplaatsontheffing die voor inwerkingtreding van dit ontheffingenbeleid op grond van de voorheen geldende bepalingen is verleend, geacht te zijn verleend ingevolge dit ontheffingenbeleid. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het nieuwe beleid, zal de bestaande ontheffing blijven gelden voor de eigenaar van het perceel.

2.2.    Het college heeft geweigerd [appellant] ontheffing te verlenen, omdat dat in strijd zou zijn met het bepaalde in het ligplaatsenbeleid 2006 dat alleen ligplaats mag worden ingenomen in de daartoe aangewezen ligplaatszones. Volgens het college doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die ertoe nopen in afwijking van dat beleid toch ontheffing te verlenen.

2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij op grond van het beleid niet in aanmerking komt voor een ontheffing. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom zij uitgaat van de juistheid van de stelling van het college dat zijn vaartuigen bij de in het verleden gehouden periodieke inventarisaties niet zijn aangetroffen, terwijl zij eerder heeft overwogen dat zij uitgaat van de juistheid van zijn stelling dat hij sinds 1979 ligplaats heeft ingenomen. Bovendien is de rechtbank er volgens [appellant] ten onrechte aan voorbijgegaan dat de inventarisaties op zichzelf geen grond voor weigering van een ontheffing kunnen zijn, gezien de frequentie en kwaliteit van de uitvoering daarvan en de bewoordingen van artikel I, aanhef en onder c, van het ligplaatsenbeleid 2000.

2.3.1.    Voor zover [appellant] hiermee beoogt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zijn aanvraag om een ontheffing had moeten worden getoetst aan het ligplaatsenbeleid 2000 en hij op grond van dat beleid in aanmerking komt voor een ontheffing, faalt dit betoog, reeds omdat ten tijde van de besluitvorming het ligplaatsenbeleid 2006 gold.

2.3.2.    Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat de door [appellant] gewenste ligplaats niet binnen de bij het ligplaatsenbeleid 2006 in de insteekhaven aangewezen ligplaatszone ligt. Volgens hoofdstuk 2, onder 1, van dat beleid wordt in dat geval geen ontheffing verleend van het ligplaatsverbod. De rechtbank heeft derhalve in dit verband terecht niet van belang geacht dat onweersproken is dat [appellant] sinds 1979 gedurende verscheidene perioden en op verschillende plaatsen in en buiten de insteekhaven ligplaats heeft ingenomen. Nu daarnaast aan [appellant] in het verleden geen ontheffing is verleend om ligplaats in te nemen, kan hij aan het in hoofdstuk 6 van dat beleid neergelegde overgangsrecht evenmin rechten ontlenen.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de weigering van het college ontheffing te verlenen in overeenstemming is met het ligplaatsenbeleid 2006. Het betoog faalt.

2.3.3.    Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het ligplaatsenbeleid 2006 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college geen goede inventarisatie van de aanwezige vaartuigen heeft uitgevoerd en als gevolg daarvan ten onrechte de door hem gewenste ligplaats niet heeft aangewezen als ligplaatszone, wordt als volgt overwogen.

    Het ligplaatsenbeleid 2006 is een voortzetting van het bij het ligplaatsenbeleid 2000 gevoerde "stand still" beleid, inhoudende dat het ingenomen ruimtebeslag op het water niet mag toenemen. Het ligplaatsenbeleid 2000 kende in dat verband kort gezegd de mogelijkheid ontheffing te verlenen van het bij het verkeersbesluit van 28 september 2000 ingestelde ligplaatsverbod, indien een ligplaats sinds 1985 in gebruik was. De bij het ligplaatsenbeleid 2006 aangewezen ligplaatszones zijn bepaald aan de hand van de op basis van het ligplaatsenbeleid 2000 gevraagde en verleende ontheffingen, alsmede jaarlijkse inventarisaties uit 2000 tot en met 2004.

    Het verkeersbesluit van 28 september 2000 en het daarop gebaseerde ligplaatsenbeleid 2000 zijn op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. [appellant] wist derhalve, althans behoorde te weten, dat hij een ontheffing nodig had om de door hem gewenste ligplaats in te nemen. Hij heeft destijds echter nagelaten om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Daarmee heeft hij zelf de in het ligplaatsenbeleid 2000 geboden mogelijkheid, om aan te tonen dat hij die ligplaats sinds 1985 minimaal veertien dagen per kalenderjaar heeft ingenomen, ongebruikt voorbij laten gaan. Gelet hierop, en nu de door [appellant] gewenste ligplaats niet voorkomt in de door het college uitgevoerde inventarisaties, heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor het college geen aanleiding bestond om bij het vaststellen van de ligplaatszones bij het ligplaatsenbeleid 2006 nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van het vaartuig van [appellant] in de door hem gewenste ligplaats. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het ligplaatsenbeleid 2006 voor een ieder ter inzage heeft gelegen en de mogelijkheid bestond daarover zienswijzen in te dienen.

    Dit betoog faalt derhalve evenzeer.

2.4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van het ligplaatsenbeleid 2006 tot verlening van een ontheffing had moeten overgaan. Volgens hem bestond daartoe aanleiding, nu het college bijna dertig jaar heeft gedoogd dat hij ligplaats innam en het in vergelijkbare gevallen wel ontheffingen heeft verleend. In dat verband heeft de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd waarom het veelvuldig ingenomen hebben van verscheidene ligplaatsen in de periode 1985-2006 niet kan leiden tot opgebouwde oude rechten, aldus [appellant].

2.4.1.    Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft het college niet weersproken dat [appellant] met verschillende vaartuigen sinds 1979 ligplaats heeft ingenomen in en buiten de thans gewenste ligplaats in de insteekhaven. Anders dan [appellant] stelt, vloeit hieruit evenwel niet voort dat het college al die tijd heeft gedoogd dat hij ligplaats innam in de thans door hem gewenste ligplaats en hij daarom recht heeft op die ligplaats. De enkele omstandigheid dat het college niet eerder handhavend heeft opgetreden brengt dat niet mee, nog daargelaten dat het college stelt niet eerder dan in 2006 op de hoogte te zijn geweest van de illegale situatie.

De rechtbank heeft hierin derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid had moeten afwijken van het ligplaatsenbeleid 2006.

    Het betoog faalt.

2.4.2.    Voor zover [appellant] betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, faalt dat betoog eveneens, reeds omdat hij geen concrete gevallen heeft genoemd ter staving daarvan.

2.5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het op 25 augustus 2011 ter inzage gelegde ontwerpbesluit Ligplaatsen Linge 2011. In de toelichting op dat besluit is vermeld dat het verkeersbesluit van 28 september 2000 en het daarop gebaseerde ligplaatsenbeleid 2006 moeten worden herzien, omdat dat beleid het verlenen van ontheffingen onmogelijk maakt, terwijl daaraan wel behoefte bestaat.

2.5.1.    Dit betoog faalt evenzeer, reeds omdat bij de bestuursrechter de rechtmatigheid van een besluit op bezwaar dient te worden beoordeeld naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. De rechtbank heeft voornoemd ontwerpbesluit derhalve terecht niet betrokken bij de beoordeling van het besluit van 16 december 2010, nog daargelaten dat het ontwerpbesluit eerst na de uitspraak van de rechtbank ter inzage is gelegd en zij daarvan derhalve geen kennis heeft kunnen nemen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Biharie

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

611.