Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201108525/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 gelast [motordekschuit], gelegen aan de Kromme Waal ter hoogte van nummer 14, binnen zes weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het dagelijks bestuur, voor zover daarmee ligplaats wordt ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108525/1/A3.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2011 in zaak nr. 10/5672 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 gelast [motordekschuit], gelegen aan de Kromme Waal ter hoogte van nummer 14, binnen zes weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het dagelijks bestuur, voor zover daarmee ligplaats wordt ingenomen.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, de omschrijving van de last aangevuld met het woord "ontheffingplichtig" voor het woord "ligplaats", en de begunstigingstermijn op drie maanden gesteld.

Bij besluit van 25 januari 2011 heeft het dagelijks bestuur de begunstigingstermijn verlengd tot 1 april 2011.

Bij uitspraak van 23 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.C. Klompé, advocaat te Loosdrecht, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, werkzaam in dienst van het stadsdeel, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet kan het gemeentebestuur een last onder bestuursdwang opleggen.

    Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang door het college uitgeoefend, indien de last tot handhaving dient van regels die het gemeentebestuur uitvoert.

    Ingevolge artikel 2.2.1 van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: de Vob), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt in dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

[…];

b. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zee- of binnenschip, hoofdzakelijk gebruikt als of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

[…];

e. object: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;

[…].

    Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen.

    Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is het eerste lid niet van toepassing voor de aan- en afvoer van materialen over water, op afmeerplaatsen die het college daartoe heeft aangewezen.

    Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

    Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan het college van het eerste lid ontheffing verlenen.

    Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

2.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat de [motordekschuit] sinds 2000 in het beheersgebied van het dagelijks bestuur ligt. Het dagelijks bestuur heeft [appellant] de last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vob, aangezien de [motordekschuit] die ligplaats zonder ontheffing heeft ingenomen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vraag of [motordekschuit] dient te worden gekwalificeerd als bedrijfsvaartuig of als object in het midden kan worden gelaten. Volgens hem is een antwoord op deze vraag van belang voor de beoordeling van de juistheid van de motivering van de last onder dwangsom alsmede voor de omschrijving van de last en de vaststelling van de begunstigingstermijn.

    [appellant] stelt zich op het standpunt dat het dagelijks bestuur [motordekschuit] ten onrechte heeft aangemerkt als object in plaats van als bedrijfsvaartuig, aangezien deze is bestemd en uitsluitend wordt gebruikt voor de uitoefening van zijn sleep- en duwvaartonderneming. De last onder dwangsom is derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag gebaseerd, aldus [appellant].

    Daarnaast is de last volgens hem onvoldoende duidelijk omschreven, omdat niet-ontheffingsplichtige ligplaatsen voor objecten niet bestaan en [motordekschuit] derhalve feitelijk nimmer ligplaats mag innemen in het beheersgebied van het dagelijks bestuur. Ook gelet hierop is van belang [motordekschuit] als bedrijfsvaartuig aan te merken, aangezien bedrijfsvaartuigen, anders dan objecten, zonder vergunning korte tijd mogen afmeren op voor bedrijfsvaartuigen bestemde ligplaatsen ten behoeve van het verrichten van tijdelijke werkzaamheden, aldus [appellant].

    Ervan uitgaande dat [motordekschuit] een bedrijfsvaartuig is, betoogt [appellant] voorts dat de begunstigingstermijn van drie maanden in strijd is met het beleid van het dagelijks bestuur dat bij bedrijfsvaartuigen een begunstigingstermijn dient te worden aangehouden van drie maanden, waar het recentelijk afgemeerde vaartuigen betreft, tot twee jaar, waar het voertuigen betreft die, zoals [motordekschuit], al veel langer worden gedoogd.

2.3.1.    Ingevolge artikel 5:9, aanhef en onder a, van de Awb vermeldt de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie de overtreding alsmede het overtreden voorschrift. Aangezien voor een bedrijfsvaartuig en voor een object verschillende voorschriften gelden, is reeds daarom de kwalificatie van [motordekschuit] als bedrijfsvaartuig of als object van belang voor de beoordeling van de juistheid van de last onder dwangsom.

De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend door onder 4.3 van haar uitspraak te overwegen dat deze kwalificatie in het midden kan worden gelaten.

    Uit het vervolg van de uitspraak van de rechtbank, in het bijzonder overweging 4.7, blijkt evenwel dat de rechtbank het dagelijks bestuur is gevolgd in zijn standpunt dat [motordekschuit] als object dient te worden aangemerkt. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

2.3.2.    Het dagelijks bestuur heeft, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 23 september 2010, aan zijn standpunt dat [motordekschuit] geen bedrijfsvaartuig is, ten grondslag gelegd dat [appellant] niet genoegzaam heeft aangetoond dat [motordekschuit] als zodanig wordt ingezet ten behoeve van zijn bedrijf. Uit een door [appellant] overgelegde lijst van werkzaamheden van 24 augustus 2010 blijkt dat [motordekschuit] vanaf maart 2001 tot maart 2010 ongeveer één keer per jaar is ingezet. Volgens het dagelijks bestuur kan uit een dergelijk laag gebruik niet worden afgeleid dat [motordekschuit] hoofdzakelijk bedrijfsmatig wordt gebruikt, als bedoeld in artikel 2.2.1, onder b, van de Vob, te minder nu onduidelijk is op wat voor wijze deze de overige tijd wordt gebruikt. [appellant] heeft bovendien geen aanvullende gegevens overgelegd, zoals facturen voor de gestelde werkzaamheden, waarmee de lijst van 24 augustus 2010 wordt gestaafd.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het dagelijks bestuur zich reeds om laatstgenoemde reden op het standpunt mogen stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [motordekschuit] ten tijde van de besluitvorming een bedrijfsvaartuig was (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2009 in zaak nr. 200902154/1/H3). Daarnaast heeft het zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2010 in zaak nr. 200909962/1/H3, op het standpunt mogen stellen dat een bedrijfsmatig gebruik van één keer per jaar onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat [motordekschuit] hoofdzakelijk bedrijfsmatig werd gebruikt. De Afdeling wijst in dit verband tevens op haar uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200909504/1/H3. Anders dan [appellant] aanvoert, kan uit de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2009 in zaak nr. 200802262/1 niet worden afgeleid dat een enkel gebruik per jaar volstaat om dat gebruik als hoofdzakelijk aan te merken. In die uitspraak is overwogen dat indien een vaartuig een substantieel deel van de tijd wordt gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van goederen te water, de hoogte van de daarmee vergaarde inkomsten niet van betekenis is voor de kwalificatie van dat vaartuig. Zoals hiervoor overwogen, heeft [appellant] echter niet aannemelijk gemaakt dat [motordekschuit] een substantieel deel van de tijd is ingezet voor het bedrijf.

    Gezien het voorgaande, en nu niet in geschil is dat [motordekschuit] geen woonboot, passagiersvaartuig of pleziervaartuig is in de zin van artikel 2.2.1 van de Vob, heeft de rechtbank het dagelijks bestuur terecht gevolgd in zijn standpunt dat deze ten tijde van de besluitvorming als object in de zin van artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Vob diende te worden aangemerkt.

2.3.3.    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat nu aan [appellant] geen ontheffing is verleend om met [motordekschuit] ligplaats in te nemen, het dagelijks bestuur bevoegd was ter zake handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom.

    Na wijziging bij het besluit van 12 oktober 2010 luidt deze last als volgt: "[…] [motordekschuit], gelegen aan de Kromme Waal ter hoogte van 14, te verwijderen en daarna verwijderd te houden uit het openbaar water van ons beheersgebied, voor zover daarmee ontheffingplichtig ligplaats wordt ingenomen." Daarmee is voldoende duidelijk dat de last inhoudt dat [motordekschuit] in de hoedanigheid van object dient te worden verwijderd en geen ligplaats mag innemen, indien daar een ontheffing voor nodig is. Anders dan [appellant] lijkt te vrezen, geeft deze last aan het dagelijks bestuur niet het recht om een dwangsom op te leggen ten aanzien van [motordekschuit] wanneer deze in hoedanigheid van bedrijfsvaartuig tijdelijk afmeert in, bijvoorbeeld, de in artikel 2.4.1, tweede lid, onder b, van de Vob bedoelde ligplaatsen.

    Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank dat de last voldoende duidelijk en concreet is en niet in strijd met de rechtszekerheid, juist.

2.3.4.    Met de rechtbank ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat de begunstigingstermijn, mede gelet op de verlenging daarvan bij het besluit van 25 januari 2011, te kort is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [motordekschuit] ten tijde van de besluitvorming geen bedrijfsvaartuig was, zodat het beleid van het dagelijks bestuur ter zake niet van toepassing is, en, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, [appellant] voor het einde van de begunstigingstermijn een andere ligplaats voor [motordekschuit] heeft gevonden.

2.3.5.    Gezien het voorgaande falen de betogen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Biharie

voorzitter             ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

611.