Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201204753/3/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 8 mei 2012, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, gegrond verklaard het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 5 januari 2011, waarbij is gehandhaafd het besluit van 20 juli 2010, waarbij het dagelijks bestuur hem een last onder dwangsom heeft opgelegd vanwege de in afwijking van de op 10 november 2008 verleende ontheffing aangebrachte houten palen onder een brug in de watergang langs de Burgemeester Huydecoperweg, het besluit van 5 januari 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204753/3/A4.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het beroep in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Westbroek, gemeente De Bilt,

en

het dagelijks bestuur van hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 8 mei 2012, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, gegrond verklaard het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 5 januari 2011, waarbij is gehandhaafd het besluit van 20 juli 2010, waarbij het dagelijks bestuur hem een last onder dwangsom heeft opgelegd vanwege de in afwijking van de op 10 november 2008 verleende ontheffing aangebrachte houten palen onder een brug in de watergang langs de Burgemeester Huydecoperweg, het besluit van 5 januari 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2012, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 18 juni 2012 heeft het dagelijks bestuur een besluit tot invordering genomen.

[verzoeker] heeft bij brief van 26 juni 2012 de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, heeft het hoger beroep tegen de de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge het vierde lid is het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.

2.2.1. Bij besluit van 18 juni 2012 heeft het dagelijks bestuur besloten tot invordering over te gaan. Dit besluit wordt, nu [verzoeker] deze beschikking betwist, gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van het bodemgeding.

2.2.2. Op het moment dat door de voorzitter werd beslist op het verzoek om voorlopige voorziening betreffende de last onder dwangsom, was niet bekend dat inmiddels door het dagelijks bestuur een invorderingsbeschikking was genomen en dat [verzoeker] dit besluit betwistte.

Wat betreft het bij brief van 26 juni 2012 ingekomen verzoek om voorlopige voorziening wordt overwogen dat de voorzitter bij uitspraak van 26 juni 2012 bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover hier van belang, de werking van de uitspraak van de rechtbank heeft geschorst voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten van het door de rechtbank vernietigde besluit van 5 januari 2011 van het dagelijks bestuur, en het besluit van het dagelijks bestuur van 20 juli 2010, waarbij een last onder dwangsom is opgelegd, heeft geschorst. Gelet hierop bestaat aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening de invorderingsbeschikking van 18 juni 2012 te schorsen.

2.3. Het verzoek dient als kennelijk gegrond te worden toegewezen.

2.4. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht van 18 juni 2012;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

163-379.