Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1812

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201110982/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Hoogstraat Welberg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110982/3/R3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Welberg, gemeente Steenbergen,

en

de raad van de gemeente Steenbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Hoogstraat Welberg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2012, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 28 juni 2012, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. W.P. Meulblok, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. Dudok, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar verschenen de commanditaire vennootschap Ruimte voor Ruimte II C.V., vertegenwoordigd door C. Swart, en [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van zes woningen aan de Hoogstraat, waarvan vier Ruimte-voor-Ruimte woningen. Het verzoek heeft betrekking op de vier Ruimte-voor-Ruimte woningen. [verzoeker] vreest dat met de inwerkingtreding van het bestreden plandeel onomkeerbare gevolgen zullen ontstaan voor zijn leefomgeving. Hij betoogt dat het plan in zoverre in strijd met de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening) is vastgesteld, nu het plangebied niet is gelegen in een bebouwingsconcentratie als bedoeld in de Verordening en de woningen een aanzet vormen voor een stedelijke ontwikkeling. Voorts is de landschappelijke inpassing van de woningen in het plan onvoldoende verzekerd.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.1, twaalfde lid, van de Verordening, wordt onder bebouwingsconcentratie verstaan: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.

Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a en c, voor zover hier van belang, blijkt uit de verantwoording als bedoeld in 11.2, eerste lid, dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren en geen sprake is van een aanzet voor stedelijke ontwikkeling.

2.2.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het plangebied is aan te merken als een locatie gelegen binnen een bebouwingsconcentratie. De raad heeft in dit verband onder andere gewezen op de bestaande bebouwing aan weerszijden van de Hoogstraat.

De voorzitter overweegt dat aan het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of een locatie is aan te merken als een bebouwingsconcentratie in de zin van de Verordening. Gelet op de reeds aanwezige bebouwing aan de Hoogstraat, de duiding van het gebied door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant zoals aangehaald in de zienswijzennota en de toelichting van de raad ter zitting ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plangebied in een bebouwingsconcentratie ligt en dat de vier woningen geen aanzet zijn voor verstedelijking. Dat, naar [verzoeker] stelt, voor bebouwingsconcentraties nog geen beleidsvisie is vastgesteld door de raad doet aan de kwalificatie van het gebied niet af.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de landschappelijke inpassing van de woningen in het plan onvoldoende is verzekerd, nu ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, van de planregels alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen kan worden afgegeven, een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtings- en beplantingsplan moet worden overgelegd, waaruit blijkt dat een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing is verzekerd.

2.3. In hetgeen [verzoeker] overigens heeft aangevoerd ten aanzien van de parkeercapaciteit en de Flora- en faunawet, ziet de voorzitter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

429-709.