Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201111791/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 8 juli 2010 heeft de minister van Justitie de verzoeken van [appellanten] om hun het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111791/1/V6.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Zevenaar,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 september 2011 in zaken nrs. 11/360 en 11/361 in de gedingen tussen:

[appellanten]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 8 juli 2010 heeft de minister van Justitie de verzoeken van [appellanten] om hun het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 3 januari 2011 heeft de minister de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan diens rechtsvoorganger.

2.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bewijsnood. Hiertoe voeren zij aan dat zij al het mogelijke hebben gedaan om in het bezit te komen van gelegaliseerde geboorteaktes en geldige buitenlandse reisdocumenten. Zij wijzen erop dat hun huis in het land van herkomst, Azerbeidzjan, is afgebrand en dat zij aldaar geen familie of vrienden hebben. Voorts stellen zij dat het voor hen onmogelijk is om naar Azerbeidzjan te reizen om de gevraagde documenten bij de autoriteiten daar te verkrijgen.

2.3.1. Niet in geschil is dat [appellanten] geen gelegaliseerde geboorteaktes en geldige Azerbeidzjaanse paspoorten hebben overgelegd bij hun verzoeken om verlening van het Nederlanderschap. Evenmin is in geschil dat [appellanten] houders zijn van een verblijfsvergunning regulier.

2.3.2. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij van de Azerbeidzjaanse autoriteiten geen gelegaliseerde geboorteaktes en paspoorten kunnen verkrijgen. Dat zij in de besluitvormingsfase tweemaal aangetekende brieven hebben gestuurd naar de Azerbeidzjaanse ambassade te Den Haag zonder een antwoord te hebben ontvangen en dat een gemeenteambtenaar heeft getracht contact op te nemen met deze ambassade, is daartoe onvoldoende. Evenmin blijkt uit de enkele omstandigheid dat [appellant A] van Armeense afkomst is, dat zij van de Azerbeidzjaanse autoriteiten niet de gevraagde documenten kunnen verkrijgen.

Voor zover [appellanten] beogen te betogen dat, gelet op het beleid zoals neergelegd in de Handleiding, het onbegrijpelijk is dat van hen wordt verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst om te proberen de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen, faalt dat betoog. Uit de Handleiding volgt dat het op de weg van [appellanten] ligt aannemelijk te maken dat zij in bewijsnood verkeren, in het bijzonder door schriftelijke verklaringen van de autoriteiten van het land van herkomst of andere bewijsstukken over te leggen. Daartoe kan van hen worden verlangd naar Azerbeidzjan te reizen. De rechtbank heeft dit terecht overwogen. Daarbij is van belang dat [appellanten] in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier, zodat zich geen asielgerelateerde omstandigheden voordoen waaruit zou volgen dat van hen niet kan worden gevergd om naar het land van herkomst te reizen om aldaar de gevraagde documenten te verkrijgen.

Nu [appellanten] voorts niet op andere wijze - bijvoorbeeld met behulp van derden - hebben getracht de documenten in Azerbeidzjan te krijgen, faalt het betoog dat zij al het mogelijke hebben gedaan om gelegaliseerde geboorteaktes en geldige buitenlandse paspoorten te verkrijgen. De stelling dat hun huis in Azerbeidzjan is afgebrand, kan daaraan niet afdoen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat hun beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Zij voeren daartoe aan dat het naturalisatieverzoek van hun dochter, dat voor 1 mei 2009 is ingediend, wel is ingewilligd en dat zij zich in gelijke omstandigheden bevinden als hun dochter. [appellanten] stellen dat zij hun naturalisatieverzoeken na 1 mei 2009 hebben ingediend omdat zij in afwachting waren van een rapport van een medisch adviseur.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu geen sprake is van gelijke gevallen. Uit de in 2.2 weergegeven passage uit de Handleiding volgt dat met ingang van 1 mei 2009 [appellanten], hoewel zij in de verblijfsvergunningprocedure zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste, een geldig buitenlands reisdocument bij hun naturalisatieverzoek dienen over te leggen. Nu de dochter van [appellanten] haar verzoek om verlening van het Nederlanderschap voor 1 mei 2009 heeft ingediend, is reeds daarom geen sprake van een gelijk geval. Dat zij in afwachting waren van een rapport van een medisch adviseur doet daar niet aan af.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

32-692.