Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201109951/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft de staatssecretaris een aan de maatschap krachtens de Regeling LNV-subsidies (Stcrt. 2007, 33; zoals gewijzigd bij ministeriële regeling van 24 maart 2009, Stcrt. 2009, 63) (hierna: de Regeling) voor de aanschaf van plantgoed verleende subsidie op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109951/1/A2.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 augustus 2011 in zaak nr. 11/886 in het geding tussen:

[de maatschap], gevestigd te Bant, gemeente Noordoostpolder, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], wonend te Bant, gemeente Noordoostpolder,

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft de staatssecretaris een aan de maatschap krachtens de Regeling LNV-subsidies (Stcrt. 2007, 33; zoals gewijzigd bij ministeriële regeling van 24 maart 2009, Stcrt. 2009, 63) (hierna: de Regeling) voor de aanschaf van plantgoed verleende subsidie op nihil gesteld.

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft de staatssecretaris het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2011.

De maatschap heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2012, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.L.M. le Nobel en ir. J.A.F. van de Wijnboom, beiden werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en de maatschap, vertegenwoordigd door ing. F. Boersma en mr. E. Zonderland-Knijn, beiden werkzaam bij Countus accountants en adviseurs, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004, houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling, waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2004 L 141) (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, wordt onder "blijvende teelten" verstaan: niet in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend grasland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren.

Ingevolge artikel 5:3, eerste lid, van de Regeling kan de minister aan telers van suikerbieten en samenwerkingsverbanden uit regio's die betrokken zijn bij de herstructurering van de suikersector op de voet van Verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in Europese Gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijke langbouwbeleid (PB 2005 L 58) subsidie verlenen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, komt het doen van investeringen door suikerbietentelers, gericht op diversificatie, voor subsidie in aanmerking.

Ingevolge artikel 5:4, eerste lid, aanhef en onder d, komen de kosten voor de aanschaf van plantmateriaal en de kosten van derden voor het planten van blijvende teelten, als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Verordening, voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, voor de subsidie in aanmerking.

2.2. Aan het besluit van 27 januari 2011 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 5:4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling alleen plantmateriaal voor blijvende teelten en meerjarige gewassen, als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel d, van de Verordening, voor subsidieverlening in aanmerking komt en het door de maatschap aangeschafte plantgoed voor tulpen dat niet is.

De rechtbank heeft aan de vernietiging van het besluit van 28 maart 2011 ten grondslag gelegd dat tulpenbollen een gewas is dat niet in de vruchtwisseling is opgenomen en een geregelde oogst oplevert, zodat het om blijvende teelt gaat en de staatssecretaris de kosten voor de aanschaf van tulpenbollen ten onrechte niet voor subsidieverlening in aanmerking heeft gebracht.

2.3. Voor zover de maatschap in verweer heeft aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 5:4, lid 1, aanhef en onder d, van de Regeling heeft gegeven, wordt overwogen dat zij niet binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep heeft ingesteld en, zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201004168/1/H1), de Algemene wet bestuursrecht, noch de Wet op de Raad van State, grondslag biedt voor het instellen van incidenteel hoger beroep. Er bestaat voorts, anders dan de maatschap ter zitting heeft betoogd, geen grond om te anticiperen op het wetsvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Het aldus aangevoerde kan derhalve niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.4. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat tulpenbollen geen gewas is dat in de vruchtwisseling is opgenomen, heeft miskend dat bij tulpen jaarlijks plantgoed wordt geplant en na één groeiseizoen wordt gerooid. De oogst bestaat dan uit de reeks aan bolmaten, waarvan de grotere worden verkocht en de kleinere als plantgoed worden gebruikt. Het plantgoed wordt in verband met het risico van bodemziektes niet weer op hetzelfde stuk grond geplant.

2.4.1. Ter zitting heeft de maatschap desgevraagd toegelicht dat de tulpenbollen - in verband met de hoge waarde en kwetsbaarheid van het plantgoed - gedurende ten minste vijf aaneengesloten jaren op haar eigen percelen worden geteeld. Daarbij wordt een systeem toegepast, waarbij de tulpenbollen elk jaar op een ander stuk grond worden geplant. In verband met ziekten kunnen de tulpenbollen pas na ongeveer zeven jaar weer op de aanvankelijk daarvoor gebruikte grond worden geplant. In de tussenliggende jaren wordt de grond, die het eerste jaar voor tulpenbollen werd gebruikt, niet opnieuw daarvoor gebruikt. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat het gewas tulpenbollen niet in de vruchtwisseling is opgenomen en het om blijvende teelt gaat.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 27 januari 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 augustus 2011 in zaak nr. 11/886;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

502-735.