Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1803

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
201103249/1/T1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Feijenoord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ruimtelijk Bestuursrecht 2012/23
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3952
JBO 2012/112 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2012/131 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2012/744
JBO 2012/66 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2012-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103249/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 18 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS) in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Rotterdam,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Feijenoord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 april 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door W. Loven en mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door A.H. Carmiggelt, C.S. Wieles en mr. E. van Lunteren, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de WRvS, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch kader en is overwegend conserverend van aard. In aanvulling op de bestaande situatie worden onder meer ligplaatsen voor varende woonschepen in de Persoonshaven mogelijk gemaakt.

2.3. [appellante] kan zich niet verenigen met de planregeling zoals die geldt voor de gronden van haar perceel ter plaatse van de [locatie]. Zij betoogt dat de raad in artikel 3, lid 3.3.1, onder b, van de planregels ten onrechte een toevoeging heeft opgenomen waarin staat dat gebruik als non-¬fero metaalgieterij/-smelterij niet langer is toegestaan als dit gebruik tussentijds wordt beëindigd. Verder vreest [appellante] dat haar bedrijfskantoren, gelet op de formulering van artikel 3, lid 3.1, niet als zodanig zijn bestemd.

2.3.1. Aan de gronden ter plaatse van de [locatie] is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven (tot en met categorie 3), met het daarbij behorende erf en werkterrein;

b. tot deze bedrijven behorende kantoren;

c. "Waarde - Archeologie A", voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

Ingevolge lid 3.3.1, onder a, zijn uitsluitend bedrijven tot en met categorie 3 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels toegestaan, met dien verstande dat inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder zijn uitgesloten.

Ingevolge lid 3.3.1, onder b, is aan de [locatie] ter plaatse van de aanduiding "bedrijf toegestaan" tevens een non-fero metaalgieterij/-smelterij met een productiecapaciteit van >4000 ton per jaar toegestaan (SBI-code 2754) met dien verstande dat, zodra het gebruik als een non-fero metaalgieterij/-smelterij is vervangen door ander gebruik zoals bedoeld in lid 3.1, een non-fero metaalgieterij/-smelterij niet langer is toegestaan.

2.3.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende toevoeging aan artikel 3, lid 3.3.1, onder b, van de planregels ten onrechte in het plan is opgenomen.

2.3.3. De Afdeling overweegt als volgt. Het bestreden besluit bevat een opsomming van de wijzigingen die door de raad in het plan zijn aangebracht. Er is ingestemd met de wijzigingen naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen, zoals opgenomen in de nota van zienswijzen, en met een aantal ambtelijke aanpassingen.

Het plan is ten opzichte van het ontwerp in zoverre gewijzigd dat, naast voornoemde wijzigingen, aan artikel 3, lid 3.3.1, onder b, van de planregels de zinsnede "met dien verstande dat, zodra het gebruik als een non-fero metaalgieterij/-smelterij is vervangen door ander gebruik zoals bedoeld in lid 3.1, een non-fero metaalgieterij/-smelterij niet langer is toegestaan" is toegevoegd. Deze wijziging in het plan is niet in de nota van zienswijzen noch in de lijst van de ambtelijke aanpassingen opgenomen. De planregel stemt in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling, zodat het besluit en de planregel, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre in strijd zijn met de rechtszekerheid.

2.3.4. Voorts stelt de raad dat, nu het plan maar één bedrijvenbestemming kent en het bedrijf van [appellante] hier geheel binnen ligt, geen misverstand kan bestaan over de vraag of de bedrijfskantoren als zodanig zijn bestemd.

2.3.5. Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels, in onderlinge samenhang bezien, dient naar het oordeel van de Afdeling aldus te worden gelezen dat de onder b genoemde kantoren slechts zijn toegestaan voor de onder a genoemde bedrijven. Onder a zijn evenwel bedrijven tot en met categorie 3 toegestaan, zodat de non-fero metaalgieterij/-smelterij hier niet onder is begrepen. Artikel 3, lid 3.1, staat derhalve geen tot de non-fero metaalgieterij/-smelterij behorende kantoren toe terwijl de raad dit wel heeft beoogd. De Afdeling ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.4. Voorts betoogt [appellante] dat de raad ten onrechte een ondergrond bij het plan heeft vastgesteld die niet overeenkomt met de feitelijke situatie ter plaatse van haar perceel. Volgens [appellante] staan op de ondergrond nog insteekhavens ingetekend op de plaats waar thans gebouwen aanwezig zijn en is het onder meer in het belang van de rechtszekerheid en in het licht van artikel 29, lid 29.4, van de planregels van belang om de precieze locatie van de bebouwing op het perceel te kunnen vaststellen.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ondergrond van een verbeelding geen juridische betekenis heeft. Volgens de raad kan nagegaan worden waar de feitelijke, met vergunning gerealiseerde, bebouwing zich op het perceel bevindt.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.2.4, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, voor zover thans van belang, worden plannen, alsmede hun aansluiting op het aangrenzende gebied, vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond.

2.4.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet is voorzien van een duidelijke ondergrond. Er treedt als gevolg van de onjuistheden in de ondergrond immers geen onzekerheid op over het juridisch-planologisch regime dat ter plaatse van het perceel van [appellante] geldt. Gesteld noch gebleken is dat de insteekhavens relevant zijn voor het bepalen van de zone vanaf de kade van de Nieuwe Maas als bedoeld in artikel 29, lid 29.4, van de planregels.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] kan zich voorts niet verenigen met de planregeling voor de gronden ter plaatse van de Persoonshaven, nu daarmee ligplaatsen voor varende woonschepen mogelijk worden gemaakt. Zij betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geluidbelasting op de woonschepen als gevolg van haar bedrijfsactiviteiten. Volgens [appellante] had de raad in dit verband ook de geluidproductie van de overige bedrijven in de nabije omgeving moeten bezien. Zij stelt dan ook dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonschepen en zij vreest bovendien door de aanwezigheid van de woonschepen in haar uitbreidingsmogelijkheden te worden beperkt.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonschepen is gewaarborgd. De raad voert in dit verband aan dat voor geluidgevoelige objecten voor industrielawaai een hogere grenswaarde van 55 dB(A) kan worden vastgesteld, de geluidbelasting ter plaatse van de woonschepen onder deze waarde blijft en de tussen de bedrijfslocatie van [appellante] en de woonschepen gelegen bedrijven bij de berekening van de geluidbelasting niet hoefden te worden betrokken omdat het om een indicatieve berekening gaat en deze bedrijven niet in betekenende mate bijdragen aan de geluidbelasting.

2.5.2. Aan de gronden ter plaatse van de Persoonshaven is de bestemming "Water I" toegekend. Aan de kant van de Persoonskade en de Piketkade is tevens de aanduiding "varende woonschepen toegestaan" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Water I" aangewezen gronden bestemd voor waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 15.3 zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "varende woonschepen toegestaan" tevens bestemd voor ligplaatsen voor varende woonschepen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.49, wordt onder varend woonschip begrepen een woonschip dat zich met behulp van een eigen krachtbron op eenvoudige en veilige wijze kan verplaatsen.

2.5.3. Het gebied waarbinnen de ligplaatsen voor woonschepen zijn voorzien ligt binnen de 50 dB(A)-zone van het industrieterrein Feijenoord/Schaardijk, waaronder ook het perceel van [appellante] is begrepen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2007 in zaak nr. 200609072/1) zijn woonschepen geen geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van de woonschepen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

2.5.4. Door DCMR Milieudienst Rijnmond is een indicatief onderzoek verricht naar de equivalente geluidbelasting ter plaatse van de woonschepen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [appellante]. De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in een notitie van 6 oktober 2010. Uit het onderzoek volgt dat bij een beoordelingshoogte van 5 m ten opzichte van het plaatselijke maaiveld sprake is van een geluidbelasting variërend van 48 dB(A) tot maximaal 55 dB(A).

2.5.5. De Afdeling stelt voorop dat niet is gebleken van een concreet voornemen tot uitbreiding van de bedrijfsvoering van [appellante] waarin zij zou worden beperkt als gevolg van de aanwezigheid van de woonschepen.

Voorts overweegt de Afdeling dat weliswaar een indicatief onderzoek is verricht naar de geluidbelasting op de woonschepen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [appellante], maar dat het bestreden besluit geen inzicht biedt in de geluidbelasting zoals die geldt aan de binnenzijde van de woonschepen. Dit klemt temeer nu woonschepen doorgaans een slechtere gevelisolatie hebben dan reguliere woningen. Verder is in het plan geen beperking opgenomen wat betreft de aanlegduur van de woonschepen terwijl ter zitting is gebleken dat de raad ervan uitgaat dat de woonschepen niet permanent liggen afgemeerd in de Persoonshaven. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waarom de tussen de bedrijfslocatie van [appellante] en de woonschepen gelegen bedrijven niet bij de berekening van de geluidbelasting hoefden te worden betrokken.

Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de mogelijk gemaakte ligplaatsen voor varende woonschepen. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

2.6. Tot slot kan [appellante] zich niet verenigen met de aan het merendeel van de gronden in het plangebied toegekende dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie A" dan wel "Waarde-Archeologie B". [appellante] betoogt dat de raad ten onrechte deze dubbelbestemmingen aan de gronden waarop zij wenst uit te breiden heeft toegekend omdat zij daardoor in haar bouwmogelijkheden wordt beperkt. Volgens [appellante] is daarbij onvoldoende onderzoek gedaan naar de aanwezige archeologische waarden.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op basis van de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (hierna: AWK) aan de gronden in het plangebied de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie A" dan wel "Waarde - Archeologie B" kunnen worden toegekend. Volgens de raad hoefde geen nader onderzoek te worden verricht omdat aannemelijk is dat archeologische waarden in het gebied voorkomen.

2.6.2. Aan de gronden in het plangebied, met uitzondering van de gronden ter plaatse van het perceel van [appellante] aan de [locatie], zijn de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie A" dan wel "Waarde - Archeologie B" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie A" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie B" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

2.6.3. Ten behoeve van het plan is door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam een bureaustudie verricht naar de in het plangebied aanwezige archeologische waarden. Hiervoor is de AWK geraadpleegd waarop de archeologische waarden en verwachtingen voor het gehele gemeentelijke grondgebied van Rotterdam zijn weergegeven. Uit de AWK volgt dat ter plaatse van de gronden in het plangebied sprake is van een redelijk tot hoge archeologische verwachting. De archeologische waarden zijn te verwachten beneden 0 m NAP. Voorts staat in de archeologische paragraaf van de plantoelichting dat in het gebied dat op de verbeelding is voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie A", bewoningssporen vanaf het Neolithicum aanwezig kunnen zijn en dat in het gebied met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie B" verspoelde vondsten vanaf het Neolithicum en mogelijk resten van schepen aanwezig kunnen zijn. Op grond hiervan zijn aanbevelingen opgenomen die ertoe strekken in het plan een regeling op te nemen op grond waarvan voor de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie A" een omgevingsvergunning is vereist voor bouwwerkzaamheden onderscheidenlijk graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en die tevens dieper reiken dan 1,5 m beneden NAP. Voor de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie B" geldt eveneens voorgaande aanbeveling met dien verstande dat het bouwwerkzaamheden onderscheidenlijk graafwerkzaamheden betreft met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en die tevens dieper reiken dan 3 m beneden NAP.

2.6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) kan het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal. Wanneer evenwel het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Voorts is voor het opnemen van een beschermingsregeling niet vereist dat de aanwezigheid van archeologische waarden ter plaatse vaststaat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. Gelet op de bevindingen in de AWK en nu [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze bevindingen onjuist zijn, heeft de raad in redelijkheid aan de gronden in het plangebied de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie A" dan wel "Waarde - Archeologie B" kunnen toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat van concrete uitbreidingsplannen niet is gebleken.

2.7. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de WRvS op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, voor zover deze zien op de toelaatbaarheid van kantoren voor een non-fero metaalgieterij/-smelterij en het plandeel voor de Persoonshaven met de bestemming "Water I" en de aanduiding "varende woonschepen toegestaan". Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De raad dient daartoe, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.3.5 is overwogen, een nadere afweging te maken omtrent de mogelijkheid van kantoren behorende bij een non-fero metaalgieterij/-smelterij als bedoeld in artikel 3, lid 3.3.1, onder b, van de planregels en het besluit in zoverre alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

De raad dient voorts, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.5.5 is overwogen, op basis van nader onderzoek naar de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in het gebied waarbinnen ligplaatsen voor varende woonschepen zijn toegestaan, het besluit in zoverre alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

Bij de voorbereiding van een nieuw besluit behoeft afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet te worden toegepast. In geval een nieuw besluit wordt genomen, dient dit op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

De Afdeling ziet geen aanleiding om de raad het in rechtsoverweging 2.3.3 geconstateerde gebrek met betrekking tot artikel 3, lid 3.3.1, onder b, van de planregels te laten herstellen, nu de raad niet heeft beoogd daarin een uitsterfregeling op te nemen en een nieuw besluit niet nodig is. De Afdeling zal deze planregel wat betreft de zinsnede "met dien verstande (--) toegestaan" in de einduitspraak vernietigen.

2.8. In de einduitspraak zal worden besloten over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Rotterdam op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het besluit van 16 december 2010 omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Feijenoord" te herstellen door:

- met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.3.5 is overwogen, een nadere afweging te maken omtrent de mogelijkheid van kantoren behorende bij een non-fero metaalgieterij/-smelterij als bedoeld in artikel 3, lid 3.3.1, onder b, van de planregels en het besluit in zoverre alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

- met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.5.5 is overwogen, op basis van nader onderzoek naar de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in het gebied waarbinnen ligplaatsen voor varende woonschepen zijn toegestaan, het besluit in zoverre alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

- in geval een nieuw besluit wordt genomen, dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012

91-728.