Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201108864/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108864/1/V6.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juli 2011 in zaak nr. 11/18 in het geding tussen:

[appellante]   

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2010 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 juli 2011, verzonden op 19 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

    Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.

    Ingevolge artikel 10, voor zover thans van belang, kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in voormeld artikellid.

    Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN zo te worden gelezen dat als vereiste geldt dat de verzoeker vijf jaar onafgebroken in het Koninkrijk is toegelaten. Van toelating in Nederland is sprake indien verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker dient dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen. Voorts houdt dit in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de genoemde termijn. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen.

    Voorts staat in de Handleiding in de toelichting op artikel 10 van de RWN dat in uitzonderlijke gevallen er belangen kunnen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke vereisten voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn van die vereisten af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende vereisten voor naturalisatie. Voorts staat in de Handleiding dat van artikel 10 slechts terughoudend gebruik dient te worden gemaakt. Uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Volgens de Handleiding zijn, ondermeer, het in Nederland zijn toegelaten als vluchteling, het volledig ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving en het ondervinden van reisproblemen als gevolg van het niet bezitten van de Nederlandse nationaliteit, geen bijzondere omstandigheden.

2.2.    Bij besluit van 30 juni 2005 is [appellante] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met een geldigheidsduur van 3 februari 2005 tot 3 februari 2010. Op 9 februari 2010 heeft [appellante] een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, welke haar bij besluit van 2 april 2010 is verleend met ingang van 9 februari 2010. Niet in geschil is dat [appellante] van 3 februari 2010 tot 9 februari 2010 niet in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning, zodat sprake is van een verblijfsgat.

2.3.    De minister heeft het verzoek van [appellante] tot verlening van het Nederlanderschap van 22 december 2009 afgewezen omdat zij niet sedert ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan dat verzoek toelating en verblijf in Nederland heeft gehad en omdat sprake is van het hiervoor onder 2.2 bedoelde verblijfsgat.

2.4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen grond bestaat om, met toepassing van artikel 10 van de RWN, van het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN af te wijken. Zij voert hiertoe aan dat het verblijfsgat slechts enkele dagen omvat en dat het van onevenredige hardheid zou getuigen indien zij opnieuw de vereiste termijn van vijf jaar verblijf in het Europese deel van Nederland zou moeten afwachten. Voorts stelt [appellante] dat het verkrijgen van een Nederlands paspoort voor haar een noodzaak is, nu haar kinderen allen een Nederlands paspoort bezitten en zij bij het reizen met haar kinderen problemen ondervindt wegens de verschillende nationaliteiten.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2010 in zaak nr. 201000441/1/V6, heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort.

    De door [appellante] gestelde omstandigheden dat zij sinds 2005 in Nederland verblijft, dat zij volledig geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving, dat haar een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend en dat zij problemen ondervindt bij het reizen met haar kinderen zijn, gelet op het in 2.1 weergegeven beleid, geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister toepassing aan artikel 10 van de RWN had moeten geven. De stelling dat [appellante], afgezien van het vereiste van vijf jaren toelating in het Europese deel van Nederland, voldoet aan alle vereisten voor naturalisatie, doet daaraan niet af.

    Dat slechts sprake is van een verblijfsgat van enkele dagen en het ontstaan daarvan haar niet zou kunnen worden toegerekend, leidt, daargelaten dat [appellante] onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap ook geen vijf jaar verblijf en toelating hier te lande had, evenmin tot een ander oordeel, nu de rechtbank terecht heeft overwogen dat het verblijfsgat voor rekening en risico komt van [appellante] en derhalve evenmin een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 10 van de RWN oplevert. Dat haar belang dient te prevaleren boven het belang van het handhaven van de wettelijke vereisten voor naturalisatie, heeft [appellante] verder niet toegelicht, zodat het betoog reeds daarom niet slaagt.

     De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen grond bestaat voor toepassing van artikel 10 van de RWN.

    Het betoog faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Beerse

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

164-692.