Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201100219/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Moskee Noordzijde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AA20120837 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100219/1/R4.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Bodegraven,

2.    de stichting in oprichting Bodegraven Noord Groen, gevestigd te Bodegraven,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bodegraven, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Moskee Noordzijde" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, en de Stichting in oprichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft bij brief van 20 april 2011 stukken die op de zaak betrekking hebben ingediend. Ten aanzien van een tweetal pagina's van de exploitatieopzet heeft de raad verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij beslissing van 15 maart 2012 heeft een andere kamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding ingewilligd. De betrokken partijen is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden informatie in dit stuk uitspraak te doen. Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting in oprichting en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2012, waar [appellant sub 1] en de Stichting in oprichting, beiden vertegenwoordigd door drs. J.A. Gast, en de raad, vertegenwoordigd door J. van den Berg, MSc, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de Islamitische vereniging El Fath (hierna: de islamitische vereniging), vertegenwoordigd door I. Bakkali, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in de realisatie van een moskee en de daarbij behorende voorzieningen, waaronder ontsluitingsroutes en in een planologische regeling voor het resterende deel van het evenemententerrein.

Ontvankelijkheid

2.2.    Het beroep is ingesteld door de Stichting in oprichting, binnen de daartoe gestelde termijn van 26 november 2010 tot en met 7 januari 2011. De Stichting is op 21 januari 2011 opgericht. De Stichting bestaat derhalve eerst na het verstrijken van de beroepstermijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 juli 2009, zaak nr. 200805119/1/M1, kan in een dergelijk geval het beroep slechts worden ontvangen voor zover het is ingesteld door de natuurlijke persoon die heeft gehandeld onder de naam van de Stichting in oprichting. Gezien het vorenstaande kan in dit geval het beroep slechts worden ontvangen voor zover het is ingesteld door de natuurlijke persoon [belanghebbende], die heeft gehandeld onder de naam van de stichting in oprichting.

Intrekking

2.3.    Ter zitting is het beroep van [belanghebbende] en [appellant sub 1], voor zover gericht tegen het inspraakproces, de wijze van weerlegging van de zienswijzen en het ter inzage leggen van het ontwerpplan in de zomervakantie, ingetrokken.

Milieuaspecten

2.4.         [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de raad ten onrechte uitgaat van een te lage gebruiksintensiteit van het parkeerterrein.

        [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen voorts dat het geluidonderzoek ten behoeve van het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu alleen de geluidbelasting bij het gemiddelde verkeerslawaai is berekend en niet bij de piekbelasting. Volgens hen brengen met name de ochtend- en avondspits extra geluidbelasting met zich mee. De samenloop met de overige geluidhinder en de cumulatie van verschillende geluidbronnen is ten onrechte niet onderzocht. 

2.4.1.    De raad stelt dat wat betreft het gebruik van het parkeerterrein is uitgegaan van het "worst case scenario" waaruit blijkt dat de in het plan voorziene moskee dagelijks 600 verkeersbewegingen tot gevolg heeft. Volgens de raad wil dit niet zeggen dat het parkeerterrein daadwerkelijk doorgaans in dergelijke mate zal worden gebruikt. Op reguliere dagen zal de in het plan voorziene moskee ongeveer 240 verkeersbewegingen per dag met zich brengen.

    De raad stelt voorts dat uit de rapportages van de Milieudienst Midden-Holland van 18 juni 2010 (hierna: de milieurapportage) en 26 augustus 2010 (hierna: de aanvullende milieurapportage) blijkt dat voldaan kan worden aan de wettelijke eisen betreffende geluid.

2.4.2.    In de plantoelichting staat dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de parkeerbehoefte die de moskee genereert zoveel mogelijk op de locatie zelf dient te worden opgevangen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een parkeernorm van 0,1 tot 0,2 parkeerplaats per bidplaats overeenkomstig de CROW-richtlijnen die van toepassing zijn op religieuze gebouwen. De in het plan voorziene moskee biedt ruimte aan maximaal 300 bidplaatsen. Maximale invulling van voornoemde parkeernorm leidt tot 60 parkeerplaatsen. Een minimale invulling leidt tot 30 parkeerplaatsen. De raad heeft ervoor gekozen dat minimaal 45 parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden aangelegd. Dit betekent dat een norm van 0,15 parkeerplaats per bidplaats is aangehouden.

    De raad heeft ter zitting toegelicht dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de moskee is gebaseerd op voornoemde maximale parkeernorm in relatie tot het aantal bidplaatsen en het aantal bijeenkomsten in de moskee per dag. Dit komt er op neer dat gemiddeld ongeveer 240 verkeersbewegingen per dag plaatsvinden. In het "worst case scenario" is uitgegaan van 600 verkeersbewegingen per dag. De raad heeft ter zitting toegelicht dat van een "worst case scenario" niet snel sprake zal zijn, omdat veel bezoekers van de moskee in de omgeving daarvan woonachtig zijn en per fiets zullen komen.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan van een te lage gebruiksintensiteit van het parkeerterrein is uitgegaan.

2.4.3.    De moskee is geen geluidgevoelig object op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder, zodat daaraan niet behoeft te worden getoetst. Deze toetsing heeft wel plaatsgevonden wat betreft de geluidbelasting op de gevel van de woningen gelegen in de buurt van de parallelweg vanwege de verkeersbewegingen op de parallelweg ten noorden van de Burgemeester Kremerweg, omdat deze als gevolg van het plan zal worden doorgetrokken. Bij het bepalen van voornoemde geluidbelasting is de Standaard Rekenmethode II als bedoeld in artikel 3.3 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 gebruikt, aldus de milieurapportage. Door het realiseren van de moskee zullen de te verwachten extra verkeersbewegingen op de parallelweg, 600 voertuigen per etmaal in een "worst case scenario", volgens de milieurapportage niet leiden tot een toename van de geluidbelasting op de gevel van omliggende woningen en wordt derhalve voldaan aan de grenswaarde als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder. De milieurapportage komt de Afdeling in zoverre niet onjuist voor.

2.4.4.    Wat betreft de indirecte geluidhinder is getoetst aan de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996. Uit deze toetsing volgt dat de verkeersbewegingen op de openbare weg van en naar de moskee niet leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen in de omgeving van de moskee, aldus de milieurapportage.

2.4.5.    Voor zover [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat geen deugdelijk onderzoek naar uitlaatgassen en fijnstof heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat in de milieurapportage staat dat de in het plan voorziene ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht en dat de realisatie van het plan overeenkomstig titel 5.2 van de Wet milieubeheer toelaatbaar wordt geacht.

2.4.6.    Gelet op het vorenoverwogene hebben [belanghebbende] en [appellant sub 1], nu zij hun betoog niet nader hebben onderbouwd, naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de milieurapportage zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop niet mocht baseren bij de vaststelling van het plan.

    De betogen falen in zoverre.

Stiltegebied

2.5.    Voor zover [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de in het plan voorziene moskee verstoring zal veroorzaken in het naastgelegen stiltegebied, overweegt de Afdeling als volgt.

    De grens van het stiltegebied is op ongeveer 370 meter van de parallelweg en de moskee gelegen. In de aanvullende milieurapportage staat dat de geluidbelasting op het stiltegebied als gevolg van indirecte hinder van de moskee niet hoger zal uitkomen dan 30 dB(A). De aanvullende milieurapportage komt de Afdeling in zoverre niet onjuist voor. Volgens de door de raad bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid betrokken Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 is een richtwaarde van 40 dB(A) gangbaar voor zeer stille landschappelijke gebieden.

    Gelet op de afstand tot en de geluidbelasting op het stiltegebied hebben [belanghebbende] en [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan en dan met name de ingebruikname van de moskee niet zal leiden tot een zodanige verstoring van het stiltegebied dat de raad hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

    De betogen falen.

Parallelweg

2.6.        [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat het polderweggetje dat moet worden verbreed tot ontsluitingsweg voor het gemotoriseerde verkeer naar de moskee, hiervoor ongeschikt is. Volgens hen vormt het huidige aansluitingspunt op de rotonde al een verkeersonveilige situatie, is de weg onverlicht en de wegbreedte te beperkt. Voorts betogen zij dat de verkeersintensiteiten op de rotonde Burgemeester Kremerweg/ Willem de Zwijgerstraat zal toenemen en de oversteekbaarheid van de randweg nog gevaarlijker zal worden.

2.6.1.    De raad stelt dat het aantal verkeersbewegingen op de parallelweg niet zodanig zal toenemen dat als gevolg daarvan een in verkeerskundig opzicht onverantwoorde situatie zal ontstaan. Volgens de raad zal het oostelijke deel van de parallelweg in verband met de ontwikkeling van de moskee gedeeltelijk worden verbeterd.

2.6.2.    In de plantoelichting staat dat de moskee via de bestaande parallelweg langs de Burgemeester Kremerweg aan de noordzijde van de locatie zal worden ontsloten. Aansluiting op de Burgemeester Kremerweg is niet wenselijk vanwege de negatieve effecten op de verkeersdoorstroming en de verkeersveiligheid en vanwege de hoge kosten die aan de aan te leggen rotonde zijn verbonden. Voor langzaamverkeer wordt een afzonderlijke route naar de moskee aangelegd. Deze zal zodanig worden geconstrueerd dat de weg ook begaanbaar is voor hulpdiensten.

    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een groot gedeelte van de parallelweg ongeveer vijf meter breed en geasfalteerd is. Het overige gedeelte van de parallelweg zal worden verbeterd en kan worden verbreed, aldus de raad.

2.6.3.    Gelet op het voorgaande hebben [belanghebbende] en [appellant sub 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de parallelweg ongeschikt zal zijn om als ontsluiting voor de moskee te dienen. Voorts ziet de Afdeling, gelet op het "worst case scenario" van 600 voertuigen per etmaal, in hetgeen [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van het plan de verkeersveiligheid op de desbetreffende wegen dermate zal verslechteren dat de raad hieraan redelijkerwijs een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

    De betogen falen.

Aantasting polderlandschap

2.7.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de moskee ten onrechte op de desbetreffende locatie in het polderlandschap wordt gerealiseerd, nu uitbreiden pas toe kan worden gestaan als inbreiden niet meer mogelijk is.

2.7.1.    Op 2 juli 2010 is de Verordening Ruimte vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland (hierna: de Verordening).

    Ingevolge artikel 2, lid 1, van de Verordening, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies, intensieve recreatieve functies of bebouwing voor extensieve recreatieve functies mogelijk maken.

2.7.2.    Op kaart 1 behorende bij de Verordening zijn de bebouwingscontouren aangegeven. Hierbinnen kunnen ingevolge de Verordening stedelijke functies worden gevestigd dan wel worden uitgebreid. Het plangebied ligt binnen deze bebouwingscontour. Gelet op het voorgaande is het plan niet in strijd met de Verordening vastgesteld.

2.8.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen voorts dat het onaanvaardbaar is dat de moskee als enige, vrijstaande object in een open landschap komt te staan en daardoor de polder aantast. Zij wijzen er in dit verband op dat de polder Noordzijde deel uitmaakt van het middeleeuws cultuurlandschap ten noorden van Bodegraven en dit een wezenlijk onderdeel vormt van het Nationaal Landschap "Groene Hart".

    Volgens [belanghebbende] en [appellant sub 1] is de polder onderdeel van het grootste onbebouwde en nog niet door wegen doorsneden veenweidegebied in Nederland, hetgeen wordt beschermd door het zogeheten Veenweideconvenant Gouwe Wiericke (hierna: het Veenweideconvenant), en doet het plan hier afbreuk aan. Zij betogen voorts dat de moskee het uitzicht naar de polder en de beleving van het polderlandschap zal aantasten.

2.8.1.    De raad stelt dat met de vaststelling van de Structuurvisie Noordzijde een ruimtelijk kader is vastgesteld, waarin met inachtneming van de (landschappelijke) kwaliteiten van het gebied, ontwikkelingen mogelijk zijn. Bij de vaststelling van deze structuurvisie heeft de raad een afweging gemaakt over de afronding van de noordzijde van Bodegraven, waarbij de kwaliteit van de locatie en omgeving zijn betrokken. Volgens de raad is met het plan voor een deel uitvoering gegeven aan de in de structuurvisie voorziene ruimtelijke ontwikkeling.

    De raad stelt tot slot dat de ontwikkelingen aan de noordrand van de bebouwde kom van Bodegraven zijn afgestemd op en getoetst aan de toekomstige herinrichting van het veenweidegebied. Volgens de raad wordt als leidraad hiervoor het Veenweideconvenant gebruikt, maar behoort de in het plan voorziene locatie van de moskee niet tot het werkgebied van het Veenweideconvenant.

2.8.2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan is de raad niet gebonden aan beleid van het Rijk dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

    De gemeente Bodegraven is binnen het Nationaal Landschap het "Groene Hart" gelegen. Volgens de Nota Ruimte geldt als uitgangspunt voor de ontwikkeling van het Groene Hart als geheel, de invulling en uitwerking van een kwaliteitszonering. Daarbij moet rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden en het 'ja-mits'-regime dat in het Groene Hart geldt. Dit komt er op neer dat ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk zijn mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt.

    Het plangebied ligt binnen het transformatiegebied de "Oude Rijnzone". In zogenoemde transformatiezones gaat het onder meer om ontwikkelruimte voor diverse kleinschalige functies. Behoud van de open ruimte en verbetering van de kwaliteit staat voorop binnen de Oude Rijnzone. In de plantoelichting staat dat het verbeteren van de huidige stadsrand van Bodegraven-Oost (inclusief de Noordzijde) daarbinnen een belangrijk onderdeel is en daarom bij de realisatie van de moskee aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpassing.

2.8.3.    Het beleidskader voor de vestiging van de moskee wordt gevormd door de structuurvisie "Noordzijde" van 17 december 2009 (hierna: de structuurvisie). In de plantoelichting staat dat de structuurvisie is opgesteld om de rand van Bodegraven op een duurzame manier vorm te geven richting het Groene Hart en een goede koppeling tot stand te brengen tussen het bestaande dorp en het nieuw te ontwikkelen gebied. Binnen de structuurvisie is in het noordelijke deel een locatie opgenomen voor de realisatie van een maatschappelijke functie in de vorm van een moskee of islamitisch cultureel centrum. In de plantoelichting staat voorts dat het landschap waar de moskee in komt te staan zich voornamelijk kenmerkt door openheid, verkaveling door middel van lange, rechte watergangen en sporadisch de aanwezigheid van zogenoemde geriefbosjes (kleine groepjes beplanting van voornamelijk els en es). Deze elementen zijn gebruikt om de moskee op een passende wijze landschappelijk in te passen. Dit houdt in dat de locatie wordt begrensd door water en lage beplanting zal worden geplaatst. Aan de westzijde zal een rij met elzenstoelen worden geplant. Met deze landschappelijke elementen worden de rechte lijnen van het landschap benadrukt en krijgt de moskee landschappelijk meer houvast in zijn omgeving.

    [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de raad het beleid van het Rijk ten aanzien van het Groene Hart onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan.

2.8.4.    Ingevolge artikel 3 van het Veenweideconvenant streven partijen vijf thematische doelen na voor het behoud en versterking van de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied. In het Veenweideconvenant zijn afspraken gemaakt voor de in artikel 12 genoemde gebieden, die zijn weergegeven in bijlage 4 van het Veenweideconvenant. Het plangebied valt hier niet onder.

2.8.5.    De Afdeling ziet in hetgeen [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot zodanige aantasting van het polderlandschap dan wel veenweidelandschap dat de raad daaraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

    De betogen falen.

Beschermde diersoorten

2.9.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat als gevolg van het plan het leefgebied van vele diersoorten wordt verkleind of zelfs zal verdwijnen. Volgens hen zullen weidevogels worden verstoord en is de polder een foerageer- en rustplaats voor grote groepen overwinterende ganzen. [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen voorts dat de Groene en Bonte Specht, anders dan de conclusie in het flora- en faunaonderzoek, in het plangebied voorkomt. Ook wordt de biotoop van de vleermuizen die rondom de begraafplaats wonen, onder meer door schijnwerpers en andere verlichting, aangetast door de moskee, aldus [belanghebbende] en [appellant sub 1].

    [belanghebbende] en [appellant sub 1] vrezen daarnaast voor ernstige vervuiling van het slootwater waardoor de visstand wordt bedreigd. Volgens hen wordt het afspoelend regenwater direct op het oppervlaktewater afgevoerd en heeft dit effect op de aanwezige Kleine Modderkruiper, Bittervoorn, padden en roofvogels.

2.9.1.    De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.9.2.    In opdracht van de raad heeft Watersnip Advies een flora- en faunaonderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van mei 2010. Uit het rapport van mei 2010 blijkt dat het plangebied geen directe relatie heeft met beschermde gebieden of ecologische verbindingszone.

    Vogelnesten die jaarrond worden beschermd door de Ffw, zoals van de Grote bonte specht, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Er zijn wel verschillende andere vogelsoorten aangetroffen die in het kader van de Ffw worden beschermd. In het rapport van mei 2010 wordt als advies gegeven dat indien vegetatie wordt verwijderd, dit buiten het broedseizoen van de desbetreffende vogels dient te gebeuren zodat overtreding van de Ffw wordt voorkomen.

    Gezien de kwaliteit van de sloten is het volgens het rapport van mei 2010 niet aannemelijk dat (streng) beschermde vissoorten, zoals de Kleine modderkruiper en de Bittervoorn, rond het plangebied voorkomen.

    In het rapport van mei 2010 staat verder dat het niet uit is te sluiten dat de Rugstreeppad voorkomt binnen het plangebied en dat wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen om te voorkomen dat de Rugstreeppad zich in het plangebied vestigt tijdens de werkzaamheden.

    Watersnip Advies heeft het rapport van mei 2010 aangevuld bij brief van 27 augustus 2010. Hierin staat dat meerdere foeragerende beschermde vleermuissoorten zoals de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Laagvlieger foeragerend zijn waargenomen. Aangezien het bomenperceel aan de noordwestzijde van het plangebied in zijn geheel behouden blijft, treedt er in zoverre geen verandering op en zal er als gevolg van het plan geen schade ontstaan aan de gunstige staat van instandhouding van de vleermuizen, aldus de brief van 27 augustus 2010.

2.9.3.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het rapport van mei 2010 en de brief van 27 augustus 2010 zodanige gebreken dan wel leemten in kennis bevatten dat de raad zich hierop bij de vaststelling van het plan niet mocht baseren. De Afdeling ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    De betogen falen.

Alternatieve locaties

2.10.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de raad de aangedragen veertien andere, alternatieve locaties, waaronder het vrijkomen van twee locaties waaraan reeds de functie van maatschappelijke voorziening is toegekend in de van toepassing zijnde bestemmingsplannen, onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. Zij verwijzen in dit verband naar het Antonius College en een gymlokaal aan de Laan van Turkenburg. Gebedshuizen horen huns inziens thuis in een woonomgeving. Dit zal ook bijdragen aan een vermindering van verkeersbewegingen, aldus [belanghebbende] en [appellant sub 1].

2.10.1.    De raad stelt dat de keuze van de locatie voor de in het plan voorziene moskee is gemaakt in het kader van de Structuurvisie Noordzijde en dat daarbij een groot aantal locaties is onderzocht. Volgens de raad is deze structuurvisie het resultaat van onderzoeken en een afwegingsproces over de ruimtelijke invulling van het gebied Noordzijde en bestaat geen aanleiding hieraan te twijfelen.

2.10.2.    De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

    In 2007 heeft de raad een locatieonderzoek laten uitvoeren met het doel de beste locatie aan te wijzen om een nieuwe moskee/ islamitisch cultureel centrum te bouwen. In dit locatieonderzoek zijn diverse locaties in Bodegraven onderzocht. Criteria bij dit onderzoek waren onder meer voldoende ruimte voor een gebouw dat ruimte biedt aan het groeiend aantal leden van de moslimgemeenschap, voldoende ruimte om aan de parkeerbehoefte te voldoen, een goede bereikbaarheid van de locatie en de mogelijkheid om op korte termijn met de bouw van een moskee te beginnen. De locatie aan de Burgemeester Kremerweg is uit deze analyse als beste mogelijkheid naar voren gekomen. Het gebied ligt aan de hoofdontsluitingsweg van Bodegraven en is in eigendom van de gemeente. De omvang van het gebied kon op deze locatie nog worden bepaald, waardoor genoeg ruimte gereserveerd kan worden voor parkeren. Realisering van de moskee in het noordelijke deel is daarbij door omwonenden als voorkeur aangegeven en leidt tot minder kosten dan in het zuidelijk deel, nu daar een ontsluiting gerealiseerd zou moeten worden.

    Gelet op deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voor- en nadelen van diverse locaties voldoende zijn onderzocht en hij in redelijkheid tot de keuze voor de onderhavige locatie heeft kunnen komen.

    De betogen falen.

Evenemententerrein

2.11.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat als gevolg van het plan de beschikbare ruimte voor het huidige evenemententerrein wordt gehalveerd en hiervoor geen alternatief voor handen is. Volgens hen zal dit financiële gevolgen met zich brengen hetgeen ten onrechte niet in de afweging van de raad is betrokken.

2.11.1.    De raad stelt dat de omvang van het ter plaatse aanwezige evenemententerrein weliswaar wordt verkleind, maar dat een terrein beschikbaar blijft voor het houden van evenementen. Volgens de raad zal voor sommige evenementen een andere locatie worden gezocht en zal daarvoor separaat financiële dekking worden gevonden.

2.11.2.    Ingevolge artikel 3.1, onder d, van de planregels, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch" ondergeschikt bestemd voor:

d. ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' het houden van evenementen.

2.11.3.    De raad komt in beginsel beleidsvrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

    De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij er belang aan hecht dat de ruimte van het evenemententerrein die verloren gaat door de bouw van de moskee, zal worden gecompenseerd. De raad vindt het wenselijk om deze compensatie in een breder verband te bezien, mede gelet op de investering die hij daarvoor zou moeten maken en acht nader onderzoek hiervoor nodig. De raad heeft ter zitting voorts toegelicht dat de compensatie van het evenemententerrein financieel kan worden gedekt. De islamitische vereniging heeft ter zitting toegelicht dat voor evenementen ook gebruik kan worden gemaakt van het terrein van de moskee en dat hierover gesprekken gaande zijn.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad het verkleinen van het evenemententerrein voldoende betrokken bij de belangenafweging en heeft de raad, gelet op het feit dat het plan nog steeds evenementen ter plaatse toestaat, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang een moskee ter plaatse te realiseren dan aan het belang om het evenemententerrein in de huidige omvang op te nemen in het plan.

    De betogen falen.

Financiële uitvoerbaarheid

2.12.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de kosten die de gemeente moet maken voor het faciliteren van de moskee, waaronder de investering voor de grond en het bouwrijp maken hiervan, aanzienlijk hoger zullen zijn dan het door de raad geschatte bedrag. Voorts betogen zij dat de vermindering van het woongenot gevolgen zal hebben voor de waarde van de omliggende woningen, hetgeen zal leiden tot het vergoeden van planschade. Dit is door de raad ten onrechte niet meegerekend, aldus [belanghebbende] en [appellant sub 1].

2.12.1.    De raad stelt dat de door [belanghebbende] en [appellant sub 1] gehanteerde eenheidsprijzen niet realistisch zijn. De raad stelt voorts dat uit de door Metrum opgestelde quickscan planschade van 3 december 2009 (hierna: de quickscan) blijkt dat de kans op planschade nihil wordt geacht en daarom in de kostenopzet geen rekening is gehouden met de vergoeding van planschade, aldus de raad.

2.12.2.    De gronden waarop de moskee is voorzien, zijn in eigendom van de gemeente. De gronden worden volgens de plantoelichting na het onherroepelijk worden van het besluit tot vaststelling van het plan verkocht aan de islamitische vereniging. Bij locaties met voorzieningen voor het algemeen belang wordt uitgegaan van een vaste vierkante meterprijs. De prijs is niet gebaseerd op een marktwaarde, nu een marktsituatie voor dit soort voorzieningen ontbreekt. De vast te stellen prijs per vierkante meter moet worden gezien als een redelijke vergoeding voor de gemaakte kosten, inclusief een reële waarde van de grond, die jaarlijks wordt geïndexeerd. In de plantoelichting staat voorts dat door de gronduitgifte en de gemeentelijke financiële dekking van een eventueel tekort, het kostenverhaal anderszins is verzekerd en het niet noodzakelijk is een exploitatieplan vast te stellen.

    De raad heeft een exploitatieopzet gemaakt. Uit de berekening blijkt dat de in het plan voorziene ontwikkeling kosten-neutraal kan plaatsvinden. De raad heeft ter zitting toegelicht dat ook indien de kosten hoger zijn dan de raad heeft geraamd, hiervoor budget zal worden gevonden.

    Voor zover [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de raad miskent dat extra kosten zijn gemaakt als gevolg van het bouwrijp maken van de gronden, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat wegens de gesteldheid van de bodem aldaar geen extra kosten aan het bouwrijp maken van de gronden zijn verbonden. [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar zal zijn.

2.12.3.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de omliggende woningen betreft, bestaat, mede gelet op de quickscan geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

    De betogen falen.

Nabijheid begraafplaats

2.13.        [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat het plan geen respect toont voor nabestaanden die de algemene begraafplaats bezoeken, nu de moskee naast de begraafplaats zal worden gerealiseerd.

2.13.1.    Ingevolge artikel 5.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor religieuze doeleinden en daarbij behorende ondersteunende functies.

2.13.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 april 2011, zaak nr. 200905023, staat voorop dat voor een aan te houden afstand tussen een begraafplaats en bebouwing geen wettelijk aan te houden piëteitszone bestaat. Bebouwing in de directe nabijheid van begraafplaatsen behoeft niet bij voorbaat uitgesloten te worden geacht. Dit doet er echter niet aan af dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden bezien of de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor gronden in de directe nabijheid van een begraafplaats met de aanwezigheid van die begraafplaats verenigbaar zijn te achten.

    De moskee is op ongeveer 55 meter van de begraafplaats gelegen. Gelet hierop en gezien het volgens de planvoorschriften toegestane gebruik van de gronden, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat ter plaatse vormen van gebruik kunnen plaatsvinden die afbreuk kunnen doen aan de rust en ingetogenheid van de begraafplaats alsmede begrafenis- en herdenkingsplechtigheden kunnen verstoren.

    De betogen falen.

Overig

2.14.    [belanghebbende] en [appellant sub 1] betogen dat de integratie van bezoekers van de moskee niet wordt bevorderd, omdat de moskee op een afgelegen plaats zal worden gerealiseerd.

2.14.1.    Deze beroepsgrond betreft geen ruimtelijke aspect dat kunnen worden betrokken bij de vaststelling van een bestemmingsplan en blijft derhalve buiten beschouwing.

Conclusie

2.15.        In hetgeen [belanghebbende] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

        In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

        De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.16.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen       w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

375-690.