Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201200130/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "1e partiële bestemmingsplan herziening Rijksweg 73-Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5161
JBO 2012/61 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2012/107 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200130/1/R1.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Maasgouw,

en

de raad van de gemeente Maasgouw,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "1e partiële bestemmingsplan herziening Rijksweg 73-Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2012, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 januari 2012.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.D. Worotikan, advocaat te Roermond, en de raad, vertegenwoordigd door J.H. Schönwetter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bestemmingsplan voorziet onder meer in een wijziging van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten aanzien van de percelen gelegen aan de Stationsweg 78 te Maasbracht (hierna: Stationsweg 78) en de Rijksweg 5 te Maasbracht (hierna: Rijksweg 5).

2.2.    [appellante] betoogt dat de raad naast de bestemming "Bedrijf" ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" aan haar percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5 heeft toegekend. [appellante] voert aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de te verwachten resterende archeologische waarden en zodoende de toekenning van de dubbelbestemming van een onvoldoende motivering heeft voorzien. [appellante]  acht de aanwezigheid van archeologische bodemvondsten zeer onwaarschijnlijk, gezien de diverse graafwerkzaamheden die in het verleden op de percelen reeds hebben plaatsgevonden. Voorts betoogt [appellante]  dat de kosten van een archeologisch rapport ten onrechte voor haar rekening komen.

    Tot slot voert [appellante]  aan dat het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw in 2009 een bouwvergunning en een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) heeft verleend ten behoeve van het perceel Stationsweg 78, terwijl het onderhavige plan reeds in voorbereiding was. Nu het college bij de vrijstelling en de bouwvergunning geen onderzoeksplicht omtrent de archeologische waarde heeft opgelegd, betoogt [appellante]  dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de in de toekomst nog te ontplooien bouwactiviteiten zonder nader archeologisch rapport konden worden verricht.

2.2.1.    De raad stelt dat hij, gelet op het Verdrag van Valletta en de Monumentenwet 1988, bij het opstellen van een bestemmingsplan rekening dient te houden met het belang van de archeologie. De dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" is gebaseerd op het gemeentelijke "Beleidsplan Archeologie" en de daarbij behorende archeologische waardenkaart. Bij de opstelling van de archeologische waardenkaart stelt de raad ook het historisch gebruik van het perceel te hebben meegewogen. De raad betoogt tevens dat het gebruik van het perceel als industrieterrein niet afdoet aan de bescherming van de archeologische waarden. Verder acht de raad het, gelet op het systeem van de Monumentenwet 1988, gerechtvaardigd dat de veroorzaker de kosten van het archeologisch onderzoek draagt.

2.2.2.    Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

    Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verplicht worden gesteld.

    Ingevolge artikel 39, tweede lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

    Ingevolge artikel 40, eerste lid, kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.

2.2.3.    In het bestemmingsplan is aan de percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5 de bestemming "Bedrijf" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" toegekend.

    Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

    Ingevolge lid 12.2.1 van de planregels zijn, indien op grond van de bouwregels van de onderliggende bestemming bouwwerken mogen worden gebouwd, deze op grond van de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" toegestaan, mits:

a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport genoemd onder a, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

    Ingevolge lid 12.2.1, onder c, is het bepaalde onder a en b van dat lid niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de in lid 12.2.1, onder c, genoemde activiteiten of bouwwerken.

    Ingevolge lid 12.3 van de planregels is het verboden op of in de gronden met een dubbelbestemming "Waarde-Archeologie", zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, de in lid 12.3.1. genoemde  werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren.

    Ingevolge lid 12.3.1 kan, voor zover hier van belang, de omgevingsvergunning slechts worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i. de aanvrager van de vergunning een rapport conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

j. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport genoemd onder i, door de werken en werkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van werken en werkzaamheden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

    Ingevolge lid 12.3.1, onder k, is het bepaalde onder i en j van dat lid niet van toepassing, indien de uit te (laten) voeren werken en werkzaamheden betrekking hebben op één of meer van de in lid 12.3.1, onder k, genoemde werken en werkzaamheden.   

    Ingevolge lid 12.3.2 is het in lid 12.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke in lid 12.3.2 worden genoemd.

2.2.4.    Op de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart in bijlage 3 van de planregels is aan de percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5 een middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegekend.  

2.2.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 november 2011 in zaak nr. 201010190/1/R3 is voor het opnemen van een beschermingsregeling niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vaststaat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen.

    De vervaardiging van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart in bijlage 3 van de planregels is uitgevoerd door een gespecialiseerd bureau, waarbij bekende archeologische gegevens en de opbouw van het landschap zijn geanalyseerd. Verschillende informatiebronnen zijn daarbij geraadpleegd, waaronder het Archeologisch Informatie Systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de bodemkaart van Nederland en de geologische kaart van Nederland. De raad heeft hiermee naar het oordeel van de Afdeling de aanwezigheid van archeologische sporen op het perceel aannemelijk gemaakt. Met de enkele stelling van [appellante]  dat er in het recente verleden op de percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5 graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de archeologische waarde van de percelen verloren is gegaan. De archeologische waardenkaart en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek bieden naar het oordeel van de Afdeling dan ook een toereikende grondslag voor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" wat betreft de percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5.

    Gelet op het voorgaande is het in overeenstemming met het systeem van de wet dat de kosten voor het laten opstellen van een aanvullend archeologisch rapport in dit plan bij de aanvrager van een omgevingsvergunning zijn gelegd. De wetgever is er daarbij vanuit gegaan dat die kosten in een redelijke verhouding dienen te staan tot de met de beoogde investering gemoeide kosten. [appellante]  heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten die zij bij de aanvraag van een omgevingsvergunning moet maken voor het doen verrichten van enig veldonderzoek ten behoeve van het rapport dat bij die aanvraag dient te worden overgelegd omtrent de archeologische waarde van het terrein, onevenredig zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5 geen grote omvang hebben en dat de bouwvlakken nagenoeg geheel bebouwd zijn. Voorts betrekt de Afdeling hierbij dat voor de kosten die zijn gemoeid met het voldoen aan de voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een zodanige vergunning kunnen worden verbonden, in artikel 4.2, eerste lid, van de Wabo een schadevergoedingsregeling is opgenomen.

2.2.6.    Aan de enkele omstandigheid dat aan [appellante]  in 2009 een bouwvergunning en een vrijstelling is verleend met betrekking tot het perceel Stationsweg 78 kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat toekomstige bouwactiviteiten op het perceel zonder nader archeologisch rapport kunnen worden verricht. [appellante]  heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat aan het perceel Stationsweg 78 niet de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" zou worden toegekend. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.2.7.    In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" wat betreft de percelen Stationsweg 78 en Rijksweg 5 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

466-749.