Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BX1102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
201109353/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Multifunctioneel centrum De Dreef" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109353/1/R3.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek,

2.    [appellant sub 2], wonend te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek,

en

de raad van de gemeente Laarbeek,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Multifunctioneel centrum De Dreef" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 29 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2012, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.P.J.G. Berkers, en de raad, vertegenwoordigd door A.J.M. van Doorn en F.M. Rooijakkers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in een uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het perceel van het Multifunctioneel centrum De Dreef ten behoeve van een verplaatsing van een gebouw van de scouting en een nieuw gebouw van de handboogvereniging.

Formeel

2.2.    Hetgeen de raad naar voren heeft gebracht vat de Afdeling op als een betoog dat erop neerkomt dat de beroepsgronden buiten beschouwing dienen te worden gelaten, voor zover deze zijn gericht tegen delen van het plan die hun grondslag vinden in het op 9 maart 2010 vastgestelde projectbesluit, waarin onder meer is voorzien in de vestiging van de scouting ter plaatse.

2.2.1.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden.

    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van die wet, is een omgevingsvergunning vereist om van het bestemmingsplan te kunnen afwijken en kan deze verleend worden indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

    Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover hier van belang, wordt een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet.

    Ingevolge artikel 3.10 van de Wro, voor zover hier van belang, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerp van het bestemmingsplan dat zijn grondslag vindt in een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo van het bestemmingsplan is afgeweken.

2.2.2.    Op 9 maart 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek een projectbesluit genomen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro, zoals dat toen gold, voor een uitbreiding van het Multifunctioneel centrum De Dreef. Het projectbesluit dient thans te worden aangemerkt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en ziet op hetzelfde perceel als het voorliggende plan. Uit de kaart behorende bij het projectbesluit volgt echter dat de daarin aangegeven uitbreiding van het Multifunctioneel centrum De Dreef zich, anders dan in het voorliggende plan, niet uitstrekt tot het deel van het perceel dat grenst aan de percelen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1], maar zich beperkt tot een uitbreiding van het hoofdgebouw. Nu [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich in hun zienswijzen juist richten tegen de bebouwing die het plan ten behoeve van de scouting en de handboogvereniging op gronden, aangrenzend aan hun perceel, mogelijk maakt, richten de zienswijzen zich niet tegen het deel van het bestemmingsplan dat zijn grondslag vindt in het projectbesluit. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de zienswijzen ingevolge artikel 3.10 van de Wro in zoverre buiten beschouwing dienden te worden gelaten en in verband hiermee de beroepsgronden in zoverre niet aan de orde zouden kunnen komen.

    De Afdeling stelt vast dat de raad ondanks zijn standpunt dat de zienswijzen geen betrekking kunnen hebben op de vestiging van de scouting ter plaatse in zijn Responsnota inhoudelijk op de desbetreffende zienswijzen is ingegaan en dat hij deze bij zijn besluit heeft betrokken.

Inhoudelijk

2.3.    [appellant sub 2] en [appellant sub 1] voeren aan dat de raad het plan, voor zover dit bebouwing voor de handboogvereniging en de scouting direct bij de grens van hun percelen mogelijk maakt, ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voeren daartoe aan dat het beoogde gebruik door de handboogvereniging en de scouting niet verenigbaar is met de bestemming "Maatschappelijk" die aan de gronden is toegekend, nu het beoogde gebruik onder sport valt. Ook is de inbreidingslocatie voor de vestiging hiervan ongeschikt. [appellant sub 2] vreest dat zijn uitzicht en de bezonning van zijn perceel onevenredig zullen worden aangetast door de voorziene bebouwing aan twee zijden van zijn perceel en op korte afstand van zijn woning. Ook vreest hij geluidsoverlast van de activiteiten in de gebouwen. De motivering van de raad dat een groenstrook van 80 cm zal worden behouden tussen de gebouwen en zijn perceel, is ondeugdelijk, nu deze groenstrook niet als zodanig in het plan is opgenomen en deze bovendien de door hem gevreesde overlast niet kan voorkomen. Hij wenst derhalve een groenvoorziening met een breedte van 5 m. [appellant sub 2] heeft nog aangevoerd dat het plan weliswaar een goothoogte van maximaal 3,5 m toelaat, maar dat de nokhoogte niet is beperkt.

    [appellant sub 1] voert aan dat de raad ten onrechte niet heeft bezien of een alternatieve locatie voor het gebouw van de handboogvereniging mogelijk was. Verder heeft de raad volgens hem ten onrechte geen onderzoek verricht naar de te verwachten geluidbelasting en de verkeerstoename. [appellant sub 1] vreest voorts parkeeroverlast in zijn straat, nu het plan onvoldoende parkeerplaatsen mogelijk maakt.

2.4.    De raad stelt zich op het standpunt dat het beoogde gebruik van de gebouwen door de scouting en de handboogvereniging binnen de bestemming "Maatschappelijk" mogelijk is, nu die bestemming recreatie toestaat. De bestemming "Sport" behoudt de raad voor aan grote sportvelden in de gemeente. Ook stelt hij dat de voorziene bebouwing geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich zal brengen, gelet op de maximale hoogte van 3,5 m en gelet op de omstandigheid dat de bestaande haag van 2,5 m hoog en 80 cm breed in stand zal worden gelaten. Voorts is geen onaanvaardbare toename van verkeer te verwachten, nu het plan een beperkte uitbreiding ten opzichte van het voorheen geldende plan mogelijk maakt, aldus de raad. Omdat de activiteiten van de handboogvereniging binnen het gebouw zullen plaatsvinden is daar volgens de raad geen geluidsoverlast van te verwachten en bovendien bieden de voorziene gebouwen juist een afscherming van de bestaande activiteiten op het buitenterrein.

2.5.    Het plangebied heeft de bestemming "Maatschappelijk". Ter plaatse van de voorziene gebouwen voor de handboogvereniging en de scouting ligt voorts een bouwvlak en is de aanduiding "maximale goothoogte (3.5 m)" toegekend.

    In artikel 1, lid 1.26, van de planregels is maatschappelijke dienstverlening omschreven als: het niet-bedrijfsmatig verlenen van diensten, bijvoorbeeld:

a. openbaar bestuur, defensie, wettelijke sociale verzekering;

b. religieuze en andere levensbeschouwelijke organisaties;

c. onderwijs;

d. gezondheids- en/of veterinaire diensten;

e. verzorgings- en/of verpleeghuizen;

f. sociaal-culturele en culturele instellingen;

g. bedrijfs- en werknemersorganisaties, researchinstellingen, overige sociale organisaties;

h. recreatie (daaronder niet begrepen sportvelden, zoals voetbalvelden, hockeyvelden en tennisbanen e.d.).

    Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke dienstverlening;

b. horeca, uitsluitend in de vorm van een kantine, direct verbandhoudende met de onder a. genoemde functies, met een maximum van 10% van de bruto-vloeroppervlakte;

c. bedrijfsgebouwen;

d. bijgebouwen;

e. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

f. verkeers- en parkeervoorzieningen;

g. groen- en speelvoorzieningen;

h. waterbergings- en infiltratievoorzieningen, waterpartijen en watergangen;

i. doeleinden van openbaar nut.

    Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub d, voor zover hier van belang, mag de goothoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte" maximaal de aangeduide goothoogte bedragen.

2.6.    De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voorziene gebruik van het plandeel door de handboogvereniging en de scouting een activiteit betreft die, gelet op de begripsomschrijving, valt onder de doeleindenomschrijving van "Maatschappelijk" en derhalve is toegestaan. De stelling van de raad dat hij de bestemming "Sport" voorbehoudt aan sportvelden en bijbehorende sporten, acht de Afdeling daarbij niet onredelijk.

2.7.    De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak in het plan zodanig is gesitueerd dat wat betreft het perceel [appellant sub 2] langs twee zijden tot op de grens met zijn perceel bebouwing mogelijk is en wat betreft het perceel van [appellant sub 1] op een afstand van ongeveer 5 m van zijn perceel. Ter zitting is verder gebleken dat bebouwing mogelijk is op ongeveer 2 m van de woning van [appellant sub 2].

    De Afdeling overweegt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van deze bebouwing op een dergelijk korte afstand van de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor hun woon- en leefklimaat. Daarbij is van belang dat de planregels uitsluitend een maximale goothoogte van 3,5 m voorschrijven, maar hierin geen bouwhoogte is opgenomen die niet mag worden overschreden. Voor zover de raad verder wijst op de bestaande beukenhaag ter plaatse, overweegt de Afdeling dat het plan met de bestemming "Maatschappelijk" weliswaar groenvoorzieningen mogelijk maakt, maar dat, zoals [appellant sub 2] terecht stelt, in het plan niet is gewaarborgd dat deze haag, zoals de raad heeft beoogd, ook zal blijven worden gehandhaafd. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom een verschuiving van het bouwvlak in westelijke richting of in de richting van de bestaande bebouwing van het Multifunctioneel centrum De Dreef niet mogelijk zou zijn. Het betoog slaagt. In verband hiermee behoeft het bezwaar van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] met betrekking tot de gevreesde geluidsoverlast van de activiteiten in de gebouwen in het kader van de onderhavige beroepsgronden geen verdere bespreking.

2.8.    Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gevreesde verkeers- en parkeeroverlast wordt overwogen dat het gebruik van de in het plangebied gelegen gronden voor de beoogde doeleinden reeds in het vorige plan is toegelaten en dat het plan alleen voorziet in een beperkte uitbreiding van de bebouwing. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen zodanige toename van verkeer te verwachten is dat de bestaande wegen het verkeer niet meer zullen kunnen verwerken of dat meer parkeerplaatsen nodig zullen zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad onweersproken heeft gesteld dat reeds 65 parkeerplaatsen op het terrein van het Multifunctioneel centrum De Dreef aanwezig zijn en dat niet is gebleken dat thans van verkeers- of parkeeroverlast sprake is. Het betoog faalt.

2.9.      In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het deel van het plangebied met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "maximale goothoogte (3,5 m)" langs de noordelijke plangrens, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.10.    Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Laarbeek van 7 juli 2011, voor zover het betreft het deel van het plangebied met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "maximale goothoogte (3,5 m)", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III.    veroordeelt de raad van de gemeente Laarbeek tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Laarbeek het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra                           w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

177-715.

<hr /><img alt="" width="750" src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2011p09353-1.jpg" />